Einde inhoudsopgave
Onafhankelijkheid van de rechter (SteR nr. 3) 2011/4.3.4
4.3.4 Regeling van de inrichting, samenstelling en bevoegdheden van de rechterlijke macht bij wet
mr. dr. P.M. van den Eijnden, datum 01-10-2010
- Datum
01-10-2010
- Auteur
mr. dr. P.M. van den Eijnden
- JCDI
JCDI:ADS493743:1
- Vakgebied(en)
Juridische beroepen / Rechter
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
De Werd 1994, p. 38-39. Zie ook staatscommissie-Cals-Donner in haar Eindrapport 1971, p. 245-249.
Zie P.P.T. Bovend’Eert (m.m.v. C.A.J.M. Kortmann), Rechterlijke organisatie, rechters en rechtspraak, Alphen aan den Rijn: Kluwer 2008, p. 28 e.v.
Zie ook Verhey, ‘De onafhankelijkheid van de rechter naar Nederlands recht’, in: P. van Orshoven, L.F.M. Verhey & K. Wagner, De onafhankelijkheid van de rechter, preadviezen van de Vereniging voor de vergelijkende studie van het recht van België en Nederland, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 2001, p. 23.
Kamerstukken II 1979/80, 16 162, nr. 3, p. 17 (Nng, deel 23, p. 21).
Kamerstukken II 1979/80, 16 162, nr. 3, p. 17 (Nng, deel 23, p. 21).
Kamerstukken II 1980/81, 16 162, nr. 11, p. 2 (Nng, deel 23, p. 105). Zie ook Kortmann 1987, p. 327; Akkermans/Koekkoek 1992, p. 1019.
A.G. Bosch & J.C. van Hinte, ‘De onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en de rechter naar Nederlands recht’, in: Nederlandse Vereniging voor Procesrecht, Effectieve rechtsbescherming en constitutionele rechtsorde, Zwolle: Tjeenk Willink 1984, p. 122.
Aanvankelijk met de woorden ‘Er zal worden ingevoerd een algemeen Wetboek van (...) de zamenstelling der regterlijke magt en de manier van procederen’ (art. 100 Gw 1814). Van 1848-1983 als volgt: ‘(...) de regtspleging en de inrigting der regterlijke Magt worden bij de wet geregeld in algemene wetboeken’.
Volgens Fleuren 2009, T&C Grondwet, aant. 2 bij art. 107, is delegatie buiten het centrale overheidsverband niet mogelijk, omdat de regeling van onder meer het burgerlijk- en strafprocesrecht sinds het ontstaan van de eenheidsstaat typisch functies van de centrale overheid zijn.
Eindrapport van de staatscommissie-Cals-Donner 1971, p. 240.
Tweede Kamerlid Korte-van Hemel haalde tijdens de mondelinge behandeling van wetsvoorstel 15 046 in dit kader Van der Pot (Handboek van het Nederlandsche staatsrecht, 2e druk 1946, Tjeenk Willink, p. 357) aan: Van der Pot achtte het hoofdstuk Van de Justitie een logische plaats voor de codificatiebepaling, ‘omdat de theoretische opvatting omtrent het wezen van de overheidsfuncties in de bloeitijd van de triasleer in de rechtspraak een betrekkelijk eenvoudige denkarbeid zag, namelijk het toepassen van een abstracte regel op een concreet aan de rechter voorgedragen geval. De positivistische rechtsopvatting, overheersend in het begin van de negentiende eeuw, beperkte die abstracte regels tot wettelijke regels en het vinden hiervan werd de rechter gemakkelijker gemaakt, daar het streven naar rechtseenheid en rechtszekerheid juist in die tijd leidde tot verwezenlijking van de codificatiegedachte.’ Handelingen II 1979-1980, p. 3923.
Kamerstukken II 1979/80, 15 046, nr. 7, p. 2.
Kamerstukken II 1979/80, 15 046, nr. 3, p. 5.
Namelijk de bepaling dat de rechterlijke macht alleen wordt uitgeoefend door rechters welke de wet aanwijst (laatstelijk artikel 169 Gw 1972). Zie hiervoor § 4.3.3.
Vgl. ECRM in de zaak Zand, Rapport 12 oktober 1978, D&R 15 (1979), p. 70 (m.n. 79-81). ‘It is the object and purpose of the Clause in Article 6 (1) requiring that the courts shall be ‚established by law‛ that the judicial organization in a democratic society must not depend on the discretion of the Executive, but that it should be regulated by law emanating from Parliament. (...) Article 6 (1) does not require the legislature to regulate each and every detail in this field by formal Act of Parliament, if the legislature establishes at least the organizational framework for the judicial organization. (...) Established by law envisages the whole organizational set-up of the courts, including not only the matters of coming within the jurisdiction of a certain category of courts, but also the establishment of the individual courts and the determination of their local jurisdiction.’
Ingevolge artikel 116, tweede lid, Gw bepaalt de wet niet alleen welke gerechten tot de rechterlijke macht behoren, maar ‘regelt de wet’ – delegatie is dus mogelijk – eveneens de inrichting, samenstelling en bevoegdheden van die rechterlijke macht. Wat daar onder valt blijkt maar mondjesmaat uit de wetsgeschiedenis. Volgens De Werd kan daarbij onder meer gedacht worden aan de werving, selectie en bevordering van rechterlijke ambtenaren (voorafgaand aan de formele benoeming bij koninklijk besluit).1 Daarnaast draagt artikel 107 Gw de wetgever op om het procesrecht te regelen. Beide grondwetsbepalingen, althans de wettelijke uitwerking daarvan, zijn bepalend voor de organisatie en werkwijze van gerechten. Deze grondwetsbepaling ondersteunt de eis uit artikel 6 EVRM dat een gerecht bij wet moet zijn ingesteld (zie § 3.9). Uit de Grondwet blijkt niet duidelijk hoe ver de bemoeienis van de wetgever en het bestuur met de organisatie en werkwijze van gerechten mag gaan.2 De vraag rijst of op dit terrein een bepaalde autonomie bij de rechterlijke organisatie moet liggen in verband met de rechterlijke onafhankelijkheid.
Het belang van artikel 116, tweede lid, Gw voor de rechterlijke onafhankelijkheid is vooral dat de inrichting, samenstelling en bevoegdheden van de rechterlijke macht door de formele wetgever moeten worden geregeld, in plaats van dit over te laten aan (organen van) de uitvoerende macht.3 Uit de memorie van toelichting blijkt dat de regering bewust de mogelijkheid van delegatie heeft opengelaten om de destijds heersende praktijk, dat binnen en door de gerechten, alsmede door de Minister van Justitie de taakverdeling werd vastgesteld, te kunnen behouden.4 Daardoor zou het bovendien mogelijk blijven om bijvoorbeeld het aantal rechters van een gerecht of de territoriale competentie anders dan bij formele wet te wijzigen.5 Omdat rechtspraak een centrale staatsaangelegenheid is, kan delegatie enkel op centraal niveau plaatsvinden: slechts organen van de centrale overheid zijn bevoegd regelgeving met betrekking tot de rechterlijke macht tot stand te brengen. Dat blijkt niet uit de tekst van de Grondwet, maar uit de toelichting daarop.6 Men kan uit constitutioneel oogpunt bedenkingen bij deze (beperkte) delegatiemogelijkheid plaatsen. Zij maakt het manipuleren van de rechterlijke macht door de uitvoerende macht door middel van de organisatie van het rechtswezen bezwaarlijk, maar niet onmogelijk.7 Met de vereiste onafhankelijkheid van de rechterlijke macht ten opzichte van de uitvoerende macht staat op gespannen voet dat een orgaan van de uitvoerende macht, bijvoorbeeld de regering of de minister, regelgevende bevoegdheid ten aanzien van de inrichting van de rechterlijke macht kan krijgen. Laat ik dit illustreren aan de hand van het voorbeeld dat vóór 2002 het bestuursreglement van rechtbanken werd vastgesteld bij ministeriële regeling. Daarin legde de Minister van Justitie per rechtbank enkele hoofdlijnen van de interne organisatie vast. Er was dus geen sprake van een algemene regeling voor alle gerechten. Door vaststelling van aparte regels per gerecht kon de minister de interne werkwijze – bijvoorbeeld wat betreft de toedeling van zaken aan rechters – bepalen. Daarmee werd de vrijheid van gerechten om hun werkwijze te regelen sterk ingeperkt. Dat stak schril af tegen de zelfstandige bevoegdheid van de Eerste en Tweede Kamer om hun reglement van orde op te stellen (art. 72 Gw). Met het oog op deze delegatiemogelijkheid kon ook de op 1 januari 2002 ingestelde Raad voor de Rechtspraak een deel van deze functies overnemen, waarover meer in hoofdstuk 5.
Dat de wet de inrichting en samenstelling van de rechterlijke macht regelt, stond tot 1983 eveneens in het zogenoemde codificatieartikel (nu artikel 107 Gw).8 Die bepaling kent wat de rechtspraak betreft drie interessante elementen. Ten eerste de regeling van het procesrecht, waaraan niet alleen partijen maar ook rechters zijn gebonden, ten tweede de plaats van het artikel in de Grondwet (tot 1983 in het hoofdstuk dat handelt over rechtspraak), en tot slot – daarmee samenhangend – het feit dat de codificatieplicht zich vroeger tevens uitstrekte tot de inrichting van de rechterlijke macht.
De bepaling dat de wet het burgerlijk en strafprocesrecht in algemene wetboeken regelt beoogt de rechtseenheid en rechtszekerheid te waarborgen. Die codificatiegedachte dateert van begin negentiende eeuw. Uit de formulering van de codificatiebepaling blijkt dat delegatie binnen het centrale overheidsverband niet is uitgesloten.9 Dat de wetgever bevoegd is het procesrecht te regelen waaraan de rechterlijke macht zich te houden heeft, maakt nog geen inbreuk op de rechterlijke onafhankelijkheid. Rechters zijn immers altijd gebonden aan de wet; zij spreken recht op grond van de wet en volgens de regels van de wet, het procesrecht. De rechter past het recht toe in een concrete zaak. Het is niet zijn taak om regels van algemene strekking op te stellen. Die laatste taak is voorbehouden aan de wetgever. Artikel 107 Gw geeft een indicatie voor dit uitgangspunt.
Waarom is het oude codificatieartikel in het grondwetshoofdstuk over rechtspraak geplaatst? Volgens de staatscommissie-Cals-Donner was het verband van die bepaling met de rechtspleging zo nauw, dat zij, anders dan in de proeve was voorgesteld, beter haar plaats kon behouden in het hoofdstuk ‘rechtsbedeling’.10 Waarin die nauwe band van de codificatiebepaling met de rechtspleging bestond, werd niet nader toegelicht.11 De regering vond plaatsing in het hoofdstuk over rechtspraak echter niet vanzelfsprekend:
‘De bepaling slaat immers op een ruimer terrein dan de rechtspraak. Vooral het tweede lid van het voorgestelde artikel heeft niet zozeer betrekking op rechtspraak, als wel op beslissingsprocessen in het bestuursrecht. Daarom zijn wij van oordeel dat het voorgestelde artikel meer thuishoort bij de overige bepalingen inzake wetgeving en bestuur.’12
Voorts achtte de regering het van belang dat de bepaling, anders dan het destijds geldende artikel 164 Gw 1972, de wetgever niet opdraagt regels te stellen omtrent de inrichting van de rechterlijke macht. Als dat wel het geval was, dan zou er volgens haar meer reden zijn de bepaling in een hoofdstuk inzake rechtspraak op te nemen.13 Dat is volgens mij de hoofdreden dat die bepaling voor 1983 wel in het grondwetshoofdstuk over justitie stond.
De band van de codificatiebepaling met de rechtspleging komt ten slotte tot uiting in het feit dat die bepaling tevens voorschreef dat de inrichting van de rechterlijke macht bij wet werd geregeld. De regering meldde in de memorie van toelichting bij de codificatiebepaling dat dit deelvoorschrift niet (langer) daar zou worden opgenomen, maar onder de bepalingen betreffende de rechtspraak.14 Dat heeft dus geresulteerd in artikel 116, tweede lid, Gw. Overigens stond er ook voor 1983 in het grondwetshoofdstuk over rechtspraak naast de codificatiebepaling al een voorschrift dat de samenstelling van de rechterlijke macht bij wet moest worden geregeld.15 In feite was één van deze beide bepalingen dus overbodig.
Te concluderen valt dat artikel 116, tweede lid, Gw geen inbreuk maakt op rechterlijke onafhankelijkheid, voor zover het de bevoegdheid tot regelgeving van de wetgever betreft. Meer waarborgen in de Grondwet zou wel beter zijn geweest. De mogelijkheid van delegatie van deze regelgevende bevoegdheid is wel bezwaarlijk uit het oogpunt van rechterlijke onafhankelijkheid. Op deze wijze komt er potentieel te veel zeggenschap over de rechterlijke macht bij de uitvoerende macht te liggen.16