De bij dode opgerichte stichting
Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/4.4.1.1.3:4.4.1.1.3 Als statutenwijziging mogelijk is, geldt dat niet voor elke wijziging
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/4.4.1.1.3
4.4.1.1.3 Als statutenwijziging mogelijk is, geldt dat niet voor elke wijziging
Documentgegevens:
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232329:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
B.C.M. Waaijer, Statuten en statutenwijziging (diss. Nijmegen), Deventer: Kluwer 1993, p. 178.
Quist 2008.
Vgl. K. Schroten, De overheidsstichting op het niveau van de centrale overheid (diss. Utrecht), Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 2000, p. 26.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Als de statuten zwijgen, is statutenwijziging zonder rechterlijk ingrijpen onmogelijk, zo bleek. Maar als wijziging van de statuten wel is toegestaan, is dan elke wijziging mogelijk? Nee, is het duidelijke antwoord van Maeijer. Maeijer is van mening dat statutenwijziging slechts mogelijk is indien dit objectief beschouwd noodzakelijk is, zeker als het de wijziging van het doel betreft.1
In zijn proefschrift neemt Waaijer een vergelijkbaar standpunt in.2
Rensen3 en Quist4 denken genuanceerder over de mogelijkheid tot statutenwijziging. Rensen is van mening, dat, gelet op de autonomie van de oprichters en anderen die de inhoud van statuten kunnen bepalen, meer betekenis moet worden toegekend aan de wijze waarop de wijzigingsbevoegdheid is geformuleerd. Zeker als de wijziging is onderworpen aan goedkeuring door andere organen of derden, is Rensen genegen ook wijziging van het doel toe te laten. Ook Quist ziet ruimere mogelijkheden voor wijziging van het doel dan Maeijer en Waaijer, echter als die wijzigingen het doel betreffen, is hij terughoudender dan Rensen. Zo is Quist van mening dat het antwoord op de vraag of het doel van de stichting kan worden gewijzigd, afhankelijk is van de wijze waarop de stichting haar vermogen heeft verkregen.
Dit uitgangspunt van Quist onderschrijf ik volledig. Zo acht ik het − buiten de uitzondering dat het doel niet meer kan worden bereikt − onmogelijk het doel te wijzigen als de bij dode opgerichte stichting begunstigde uit een uiterste wilsbeschikking van de erflater is geweest. Vermogen afkomstig van de oprichter/erflater kan niet op andere wijze worden aangewend dan door hem via het doel van de stichting voorzien. Dit vloeit mede voort uit het doel als last, waarover ik schrijf in hoofdstuk 5. Als geen ‘oud’ vermogen aanwezig is en nieuw vermogen wordt verkregen, zou hier anders over gedacht kunnen worden, al meen ik dat liquidatie van de bestaande stichting en oprichting van een nieuwe meer voor de hand ligt. Deze beperkte wijzigingsmogelijkheid geldt niet alleen ten aanzien van het doel, maar voor alle grondregels. Het zijn immers deze grondregels, vooral het doel, waarin de wil van de oprichter, zo belangrijk voor elke stichting, naar voren komt. Bij de overige bepalingen uit de statuten ligt het naar mijn mening anders. Daarvan kan veel eerder worden aangenomen dat deze gewijzigd kunnen worden, indien de statuten wijziging toestaan.5