Vormfouten
Einde inhoudsopgave
Vormfouten (SteR nr. 19) 2015/2.9.3.1:2.9.3.1 Geen nadruk op één belang
Vormfouten (SteR nr. 19) 2015/2.9.3.1
2.9.3.1 Geen nadruk op één belang
Documentgegevens:
Reindert Kuiper, datum 30-04-2014
- Datum
30-04-2014
- Auteur
Reindert Kuiper
- JCDI
JCDI:ADS619068:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Wat betreft de doelen van het strafproces, sluit ik me graag aan bij wat de handboeken van onderscheidenlijk Keulen & Knigge en Corstens & Borgers daarover zeggen:
‘Het hoofddoel van het strafproces is het verzekeren van een juiste toepassing van het abstracte materiële strafrecht. Dat doel is tweeledig. Het doel is enerzijds te bewerkstelligen dat de schuldigen (degenen die de strafwet hebben overtreden) worden gestraft (en wel volgens de regels van het materiële recht). (…) Het doel is anderzijds het voorkomen van de bestraffing van onschuldigen.
De interne spanning tussen beide subdoelen zit (…) als het ware in ons strafproces ingebakken. Telkens opnieuw staat de prangende vraag of ons strafproces voldoende garanties biedt tegen bestraffing van onschuldigen tegenover de even terechte vraag of dat strafproces de burger voldoende bescherming biedt tegen de misdaad.’1
‘Het strafproces dient ertoe om te onderzoeken of er inderdaad een strafbaar feit heeft plaatsgevonden, en als dat zo is, of dat ook aanleiding geeft tot een reactie. (…) Daarbij gaat het erom de strafwet toe te passen op schuldigen en de toepassing ervan op onschuldigen te verhinderen.’2
Deze korte citaten maken duidelijk dat binnen het strafprocesrecht rekening moet worden gehouden met uiteenlopende en soms tegenstrijdige belangen. Dat komt scherp aan het licht bij de keuzes die de strafrechter moet maken bij het controleren en reageren op vormfouten, waarin vaak de met waarheidsvinding en berechting gemoeide belangen staan tegenover het belang van de verdachte bij bescherming van zijn rechten. Het uiteenlopen van de aard en de ernst van vormfouten maakt een genuanceerde afweging van belangen noodzakelijk.
Een benadering die principieel veel nadruk legt op één belang, leidt naar mijn overtuiging door die eenzijdigheid gemakkelijk tot uitkomsten die tegen de achtergrond van andere betrokken belangen niet te rechtvaardigen en onevenredig zijn. Wie rechtsbescherming van de verdachte als hét belangrijkste doel ziet van strafvorderlijke regels, en dit per definitie plaatst boven andere belangen die in het strafproces een rol spelen, kan ruime uitleg van bevoegdheid verlenende bepalingen en een enge uitleg van regels waaraan de verdachte rechten ontleent steeds alleen maar negatief waarderen. Datzelfde geldt voor rechtspraak die de controlerende taak van de zittingsrechter beperkt of die toepassing van ingrijpende rechtsgevolgen aan banden legt. Het belangrijkste doel wordt daardoor immers niet optimaal gediend. Dat maakt een dergelijk uitgangspunt wat mij betreft te eenzijdig en daarom onaantrekkelijk. Het duwt in een richting waarin gemakkelijk te weinig oog kan bestaan voor het in de praktijk noodzakelijkerwijs te zoeken evenwicht tussen de verschillende bij het strafproces betrokken belangen. Dat geldt ook voor de benadering waarin het bijzondere publiekrechtelijke karakter van het uitoefenen van strafvorderlijke bevoegdheden wordt benadrukt om te beargumenteren dat de toepassing van rechtsgevolgen als bewijsuitsluiting of nietontvankelijkverklaring in de rede ligt.
Wie daarentegen – als andere uiterste – misdaadbestrijding door efficiënte berechting met inachtneming van het recht op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM als eníge doeleinde van het controleren en reageren op vormfouten aanvaardt, dwingt de zittingsrechter de ogen te sluiten voor sommige vormen van onrechtmatig handelen die ernstige inbreuken meebrengen op andere dan de door deze bepaling beschermde grondrechten. Ook bij het structureel voorkomen van dergelijke andere vormfouten, dat uit rechtsstatelijk oogpunt zou moeten stoppen, kan in die benadering de strafrechter geen rol hebben.
Als geen toereikende alternatieve methoden bestaan om dergelijke inbreuken te voorkomen en te compenseren, spreekt ook die eenzijdigheid me niet aan. Voor beide extremen zijn wel argumenten aan te voeren, maar voor beide geldt eveneens dat zij, bij zuivere doorvoering in de praktijk, tot onevenredige en daardoor onbevredigende uitkomsten leiden. In een rechtsstaat behoort het recht niet alleen bescherming te bieden tegen inbreuken op grondrechten door de overheid, maar ook tegen zulke inbreuken door medeburgers. Dat laatste brengt ingevolgde de leer van het EHRM met betrekking tot de zogenaamde positieve verplichtingen van de overheid mee, dat deze onder omstandigheden moet voorzien in een effectieve strafbaarstelling van dergelijke inbreuken. Dan moet bij het bepalen van de rechtsgevolgen van een vormverzuim in het gegeven geval het belang van waarheidsvinding en berechting door bestraffing de doorslag kunnen geven, ook als dat ten koste gaat van de rechtsbescherming die de verdachte geniet. Het rechtsstatelijk gehalte van een land wordt niet alleen bepaald door de bescherming die het recht aan de verdachte biedt. Naar mijn opvatting kan de strafrechter de gecompliceerde taak die hij heeft bij het reageren op vormfouten het best vervullen met een genuanceerde benadering, die ruimte laat voor het afwegen van alle bij het strafproces betrokken belangen en waarin niet op voorhand voorrang wordt gegeven aan één belang. Een benadering waarin voor de strafrechter ruimte bestaat om, zoals Jörg in het citaat hiervoor schrijft het de vraag is ‘naar het optimale compromis’, is in mijn ogen de enige benadering die tot een goede taakvervulling door de strafrechter kan leiden; de enige benadering waarin evenredigheid kan worden bereikt tussen vormfouten en de daaraan verbonden rechtsgevolgen.