Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/14.2
14.2 Achtergrond van de APV-regeling
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232971:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Het onderstaande is in beginsel ook toepasbaar op met trusts vergelijkbare rechtsfiguren. Voor deze inleiding neem ik echter de trust als uitgangspunt.
Daarnaast was er het besluit van 15 december 2005, nr. CPP2005/2528M, V-N 2006, 15.1 (en de voorlopers hiervan), waarin de Staatssecretaris zijn visie op de fiscale behandeling van trusts, SPF’s en dergelijke entiteiten geeft. In dit besluit is ook de mogelijkheid tot het sluiten van een zogenoemde transparantieovereenkomst opgenomen, op grond waarvan het trustvermogen wordt toegerekend (aan doorgaans de settlor of de beneficiaries van de trust), met de belastingdienst. Het besluit heeft zijn functie verloren als gevolg van invoering van de APV-regeling en is ingetrokken bij het besluit van 16 december 2009, nr. CPP2009/2357M, V-N 2010/3.6.
Voor een nadere beschouwing zij bijvoorbeeld verwezen naar M.B. Lucas Luijckx, S.C.J. Hemels en F. Sonneveldt, Estate Planning, SDU Fiscale & Financiële Uitgevers Amersfoort 2010, paragrafen 10.2 en 10.3.
Zie voor een beschrijving van verschillende trustvormen en voorwaarden die aan (potentiële) aanspraken verbonden kunnen zijn bijvoorbeeld Boer, dissertatie 2011, paragraaf 6.5.3.
De APV-regeling is ingevoerd per 1 januari 2010. Tot die tijd was er geen wettelijke regeling met betrekking tot de fiscale behandeling van trusts1, maar slechts van een beperkte hoeveelheid jurisprudentie met betrekking tot de fiscale kwalificatie hiervan.2 Hetzelfde geldt voor met de trust vergelijkbare rechtsfiguren, maar ik beperk mij in deze inleidende paragraaf eenvoudshalve tot de trust. De fiscale kwalificatie hing uiteraard af van de kenmerken van de trust, alsmede de feitelijke omstandigheden op het moment van instelling, tijdens het bestaan van de trust en in voorkomend geval op het moment van beëindiging van de trust. Ik zal hieronder kort ingaan op de hoofdlijnen van de voor 2010 gehanteerde benaderingen. Ik beperk mij hier tot de algemene systematiek, zonder in te gaan op de kwalificatie van rechten binnen het Nederlandse fiscale recht of op de problematiek die kan spelen bij de waardering hiervan.3
Daarbij merk ik op dat er vele verschillende trustvormen en –varianten denkbaar zijn, waarbij het te ver voert om deze in de onderhavige context te bespreken. Belangrijke onderverdelingen betreffen echter in elk geval die tussen revocable en irrevocable trusts, alsmede tussen fixed en discretionary trusts. In het geval van een fixed trust hebben de beneficiaries afdwingbare aanspraken met betrekking tot het trustvermogen, met dien verstande dat deze aanspraken niet absoluut zijn in de zin, dat bijvoorbeeld sprake kan zijn van een voorwaarde of een tijdsbepaling. Bij discretionary trusts ontbreken deze afdwingbare aanspraken juist en heeft de trustee discretionaire bevoegdheden met betrekking tot het doen van uitkeringen uit het trustvermogen.4
14.2.1 Inkomstenbelasting14.2.2 Schenkings- en successierecht14.2.3 Invoering van de APV-regeling