Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/7.1.3
7.1.3 Extinctieve verjaring ex art. 3:105 BW
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS490442:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Voetnoten
Voetnoten
TM, PG Boek 3, p. 416.
TM, PG Boek 3, p. 416.
VV II, PG Boek 3, p. 417.
TM, PG Boek 3, p. 416.
Tenzij sprake is van onvrijwillig bezitsverlies, zie art. 3:105 lid 2 BW, dat bepaalt: “Heeft iemand vóór dat tijdstip het bezit onvrijwillig verloren, maar het na dat tijdstip, mits binnen het jaar na het bezitsverlies of uit hoofde van een binnen dat jaar ingestelde rechtsvordering, terugverkregen, dan wordt hij als de bezitter op het in het vorige lid aangegeven tijdstip aangemerkt.”
Wanneer de oorspronkelijk rechthebbende zijn recht is verloren aan een verkrijger door extinctieve verjaring, staan hem een aantal rechtsmiddelen ten dienste, te weten een vordering uit onrechtmatige daad (art. 6:162 BW) of op grond van ongerechtvaardigde verrijking (art. 6:212 BW). Voor beide vorderingen geldt echter dat op grond van art. 3:312 BW de vordering uit onrechtmatige daad resp. die uit ongerechtvaardigde verrijking ook verjaard is. Zie hierover uitgebreid: P.C. van Es, Verkrijging door verjaring, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2011, p. 53-61. Betoogd wordt dat dit omzeild kan worden met een beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 BW). De Hoge Raad oordeelde ten aanzien van de verkorte termijn van art. 3:310 BW in een arrest in 2000 dat niet gezegd kan worden dat deze termijn nooit op grond van art. 6:2 BW buiten toepassing zou kunnen blijven, maar dat dit enkel geldt in zeer uitzonderlijke gevallen. Zie: HR 28 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5635. Zie tevens: J.E. Jansen, Bezit te kwader trouw, verkrijgende en bevrijdende verjaring (diss. Groningen), Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2011, p. 233.
Zie tevens: J.E. Jansen, Bezit te kwader trouw, verkrijgende en bevrijdende verjaring (diss. Groningen), Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2011, p. 254.
Zie o.m. C.J.H. Brunner, ‘Dief wordt eigenaar’, in: E.H. Hondius e.a. (red.), Quod licet (Kleijn-bundel), Deventer: Kluwer, 1992, p. 45-53; M.A.B. Chao-Duivis, ‘Dief wordt eigenaar... en blijft dat (helaas)!’, WPNR 1996/6240;WJ. Zwalve, ‘Art. 3:105, lid 1 BW Niet alléén een kwestie van termijnen’, WPNR 1995/6202, A.F. Salomons, ‘Nogmaals art. 3:105 BW: is een verbergende dief bezitter, houder of ‘gebrekkig bezitter’?’, WPNR 2012/6921; A.F. Salomons, ‘Leidt het verbergen van gestolen zaken tot verlenging van de verjaring van de revindicatie op grond van art. 3:321 lid 1 onder f BW?’WPNR 2013/6971.
Zie voor een uitgebreide bespreking hiervan: J.E. Jansen, Bezit te kwader trouw, verkrijgende en bevrijdende verjaring (diss. Groningen), Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2011, p. 260.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van het Hof Arnhem 10 juni 2003, NJ 2004/155. Tevens een bespreking hiervan: J.E. Jansen, ‘Enkele opmerkingen over levering- en bezitsverschaffing van onroerende zaken’, RM Themis 2008, afl. 1, p. 1-7. Zie ook de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch: Hof ’s-Hertogenbosch, 9 juni 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:2075, waarin het hof oordeelde dat art. 3:109 BW niet van toepassing is in het geval van registergoederen.
Naast verkrijging door verjaring van een bezitter te goeder trouw, kent het Burgerlijk Wetboek een overeenkomstige wijze van verkrijging die ook aan bezitters te kwader trouw ten goede komt.1Art. 3:105 BW bepaalt:
“Hij die een goed bezit op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit wordt voltooid, verkrijgt dat goed, ook al was zijn bezit niet te goeder trouw.”
Ter rechtvaardiging hiervoor stelt Meijers in zijn Toelichting:
“Het recht dient zich op den duur bij de feiten aan te sluiten, vooral wanneer dit recht de nodige rechtsvorderingen om wijziging te brengen in de feitelijke rechtsverhoudingen aan de rechthebbende onthoudt.”2
In het Voorlopig Verslag wordt hieraan toegevoegd dat het hier niet gaat om het sanctioneren van de kwade trouw, maar dat aangesloten wordt bij Meijers opvatting dat na een zeker tijdsverloop het recht zich bij de feiten dient aan te sluiten.3
Op grond van art. 3:306 BW verjaart de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit door de niet-rechthebbende door verloop van twintig jaar. Dit brengt met zich dat bevrijdende verjaring ex art. 3:105 BW, verkrijgende verjaring tot gevolg heeft.4 In dit hoofdstuk bedoel ik echter met ‘verkrijgende verjaring’ de verkrijging op grond van art. 3:99 BW en wordt de term ‘verkrijging door verjaring’ gebezigd als overkoepelende termvan verkrijging op grond van zowel art. 3:99 als op grond van art. 3:105 j° 306 BW.
Na verloop van twintig jaar wordt diegene die het goed op dat moment in bezit heeft rechthebbende.5 , 6 Dit in tegenstelling tot art. 3:99 BW, waarbij het gaat om een termijn voor de duur van het bezit.7 Wel geldt voor verjaring krachtens art. 3:105 BW tevens het bezitsvereiste.
In de literatuur is veel kritiek geuit over de regeling van art. 3:105 BW, met name omdat art. 3:105 BW het mogelijk maakt dat een dief uiteindelijk eigenaar wordt.8 Daarbij zorgt verkrijging door verjaring op grond van art. 3:105 BW voor registervervuiling, nu het ertoe leidt dat de rechthebbende zoals uit de openbare registers blijkt niet de rechthebbende hoeft te zijn.9 Voornoemde ‘nadelen’ die kleven aan de regeling van art. 3:105 verklaren wellicht waarom in de rechtspraak art. 3:105 BW restrictief uitgelegd wordt.10