Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/6.3.2.3
6.3.2.3 Waardeverhouding en toenemende waarde van de verbintenis
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950351:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie in dit verband ook § 7.6 over de ex nunc beoordeling van een opschortingsverweer.
Omdat de toekomstige huurtermijnen niet opeisbaar zijn, ontbeert het A aan een opschortingsrecht (zie § 3.6.2 en § 3.6.3).
Zie ook HR 26 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1779, RvdW 2021/1157, r.o. 4.2.
Daarbij zij opgemerkt dat de bevoegdheid tot opschorting van huurtermijnen in verband met onderhoudsgebreken zijn grens mede vindt in de mate waarin de verhuurder door die gebreken tekortschiet in zijn plicht tot het verschaffen huurgenot. De opschorting van huurtermijnen in verband met onderhoudsgebreken dient te worden beoordeeld aan de hand van art. 6:262 BW. Zie Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/49 en Asser/Rossel & Heisterkamp 7-II 2021/52 en bijv. Hof ’s-Hertogenbosch 13 augustus 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:3758, r.o. 4.15.2. Zie over art. 6:262 lid 2 BW voorts Asser/Sieburgh 6-III 2022/715.
In de in de voorgaande paragrafen behandelde voorbeelden staat de hoofdsom van de verbintenissen ten tijde van het beroep op een opschortingsrecht vast. In het geval waarin de waarde van de verbintenis tijdens de duur van de uitoefening van een opschortingsrecht toeneemt, wat bijvoorbeeld in veel voorkomende gevallen van maandelijks verschuldigd wordende termijnen, rentecumulatie of oplopende schade al zo is, kan gaandeweg een andere waardeverhouding ontstaan dan die bestond op het moment waarop de schuldenaar zijn opschortingsrecht voor het eerst uitoefende, waardoor die uitoefening alsnog geheel of gedeeltelijk naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan worden.1 Dit licht ik toe aan de hand van het volgende voorbeeld van mijzelf:
A huurt van B een opslagruimte voor € 100 per maand. Door een lekkage in de opslagruimte heeft A schade ter hoogte van € 1.200 geleden. B vordert in rechte betaling door A van één achterstallige huurtermijn en veroordeling tot betaling van de toekomstige huurtermijnen. Voor zover het openstaande huurtermijnen betreft,2 beroept A zich op een opschortingsrecht in verband met zijn schadevoedingsvordering, waarvan hij meent dat B daarvoor aansprakelijk is. B betwist aansprakelijkheid. De rechtbank stelt A na één jaar in het gelijk en wijst de vordering van B af. B gaat in hoger beroep. Het hof oordeelt twee jaren later eveneens dat B jegens A aansprakelijk is voor de door A geleden schade als gevolg van de lekkage.
Aanvankelijk schortte A de betaling van € 100 op in verband met een schadevergoedingsvordering ter hoogte van € 1.200. Ten tijde van het vonnis was A inmiddels twaalf huurtermijnen verschuldigd en hadden de verbintenissen over en weer in totaal een gelijke waarde. Het gevoerde opschortingsverweer zal bij deze waardeverhoudingen vermoedelijk niet onevenredig zijn. Ten tijde van het arrest van het hof was A 36 huurtermijnen verschuldigd. Op dat moment was de totale waarde van zijn verbintenis drie keer de waarde van zijn schadevergoedingsvordering (renteberekeningen daargelaten). Het is voorstelbaar dat een oordeel over de evenredigheid van het gevoerde opschortingsverweer dan anders zal luiden.3 A zou tot betaling van een deel van de huurtermijnen kunnen worden veroordeeld. Zou A echter van meet af aan ook een opschortingsverweer voeren in verband met een vordering tot reparatie van de lekkage kan de uitkomst een andere zijn, zeker wanneer A daardoor meer schade lijdt.4