Einde inhoudsopgave
De procesovereenkomst (BPP nr. XIII) 2012/8.1
8.1 Inleiding
M.W. Knigge, datum 24-10-2012
- Datum
24-10-2012
- Auteur
M.W. Knigge
- JCDI
JCDI:ADS387170:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Een dergelijke vordering kan wellicht ook worden gebaseerd op misbruik van bevoegdheid indien geen sprake is van een obligatoire overeenkomst. Zie Van der Wiel 2004, p. 300 e.v. met verwijzing naar rechtspraak en literatuur. Van misbruik van bevoegdheid is echter slechts in bijzondere gevallen sprake. Het enkele feit dat de rechter zich onbevoegd verklaart, betekent nog niet dat schadevergoeding verschuldigd is. Zie Van der Wiel 2004, p. 125; zie echter ook p. 136-137.
Zo ook Schlosser 2007, p. 111,114-116; Wagner 1998, p. 255-256.
Zie in deze zin Van Schaick 2006, p. 135.
Parl. Gesch. Boek 6, p. 38; Asser/Hartkamp & Sieburgh 2008 (6-I*), p. 4, nr. 6; Brunner e.a. 2011, p. 6-7, nr. 7; Smits 2003, p. 9-10, nr. 6; Scholten 1983, p. 9-10; nr. 9; Meijers 1958, p. 77.
Deze omschrijving is ontleend aan Hijma & Olthof 2011, p. 192, nr. 299; Zie voor vergelijkbare definities Asser/Hartkamp & Sieburgh 2008 (6-I*), p. 4, nr. 6; Hartkamp 2005, p. 226-227, nr. 233; Smits 2003, p. 6.
Zie ook Wagner 1998, p. 37.
In hoofdstuk 4 is gebleken dat een overeenkomst waarbij partijen zich ten opzichte van elkaar tot bepaald procesgedrag verplichten, niet als apart type procesovereenkomst kan worden erkend. Bij een procesovereenkomst wijken partijen steeds af van een regel van procesrecht. Hiermee staat echter nog niet vast dat een procesovereenkomst geen verbintenissen mee zou kunnen brengen. Denkbaar is immers dat door een procesovereenkomst niet alleen wordt afgeweken van een bepaalde regel, maar daarnaast ook bepaalde verbintenissen voor partijen in het leven worden geroepen. De vraag of dit het geval is, staat centraal in deze paragraaf.
Deze vraag lijkt op het eerste gezicht weinig belangwekkend. Indien een partij bijvoorbeeld in strijd met een overeenkomst tot arbitrage een zaak bij de overheids-rechter aanhangig maakt, zal de overheidsrechter zich op grond van artikel 1022 lid 1 Rv onbevoegd verklaren. Doordat bij procesovereenkomst wordt afgeweken van regels van procesrecht, lijkt het voor partijen onmogelijk hun eventuele verbintenissen niet na te komen.
Toch is de vraag of uit een procesovereenkomst verbintenissen voor partijen voortvloeien wel degelijk relevant. Indien een partij in strijd met een overeenkomst tot arbitrage een procedure bij de overheidsrechter aanhangig maakt, zal de overheidsrechter zich weliswaar onbevoegd verklaren, maar zal de wederpartij toch vaak kosten hebben gemaakt. Het kan voor een partij dus van belang zijn om de kosten van deze nodeloos gevoerde procedure als schadevergoeding wegens wanprestatie terug te vorderen.1 De mogelijkheid om een vordering tot schadevergoeding in te stellen, wordt pas echt relevant in de internationale context.2 Indien een partij in strijd met een overeenkomst tot arbitrage of tot forumkeuze een procedure in het buitenland begint, zullen de kosten van een bevoegdheidsincident voor de wederpartij over het algemeen veel hoger zijn. Het is bovendien nog maar de vraag of de buitenlandse rechter op dezelfde manier omgaat met de overeenkomst als de Nederlandse rechter zou hebben gedaan. Indien de buitenlandse rechter de zaak ondanks de overeenkomst tot arbitrage of tot forumkeuze toch in behandeling neemt, is helemaal duidelijk dat aanzienlijke schade kan ontstaan voor de wederpartij.
In een dergelijk geval wordt ook de vraag naar de mogelijkheid van een zogenaamde 'anti-suit injunction' relevant. Indien aangenomen wordt dat sprake is van een obligatoire overeenkomst, zou een partij wellicht een vordering tot nakoming kunnen instellen bij de Nederlandse rechter. Zij zou dan kunnen vorderen dat de wederpartij wordt bevolen de procedure in het buitenland te staken. Zo kan zij voorkomen dat zij een lange procedure in het buitenland moet voeren.
Ook in andere opzichten kan de vraag of de procesovereenkomst obligatoire werking heeft van belang zijn. Dit blijkt bijvoorbeeld als men de bewijsovereenkomst nader bekijkt. Partijen kunnen op grond van artikel 153 Rv een bewijsovereenkomst sluiten die bijvoorbeeld inhoudt dat bewijs niet kan worden geleverd door middel van een bepaald schriftelijk stuk. Indien de bewijsovereenkomst geen verbintenissen voor partijen in het leven roept, betekent dit dat deze overeenkomst pas bij de waardering van het bewijs een rol speelt.3 Het staat partijen dan vrij om het schriftelijke stuk in het geding te brengen, al mag de rechter dit stuk niet voor het bewijs gebruiken. Wél kan hij hiervan kennisnemen, en kan hij de inhoud van het stuk dus (onbewust) laten meewegen bij bijvoorbeeld zijn waardering van andere bewijsmiddelen. Partijen hebben dus belang bij de afspraak om het schriftelijke stuk niet in het geding te brengen.
De vraag of procesovereenkomsten verbintenissen voor partijen meebrengen, is dus wel degelijk relevant. Om deze vraag te beantwoorden, wordt hierna eerst gekeken hoe in Engeland en Duitsland tegen deze kwestie wordt aangekeken. Vervolgens wordt deze vraag onderzocht voor procesovereenkomsten die worden beheerst door Nederlands procesrecht. In paragraaf 8.8 wordt vervolgens gekeken wat heeft te gelden voor de overeenkomsten tot forumkeuze die door de EEX-verordening worden beheerst.
Opmerking verdient nog dat hier gesproken zal worden over 'verbintenissen van partijen'. Strikt genomen is dit niet correct, omdat over het algemeen aangenomen wordt dat het bij een verbintenis gaat om een vermogensrechtelijke rechtsbetrekking: tegenover de verplichting van de schuldenaar staat een subjectief vermogensrecht van de schuldeiser.4 In hoofdstuk 2 is gebleken dat de procesovereenkomst door het procesrecht wordt beheerst. Hier zal het begrip 'verbintenis' echter in ruimere zin worden gebruikt, en wordt hieronder verstaan iedere rechtsbetrekking tussen twee (of meer) personen, waarbij de één verplicht is tot een bepaalde prestatie tegenover de ander, die tot de prestatie gerechtigd is.5
Het feit dat rechten en verplichtingen tussen partijen in het leven worden geroepen, betekent niet automatisch dat het burgerlijk recht van toepassing is. Er kan ook van procesrechtelijke rechten en verplichtingen sprake zijn.6 Aangezien in de proceswetgeving geen regeling is opgenomen voor rechten en verplichtingen die partijen ten opzichte van elkaar hebben, zal over het algemeen teruggegrepen moeten worden op de regeling van de verbintenis zoals die is gegeven in het burgerlijk recht. Voor een analoge toepassing van het verbintenissenrecht is des te meer aanleiding gezien het feit dat procesovereenkomsten wel degelijk vermogensrechtelijke kenmerken hebben. Hierdoor zal bijvoorbeeld eerder gedacht kunnen worden aan analoge toepassing van de bepalingen inzake schadevergoeding bij wanprestatie. Zie hierover ook hoofdstuk 2.