Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt
Einde inhoudsopgave
Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt (FM nr. 134) 2010/6.2.3.5c:6.2.3.5c Aftrekrecht en het voor reclamedoeleinden verrichten van gratis leveringen of diensten
Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt (FM nr. 134) 2010/6.2.3.5c
6.2.3.5c Aftrekrecht en het voor reclamedoeleinden verrichten van gratis leveringen of diensten
Documentgegevens:
dr. S.T.M. Beelen, datum 01-03-2010
- Datum
01-03-2010
- Auteur
dr. S.T.M. Beelen
- JCDI
JCDI:ADS297048:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Europees belastingrecht / Richtlijnen EU
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ofschoon de met het oog op de gratis verstrekkingen aangeschafte goederen en diensten zelf als zodanig niet gebruikt worden voor belaste handelingen en daarom de op de aanschafkosten drukkende btw niet aftrekbaar lijkt, zal op een aantal gronden wél aan aftrek kunnen worden toegekomen. Zo zal in veel gevallen volgehouden kunnen worden dat, afhankelijk van hoe een specifieke actie is vormgegeven, de kosten van de gratis verstrekkingen rechtstreeks en onmiddellijk samenhangen met bepaalde uitgaande prestaties (zoals de kosten van het navigatiesysteem dat wordt verstrekt bij de levering van een auto). Als de kosten van de gratis verstrekkingen niet rechtstreeks en onmiddellijk samenhangen met bepaalde uitgaande prestaties zal het meestal niet moeilijk zijn om vast te stellen dat zij rechtstreeks en onmiddellijk samenhangen met de algehele bedrijfsactiviteit en aldus als algemene kosten kwalificeren.
Om definitief vast te stellen of de voorbelasting die drukt op de aanschaf van goederen of diensten, die om promotionele redenen gratis verstrekt worden, wel of niet aftrekbaar is, zal ook onderzocht moeten worden of een aftrekuitsluiting van toepassing is. Op de eerste plaats heb ik dan het oog op het Bua, en op de tweede plaats de met ingang van 1 januari 2007 geïntroduceerde fictieve levering van art. 3, lid 3, letter a, wet en fictieve dienst van art. 4, lid 2, wet (bij de fictieve heffingen gaat het materieel immers ook om correcties op de aftrek). Ten slotte speelt hierbij ook nog de ‘zegelregeling’ (art. 20 en art. 21 Uitvoeringsbesluit OB), een rol, die vanaf 1 januari 2007 onverkort van toepassing is gebleven.
Aan de hand van de bespreking van een tiental voorbeelden werp ik licht op de complexe verhouding tussen Bua, fictieve heffingen en art. 21 Uitvoeringsbesluit OB. Hierbij speelt het Kuwait Petroleum-arrest ook nog een belangrijke rol. Dit arrest had tot 1 januari 2007 voor de Nederlandse praktijk geen gevolgen in verband met het ontbreken van de fictieve heffingen bij onttrekking of gebruik ‘voor andere dan bedrijfsdoeleinden’. Ik constateer een aantal knelpunten, waarbij ik suggesties doe voor een aantal oplossingen die passen binnen doel en strekking van het btw-stelsel en recht doen aan met name het neutraliteitsbeginsel.
Opvallend is dat alle onderzochte landen, het Verenigd Koninkrijk, Duitsland en Frankrijk, worstelen met de btw-gevolgen van de onderhavige handelingen. De opvallendste uitkomst van het onderzoek is dat het Verenigd Koninkrijk het mogelijk maakt dat, door uitgifte van een ‘tax certificate’, in bepaalde gevallen de ter zake van een fictieve heffing verschuldigde btw in aftrek kan worden gebracht (zie onderdeel 6.4.1).