Einde inhoudsopgave
Wie heeft de leiding? (R&P nr. VG1) 2010/2.1.2.5
2.1.2.5 Bestanddeelvorming
Dr. mr. B.A.M. Janssen, datum 08-12-2010
- Datum
08-12-2010
- Auteur
Dr. mr. B.A.M. Janssen
- JCDI
JCDI:ADS613669:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Pitlo 2006, nr. 536, e.v.
Volgt onder meer uit HR. 11 december 1953, NJ 1954, 115 (Stafmateriaal-arrest), m.n. van Drion in AA 1953, p. 112 e.v. Zie ook: Asser-Mijnssen-Van Velten-Bartels 2008, nr. 63; Snijders/RankBerenschot 2007, nr. 36; Beekhuis 1972, p. 13 waar hij schrijft: 'Het is daarom m.i. niet juist uit de mogelijkheid van de vestiging van een recht van opstal af te leiden, dat in ons recht het gebouw als een geheel zelfstandige zaak beschouwd kan worden (..).'
Ploeger 1997b, p. 340: ...Anders dan men in het algemeen leert, is de superficies-regel, ook wel aangeduid als de verticale natrekking, geen toepassing van het eenheidsbeginsel, maar een autonome regel. (..) In die zin is de opstal onafscheidelijk van de grond. Zij delen daarom ook hetzelfde zakenrechtelijke lot: grond en opstal zijn beide onroerend en in de regel berust de eigendom bij de grondeigenaar. Maar de opstal heeft ondanks zijn verbinding met de grond zijn zelfstandig nut en daarmee zijn individualiteit behouden. Ik kan een huis zelfstandig exploiteren, al ben ik geen eigenaar van de grond. Dit geldt te meer bij tunnels, buisleidingen en kabelnetten. (..) De regel superflcies solo cedit kan er niet toe leiden dat iets wordt opgedeeld wat volgens het eenheidsbeginsel ondeelbaar is. De horizontale natrekking is geen conflict met het eenheidsbeginsel bij onroerende zaken, maar is juist de enige toepassing daarvan.'.
Wichers 2002, p. 106 e.v.
Wolfert 2003. Aanleiding voor haar betoog zijn de arresten van de Hoge Raad inzake de portacabin (HR 31 oktober 1997, NJ 1998, 97) en de grafzerken (HR 25 oktober 2002, NJ 2003, 241) waarin volgens haar de Hoge Raad stelt dat genoemde zaken weliswaar een onroerend karakter hebben, maar niet als bestanddelen van de grond zijn te beschouwen.
Van Maanen 2006, die zich 'gewonnen geeft' op basis van de door o.m. Ploeger en Wolfert aangedragen argumenten en het handboek Pitlo, Goederenrecht gaat herzien op dit punt.
De Jong 2006.
Heyman en Bartels 2006.
Snijders 2006.
Het criterium bij natrekking is of de nagetrokken zaak een bestanddeel is. In artikel 3:4 BW worden twee criteria gegeven voor bestanddeelvorming. In het eerste lid is het maatschappelijke criterium uitgewerkt ('al hetgeen volgens verkeersopvatting onderdeel van een zaak uitmaakt is bestanddeel van die zaak'). In het tweede lid is het fysieke criterium weergegeven (' al hetgeen zodanig met de hoofdzaak is verbonden dat daarvan niet kan worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis wordt toegebracht aan een van beide zaken is eveneens bestanddeel van die hoofdzaak'). Het zijn van bestanddeel heeft de volgende gevolgen i) de eigendom van de zaak omvat al haar bestanddelen voor zover de wet niet anders bepaalt, ii) bestanddelen van een onroerende zaak zijn onroerend, iii) goederenrechtelijke rechtshandelingen met betrekking tot een zaak omvatten tevens haar bestanddelen. Met betrekking tot onroerende zaken wordt gesteld dat artikel 5:20, eerste lid (sub e en f) BW een nadere uitwerking is van artikel 3:4 BW. Hieruit volgt dat de opstal altijd door de grond wordt nagetrokken en dus bestanddeel is van de grond. De grond is daarom als hoofdzaak aan te merken en niet andersom. In dit verband is de rol van de verkeersopvatting in zekere zin teruggedrongen.1 De heersende leer is kort samengevat dan ook dat een opstal als bestanddeel van de grond wordt beschouwd; opstal en grond zijn één zaak en komen in beginsel toe aan één eigenaar.2 Deze heersende leer staat inmiddels ter discussie. Artikel 5:20 eerste lid, sub e en f BW zou (juist) geen nadere uitwerking van artikel 3:4 BW zijn. Het zouden strikt van elkaar te onderscheiden rechtsfiguren zijn. In die zin zou sprake zijn van twéé zaken (zowel grond als opstal zijn beide zelfstandige zaken) en dus ook twee eigendomsrechten, die aan één eigenaar toebehoren. Voor een uitgebreide toelichting op deze afwijkende of nieuwe stroming betreffende de bestanddeelvorming, verwijs ik naar onder meer Ploeger,3 Wichers,4 Wolfert5 en meer recentelijk Van Maanen6 en De Jong,7 alsmede naar Heyman en Bartels8 en Snijders9 die kritiek hebben op deze nieuwe stroming.