Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/6.3.3
6.3.3 Belangen van partijen bij de uitoefening van het opschortingsrecht
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950291:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/58. Vgl. Wolters, Alle omstandigheden van het geval (O&R nr. 77) 2013, p. 295 met verwijzingen naar de PECL, DCFR en het recht van de Europese Unie.
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 207. Zie ook Linssen 1993, p. 178. Zie bijv. Rb. Zeeland-West-Brabant 8 februari 2017, ECLI:NL:RBZWB:2017:1105, r.o. 4.27-4.30; Rb. Amsterdam 23 januari 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ2667, r.o. 9; Rb. Gelderland (vzr.) 8 mei 2019, ECLI:NL:RBGEL:2019:2222, r.o. 4.5 en Rb. Amsterdam (vzr.) 15 februari 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:3831, r.o. 4.9. Vgl. Houben 2005, p. 254 i.v.m. opschorting in gevallen van contractdwang.
Zie ook § 2.5.4. Wanneer dat insolventierisico niet reëel aanwezig wordt geacht, kan de uitoefening van een opschortingsrecht, mede gelet op de schadelijke gevolgen voor de schuldenaar (bedrijfsstagnatie), onevenredig zijn (zie bijv. Rb. Amsterdam (vzr.) 30 december 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:10338, r.o. 4.2).
Vgl. bijv. Hof Amsterdam 20 april 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1224, r.o. 3.16 (“[Appellant] heeft daarnaast nog aangevoerd dat hij zonder zijn twee lesmotoren, pionnen, motorkleding, motorlaarzen en motorhelmen geen motorrijles meer kon geven en dus geen inkomsten meer kon genereren. Het is aan [appellant] zelf te wijten dat hij de zaken, waarvan hij stelt dat zij van groot belang zijn voor zijn bedrijfsuitoefening, niet meer tot zijn beschikking had. (…) Daarmee heeft [appellant] zelf het risico over zich afgeroepen dat [naam vof] op de zaken een retentierecht zou uitoefenen om pressie op hem uit te oefenen om de achterstallige huurtermijnen te betalen. Het door [naam vof] uitgeoefende retentierecht acht het hof gezien alle omstandigheden niet disproportioneel of op grond van de redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.”) en Rb. Maastricht (vzr.) 31 januari 2002, ECLI:NL:RBMAA:2002:AD8752, r.o. 3.5. Zie anders Rb. Gelderland 11 mei 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:2364, r.o. 4.43 (“Het toegewezen bedrag (…) is op zichzelf niet in verhouding tot het belang dat [eiser] heeft bij de inloggegevens voor zijn bedrijfsvoering.”) en Rb. Amsterdam (vzr.) 30 december 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:10338, r.o. 4.2, waarvoor mede van belang was dat de schuldenaar geen reëel insolventierisico liep. Zie ook HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:579, NJ 2019/187 (VGZ/Brink q.q.), r.o. 3.3.1, waaruit blijkt dat het hof het door VGZ uitgeoefende opschortingsrecht in strijd met de redelijkheid en billijkheid oordeelde, omdat haar vordering onvoldoende was onderbouwd en Ciran door de opschorting dreigde failliet te gaan.
Heyning-Plate 1969, p. 50. Zie ook Kingma Boltjes 1959, p. 558.
Het betrof een vennootschap onder firma, die ook een maatschap is (art. 16 K).
HR 21 december 1956, NJ 1959/180, m.nt. H. Kingma Boltjes (Van Cleef/Van Sloun), p. 554.
HR 15 april 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1334, NJ 1995/640, m.nt. W.M. Kleijn (Middendorf/Kouwenberg q.q.), r.o. 3.4.
HR 15 april 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1334, NJ 1995/640, m.nt. W.M. Kleijn (Middendorf/Kouwenberg q.q.), r.o. 3.5. Zie ook Rb. Den Haag (vzr.) 3 november 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:12011, r.o. 4.7.
Zie ook § 1.7.
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 212. Zie Asser/Sieburgh 6-I 2020/281.
Zie Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/53; Asser/Sieburgh 6-I 2020/281, in samenhang met 36, alsook Klomp 2018a, aant. 5, met een overzicht van wetsartikelen waarin goederen om die reden zijn uitgezonderd van beslag. Zie voor voorbeelden ook Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 213-214.
Aldus ook Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/53; Asser/Sieburgh 6-I 2020/281; Klomp 2018a, aant. 5 en Linssen 1993, p. 175.
Zie voor deze samenvattende terminologie Kamerstukken II 2018/19, 35225, nr. 3, p. 39-41.
In de parlementaire geschiedenis is opgemerkt dat het in art. 6:54 aanhef en onderdeel c BW opgenomen uitzonderingsgeval ‘dezelfde’ is als het in art. 6:135 aanhef en onder a BW opgenomen geval waarin de schuldenaar niet verrekeningsbevoegd is (Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 212). Vgl. Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/53, die opmerkt dat het in dit geval speciaal gaat om vorderingsrechten waarop geen beslag is toegelaten.
Zie anders voor wat betreft de bevoegdheid tot opschorting van de verplichting tot afgifte van een hond Rb. Midden-Nederland 26 november 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:5789, r.o. 4.12. Zie ook het in § 4.3.1, onderdeel d, besproken geval waarin de verbintenis tot afgifte van memorabilia uit de inboedel van een overleden moeder mocht worden opgeschort (Rb. Gelderland (vzr.) 10 maart 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:1647, r.o. 5.7).
Bij de uitoefening van een opschortingsrecht of de beoordeling daarvan zal een afweging moeten plaatsvinden tussen het belang van de schuldenaar bij de uitoefening van dit recht en het belang van zijn wederpartij tegen de uitoefening van dat recht.1 Deze uitoefening kan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn als de belangen van de wederpartij door de uitoefening daarvan onevenredig worden geschaad.2 Hierbij moet niet uit het oog worden verloren dat de schuldenaar een opschortingsrecht heeft omdat zijn wederpartij in strijd met de redelijkheid en billijkheid handelt door nakoming te verlangen zonder nakoming aan te bieden. Deze niet-nakoming van de wederpartij raakt de schuldenaar in zijn belang bij nakoming door zijn wederpartij en het zou zijn insolventierisico vergroten als hij onverminderd tot nakoming gehouden zou zijn.3 Niettemin heeft een schuldenaar die zich beroept op een opschortingsrecht zich rekenschap te geven van de eventuele bij de nakoming van de verbintenis gemoeide belangen van zijn wederpartij. Of en wanneer de uitoefening van een opschortingsrecht de belangen van de wederpartij onevenredig raakt, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Dat de uitoefening van een opschortingsrecht schadelijke gevolgen voor de wederpartij heeft, brengt evenwel niet zonder meer mee dat deze uitoefening naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dat die uitoefening dergelijke gevolgen kan hebben, volgt immers uit de bevoegdheid van de schuldenaar de verbintenis vooralsnog niet na te komen. De wederpartij kan daardoor niet beschikken over datgene waarop zij op zichzelf recht heeft, waardoor bijvoorbeeld haar bedrijf kan stagneren.4
Een dergelijke afweging tussen de belangen van de schuldenaar en zijn wederpartij in geval van de uitoefening van een opschortingsbevoegdheid is af te leiden uit het arrest Van Cleef/Van Sloun. Met Kingma Boltjes meent Heyning-Plate dat uit dit arrest ‘een algemenere erkenning van de enac’ kan worden afgeleid.5 Hoewel de Hoge Raad in dit arrest een toepassing van de enac op de maatschapsovereenkomst6 kennelijk voor mogelijk hield, denk ik dat dit arrest vooral laat zien dat de uitoefening van een eventueel opschortingsrecht zelf ook wordt beheerst door de werking van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Vereenvoudigd weergegeven waren Van Cleef en Van Sloun een vennootschap onder firma aangegaan met het doel bakstenen te produceren. Daarvoor hadden de vennoten een steenfabriek gehuurd. De vennootschap was aangegaan voor onbepaalde tijd, zonder mogelijkheid haar eenzijdig op te zeggen. De wet voorzag wel in een mogelijkheid van ontbinding door de rechter (art. 1684 oud BW). Voorts zou de vennootschap onder andere van rechtswege eindigen als de huurovereenkomst met betrekking tot de steenfabriek zou eindigen. De exploitatie van deze fabriek was winstgevend voor de vennootschap. Op een zeker moment is volgens Van Cleef de harmonie tussen de vennoten verstoord en de samenwerking onmogelijk geworden, door wanprestaties en misdragingen van Van Sloun. Van Cleef weigerde daarom zijn medewerking aan een verlenging van de huurovereenkomst te verlenen. Daardoor eindigde de vennootschap onder firma. De verhuurster van de fabriek dwong vervolgens Van Sloun de fabriek te ontruimen. Van Cleef ging een vennootschap onder firma met een derde aan en huurde samen met deze derde de steenfabriek. Van Sloun stelde schade te hebben geleden door de niet-voortzetting van de vennootschap onder firma met Van Cleef. Het hof oordeelde dat Van Cleef in strijd had gehandeld met de goede trouw en billijkheid die van hem als contractspartner wordt verwacht, door zijn medewerking aan de verlenging van de huurovereenkomst te onthouden. De Hoge Raad overwoog:
“Dat art. 1684 de beoordeling van de wettigheid en het gewicht van de aangevoerde redenen voor beëindiging der vennootschap in handen legt van den rechter, die, indien hij na hoor en wederhoor van partijen de voorgedragen gronden voldoende acht, de vennootschap ontbindt des, dat deze eerst door de rechterlijke uitspraak een einde neemt;
dat met deze bijzondere regeling onverenigbaar is, dat het aan een vennoot – die in een toevallige situatie als zich te dezen voordeed het in zijn macht heeft door zijn medewerking aan zekere handeling te onthouden het voortbestaan van de vennootschap onmogelijk te maken – zou vrijstaan om met een beroep op ‘wettige redenen’, in plaats van in rechte ontbinding te vorderen, eigenmachtig buiten rechterlijke controle om op onherstelbare wijze het einde van de vennootschap te weeg te brengen;
dat daarom de door van Cleef aangevoerde omstandigheden niet kunnen dienen ter rechtvaardiging van zijn weigering om de vennootschap te doen voortbestaan en niet kunnen uitsluiten dat hij te dezen verplicht was mede te werken tot continuatie van de huur;”7
Voor zover de schuldenaar een opschortingsrecht zou hebben – dat blijkt niet met zoveel woorden uit het arrest –, stond het hem niet vrij zich daarop te beroepen, omdat hij daarmee onomkeerbaar het einde van de vennootschap teweegbracht. Een afweging van dit nadelige gevolg voor Van Sloun tegen de door Van Cleef aangedragen omstandigheden viel in het nadeel van Van Cleef uit.
Ook in het geval waarin een advocaat zijn verplichting tot afgifte van het dossier aan de faillissementscurator van zijn cliënt opschortte in verband met zijn vordering tot betaling van honorarium, kwam de Hoge Raad tot de slotsom dat de afweging tussen de gevolgen van de uitoefening van het opschortingsrecht voor de curator en het belang van de advocaat bij deze uitoefening in het nadeel van de advocaat uitvalt. De Hoge Raad stelde voorop ‘dat aan een advocaat in beginsel een retentierecht toekomt op het onder hem berustende dossier betreffende door een cliënt aan hem opgedragen werkzaamheden, ter zake van hem door de cliënt uit hoofde van die werkzaamheden verschuldigde bedragen aan honorarium en verschotten’.8 Vervolgens oordeelde de Hoge Raad dat een opschortingsrecht in dit geval zich niet goed verhoudt met de ratio van het in artikel 60 Fw geregelde retentierecht en overwoog:
“in cassatie moet voorts op grond van de gedingstukken als vaststaand worden aangemerkt dat de curator in het belang van de boedel behoort te beschikken over de omstreden dossiers, doch niet beschikt over middelen om de vordering van Middendorf te voldoen, nog daargelaten of hij gelet op het belang van de boedel de vrijheid zou hebben de vordering van Middendorf ten laste van de boedel te voldoen om daardoor de beschikking over de dossiers te krijgen.
In gevallen van deze aard weegt het belang van de curator om ten behoeve van de boedel over de stukken te kunnen beschikken zoveel zwaarder dan het belang van de advocaat om druk op de curator te kunnen blijven uitoefenen door de stukken terug te houden, dat voortgezette uitoefening van het retentierecht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.”9
Ook de wet bevat een uitzondering op de opschortingsbevoegdheid in het geval de belangen van de wederpartij door de uitoefening daarvan onevenredig worden geschaad. Op grond van artikel 6:54 aanhef en onderdeel c BW ontbreekt een opschortingsbevoegdheid als op de vordering van zijn wederpartij geen beslag is toegelaten. De vordering van zijn wederpartij betreft de in artikel 6:52 lid 1 BW bedoelde verbintenis van de schuldenaar.10 Volgens de wetgever eist de aard van de betrokken verbintenissen dat zij zonder vertraging worden nagekomen.11 Het gaat hierbij vooral om verbintenissen die betrekking hebben op een prestatie waarmee de wederpartij in staat wordt gesteld of blijft om in haar eerste levensbehoeften te voorzien.12 Voor het gedeelte van de verbintenis dat de beslagvrije voet als bedoeld in artikel 475a e.v. Rv overstijgt, is opschorting daarom wel mogelijk.13 Op grond van artikel 447 Rv is geen beslag mogelijk op zaken die de beslagene en de tot zijn gezin behorende huisgenoten redelijkerwijs nodig hebben voor de persoonlijke en algemene dagelijkse levensbehoeften, zaken die in de woonruimte aanwezig zijn en die de beslagene nodig heeft voor de verwerving van de noodzakelijke middelen van bestaan, dan wel voor zijn scholing of studie, en zaken van hoogstpersoonlijke aard en gezelschapsdieren, voor zover deze zaken en dieren niet bovenmatig zijn.14 Uit de wetsgeschiedenis zou kunnen worden afgeleid dat de wetgever vooral het oog had op in beginsel met elkaar verrekenbare vorderingsrechten.15 Niettemin kan mijns inziens ook de verplichting tot afgifte van dergelijke zaken en dieren op grond van artikel 6:54 aanhef en onderdeel c BW niet worden opgeschort.16 De aard van deze afgifteverplichtingen eist dat zij zonder vertraging worden nagekomen. Zonder de wettelijke uitzondering zou de opschorting van deze verplichting overigens naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kunnen zijn, omdat de belangen van de wederpartij daarmee onevenredig worden geschaad.