Beperkte rechten op eigen goederen
Einde inhoudsopgave
Beperkte rechten op eigen goederen (O&R nr. 132) 2022/11.6:11.6 Gemeenschap
Beperkte rechten op eigen goederen (O&R nr. 132) 2022/11.6
11.6 Gemeenschap
Documentgegevens:
mr. R.J. ter Rele, datum 01-10-2021
- Datum
01-10-2021
- Auteur
mr. R.J. ter Rele
- JCDI
JCDI:ADS491103:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht / Testamenten
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht (V)
Erfrecht / Gevolgen erfopvolging
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie hoofdstuk 6.
Zie bijvoorbeeld HR 7 december 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC0071 (Onwaardige deelgenoot).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
134. Als een persoon mede-gerechtigd is tot de eigendom van een zaak en hij tevens (een onverdeeld aandeel in) een beperkt recht op die zaak heeft, of andersom, bepalen de volgende factoren of belang bestaat bij het beperkte recht:
de omvang van zijn onverdeeld aandeel (breukdeel) in de gemeenschap van de zaak en/of het beperkte recht;
de inhoud van een eventuele wettelijke regeling of een beheersregeling van de betrokken partijen (art. 3:168 BW); en
de redelijkheid en billijkheid (art. 3:166 lid 3 BW).1
Een voorbeeld. A is voor een kwart gerechtigd tot de eigendom van een zaak. Hij is eveneens voor een kwart gerechtigd tot een beperkt recht op die zaak. B is voor driekwart gerechtigd tot eigendom en beperkt recht. Er bestaat in beginsel geen belang bij het beperkte recht. A en B kunnen aan hun onverdeelde aandelen in het beperkte recht geen bevoegdheden ontlenen die zij niet tevens hebben op grond van hun aandelen in de eigendom. Dat is anders als voor de eigendom of het beperkte recht een beheersregeling geldt, volgens welke A een groter genot van de zaak heeft dan hem in beginsel toekomt op grond van zijn onverdeeld aandeel. In dat geval bestaat nog wel belang bij het beperkte recht.
In zeer uitzonderlijke omstandigheden kunnen ook de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat het genot van een deelgenoot afwijkt van hetgeen hem in beginsel toekomt op grond van zijn onverdeeld aandeel.2 Stel dat A en B weliswaar ieder voor de helft zijn gerechtigd tot eigendom en beperkt recht, maar de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat A bij de verdeling van de eigendom, geen aanspraak heeft op de helft van de waarde. A en B hebben bij verdeling van het beperkte recht wel ieder aanspraak op de helft van de waarde. In dat geval bestaat belang bij het beperkte recht, en treedt geen vermenging op.