Einde inhoudsopgave
Fiscale geheimhoudingsplicht: art. 67 AWR ontrafeld (FM nr. 168) 2021/2.5
2.5 Het object van de geheimhouding
Dr. B.M. van der Sar, datum 05-05-2021
- Datum
05-05-2021
- Auteur
Dr. B.M. van der Sar
- JCDI
JCDI:ADS285600:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Informatieverplichting
Invordering / Inlichtingenverplichting
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Voetnoten
Voetnoten
VV, Kamerstukken II 1891/92, 125, nr. 4, blz. 39 en MvA, Kamerstukken II 1891/92, 125, nr. 7, blz. 60.
Sinninghe Damsté 1921, blz. 248.
Dit werd al zichtbaar bij art. 113 Ontwerp van wet (Wet IB 1908, Kamerstukken II 1906/07, 98, nr. 2 waarin naast een concrete opsomming aan het object van de geheimhouding de algemene zinsnede werd toegevoegd: “(…) en in het algemeen nopens de zaken of werkzaamheden van een ander”. Het wetsvoorstel werd ingetrokken bij brief Minister van Financiën van 10 maart 1908, Kamerstukken II 1907/08, 22, nr. 22).
Voor een overzicht van de wetteksten van de verschillende geheimhoudingsbepalingen wordt verwezen naar Appendix A.
Gevraagd naar de reikwijdte van het object van de geheimhouding in de Wet VB 1892 antwoordde Minister Pierson dat geheimhouding werd opgelegd voor alles wat het vermogen betreft zodat het niet nodig was deze verplichting verder uit te breiden.1 Het object van de geheimhouding heeft in het pre-AWR-tijdperk verder weinig stof doen opwaaien. Over de Wet op de DT 1917 schreef Sinninghe Damsté dat het object van de geheimhoudingsbepaling niet alleen de zaken en werkzaamheden van de belastingplichtige, maar ook van derden zoals bestuurders, personeel en (zakelijke) relaties betrof.2 Zoals blijkt uit onderstaand overzicht laten de formuleringen in de verschillende wetteksten een duidelijke ontwikkeling zien. Bij de invoering van de SW 1859 werd nog heel beperkt en concreet omschreven dat de aangiften en de bijlagen geheim dienden te blijven. Tot grofweg 1917 werd getracht het object van de geheimhouding zo concreet mogelijk te omschrijven. Daarna werd het object van de geheimhouding steeds algemener, veelomvattender en korter geformuleerd.3 Het object van de geheimhouding van de Tabakswet 1921 komt praktisch naadloos overeen met de huidige wettekst van art. 67 AWR. In de Wet PB 1950 en de Wet VFN kwam de zinsnede ‘nopens de aangelegenheden van een ander’ zelfs niet meer voor.4 De belangrijkste formuleringen om het object van de geheimhouding aan te duiden zijn:5
Object van de geheimhouding
Art. 64 SW 1859
De memorien van aangifte en bijlagen.
Art. 47 Wet VB 1892
Hetgeen hem nopens den aanslag van een ingezetene in deze belasting of diens vermogen gebleken of medegedeeld is.
Art. 35 Wet op de BB 1893
Hetgeen hem nopens aanslag, bedrijf, beroep of vermogen van anderen gebleken of medegedeeld is.
Art. 102 Wet IB 1914
Hetgeen hem nopens inkomen, opbrengst, uitdeelingen, en in het algemeen nopens de zaken of werkzaamheden van een ander, blijkt of medegedeeld wordt.
Art. 17 RW 1917
De inhoud der registers van registratie.
Art. 58 Tabakswet 1921
Hetgeen hem nopens de zaken of werkzaamheden van een ander blijkt of medegedeeld wordt.
Art. 17 Wet BDH 1934
Hetgeen hem nopens de aangelegenheden van een ander blijkt of medegedeeld wordt.
Art. 44 PB 1950
Hetgeen hem blijkt of medegedeeld wordt.