Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/4.3.1
4.3.1 Onmiddellijkheid als reactie op de geheime inquisitoire procedure
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Met de inquistoire procedure wordt hier gedoeld op de procedure die ten grondslag lag aan de grote zestiende-eeuwse codificaties: de Constitutio Criminalis Caroline van 1532 in Duitsland, de Ordonnance Royale van 1539 in Frankrijk en de Ordannance criminelle van 1570 in de Spaanse Nederlanden.
De inquisitoire procedure was aanvankelijk gericht tegen clerici, maar werd later ook in andere strafprocessen ingezet (Lepsius 2003, p. 13).
Coppens 1991, p. 42-45.
Nijboer 2011, § 1.5.4.
Van de Vrugt, p. 4 en 6. Zie ook § 3.2.2.
Damaška spreekt in dit verband van de ‘proto-empirische’ trekken van het kerkelijk recht.
Nijboer 2011, § 1.6.2.
Volgens Damaška is het een misvatting dat deze regels de rechters tot automaten maakten, die uitsluitend feitelijke vaststellingen deden op basis van de regels onafhankelijk van hun eigen overtuiging (Damaška 2003, p. 129).
Van de Vrugt, p. 11 en Langbein 2005, p. 135-136.
Coppens 1991, p. 39. Volgens Van de Vrugt splitste de procedure inzake ketterij zich overigens reeds in de dertiende eeuw af van de gewone kerkelijke procedure en tendeerde de ketterprocessen ertoe in overdreven vorm de kenmerken van de inquisitoire procedure te tonen (Van de Vrugt 1982, p. 9-10).
Damaška 1992, p. 441.
Löhr 1972, p. 28. ‘Man versuchte freilich, die Akten zu einer zuverlässigen Urteilsgrundlagen zu machen. So wurde die Vernehmung des peinlich Angeschuldigten und der Zeugen in artikulierten Verhören die aus vorher aufgezeichneten Fragen des Inquirenten und deren Antworten bestanden, auf das genauesten festgehalten, um der Spruchbehörde den Gang der Untersuchung in allen Einzelheiten deutlich zu machen. Der fehlende unmittelbarsinnliche Eindruck sollte ersetzt werden durch sog. Gebärdenprotokolle, in denen der Inquirent Gesten, Ton, Haltung und Mienen des Angeklagten und der Zeugen sowie sonstige äußere Anzeichen zur Beurteilung der Glaubwürdigkeit ihrer Aussagen aufzuzeichnen hatte’ (Lohr 1972, p. 29).
Damaška 1992, p. 442.
Roberts & Zuckerman 2010, p. 364.
Het onmiddellijkheidsbeginsel is in de negentiende eeuw tot ontwikkeling gekomen als reactie op de excessen van de inquisitoire procedure. De inquisitoire procedure1 heeft zich in de twaalfde eeuw ontwikkeld vanuit de Romeins-canonieke traditie2 en kwam mede voort uit een behoefte het strafproces een meer wetenschappelijke basis te geven. De scholastieke methoden die in de tijd van het opkomend rationalisme andere wetenschappen beheersten, drongen ook door tot het recht.3 Voor die tijd had het proces van bewijzen een betrekkelijk formeel karakter en geschiedde zij volgens geritualiseerde patronen.4 De belangrijkste bewijsmiddelen die de rechter in dit verband ter beschikking stonden, waren de eedhelpers en de godsoordelen.5 In de inquisitoire procedure werd van de rechter verwacht dat hij een eigen onderzoek instelde naar de werkelijke toedracht zodra hem een misdrijf ter kennis kwam. Het bewijsmateriaal moest door feitelijke opsporing zijn vergaard, waarbij de zintuiglijke waarneming volgens de grondleggers van het Romeinscanonieke stelsel de basis vormde voor het achterhalen van de waarheid.6 De scholastieke-rationalistische benaderingswijze behelsde een stelsel aan (numerieke) regels over de benodigde kwantiteit en kwaliteit van het bewijs (‘hele preuve’, ‘halve preuve’ en indiciën) met daarbij behorende rekenkundige formules.7 De rechter had daarbij echter wel een zekere waarderingsvrijheid.8 De introductie van het inquisitoire model ging tevens gepaard met een proces van Verschriftlichung van de strafrechtelijke procedure, dat ten dele kan worden toegeschreven aan de opkomende bureaucratie en verambtelijking van de samenleving in die tijd.9 Hoewel de canonieke inquisitoire procedure uiteindelijk heeft geresulteerd in de excessen van de inquisitie, moet de procedure in eerste instantie worden gezien ‘als een vooruitgang en een stap op weg naar humanisering van het procesrecht’.10
In de loop van de zeventiende eeuw werd het systeem echter meer rigide. Het feit dat de functie van de aanklager uitdrukkelijker werd onderscheiden van die van de rechter, was hier mede debet aan. De onderzoeker die de geheime inquisitio deed, was verplicht om elke procedurele stap op schrift neer te leggen. De rechters namen steeds vaker hun beslissing op basis van het ‘koude’ dossier waarin de producten die werden aangeleverd door de aanklagers waren neergelegd.11 In veel rechtbanken op het continent ontwikkelde zich een praktijk waarin slechts één rechter uit het panel de stukken bestudeerde en daarover als een soort tussenpersoon rapporteerde aan zijn collega’s, op basis waarvan vervolgens de beslissing werd genomen.12 Doordat de rechter zelden of nooit in persoonlijk contact met de verdachte of getuige kwam en de ‘tussenpersoon’ zich veelal ook uitsprak over de bewijswaarde van de afgelegde verklaringen, konden de numerieke bewijsregels op een mechanische wijze worden toegepast. Damaška merkt in dit verband het volgende op.
‘This multiple filtering of experience weakened the judiciary’s sensibility for the messy welter of life, a sensibility to which stringent rules of proof are procrustean. In the calm of their offices, removed from the drama of life, judges applied corroboration rules in a more mechanical fashion. From their hierarchical hauteur, they found it desirable that unruly oral testimony be tamed by conversion into documentary form before being submitted to the deciding court.’13
In de late achttiende eeuw kwam het Romeins-canonieke procesmodel onder vuur te liggen, in het bijzonder het geheime karakter van de procedure, de dwingende ondervragingsmethoden en de tortuur waarmee dit systeem gepaard ging. In het stelsel dat hiervoor in de naweeën van de Franse revolutie en onder invloed van het verlichtingsdenken in de plaats kwam, werden aanzienlijk meer tegensprekelijke elementen geïncorporeerd in de strafrechtelijke procedure en werd afstand gedaan van de dwingende bewijsregels.
Een van de verdiensten van de verlichting was het besef dat – door de nadruk op de combinatie van rationeel redeneren en de eigen waarneming, geïnspireerd door de successen van de empirische (natuur)wetenschap – ‘origineel’ of ‘direct’ bewijs meer bewijskracht toekomt dan bewijsmateriaal dat wordt gefilterd door een tussenpersoon. Op het Europese continent leidde dit tot de aanvaarding dat bewijsbronnen het best in hun originele of authentieke vorm door het beslissende gerecht kunnen worden onderzocht; een notie die besloten ligt in het continentale concept van onmiddellijkheid, dat in de negentiende eeuw vooral onder invloed van Duitse proceshervormers tot ontwikkeling kwam. De Duitsers hadden in de tijd van Napoleon kennis gemaakt met een voor die tijd ‘moderne’ procesvoering in de zogeheten West- Rheinische Staten (Saarland, Rhijnland). Unmittelbarkeit zoals dat de Duitse hervormers voor ogen stond, behelsde een wijze van procederen waarin het bewijs werd gepresenteerd ten overstaan van het beslissende gerecht in bijzijn van de verdachte en waarin getuigen in persoon ter zitting werden gehoord. Rond dezelfde tijd dat op het Europese continent de oude geheime en schriftelijke wijze van procederen moest plaatsmaken voor een meer onmiddellijke procesvoering, werd in Engeland en in Amerika het juryproces hervormd en kwam daar de hearsay-doctrine tot ontwikkeling.14 In beide procestradities bestaat dus van oudsher aandacht voor de gevaren van derivatief materiaal voor het bewijs.