Antichresis en pandgebruik
Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/10.2:10.2 Justiniaans Romeins recht
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/10.2
10.2 Justiniaans Romeins recht
Documentgegevens:
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264494:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het Romeinse recht had de pandhouder een recht van pandgebruik als hij het onderpand onder zich had en het pandrecht rustte op vruchtgevende goederen. De pandhouder was bevoegd en verplicht het onderpand te gebruiken en de vruchten ervan te trekken.1 Hij pleegde geen diefstal (furtum) als hij een zaak met economische gebruikswaarde gebruikte zonder daartoe strekkende afspraak.2 In aanvulling op dit stilzwijgende recht van pandgebruik konden partijen een nevenbeding (pactum antichreticum) opnemen in de pandovereenkomst. In dit beding konden partijen het recht van pandgebruik nader invullen. Dit beding kon bovendien een recht van pandgebruik toekennen als dit recht niet van rechtswege ontstond.3 In het klassieke Romeinse recht kon een recht van pandgebruik ook ontstaan in combinatie met een zekerheidsoverdracht (fiducia cum creditore). Dit gebeurde op dezelfde wijze als bij het pandrecht.4 Ten slotte kon een recht van antichrese ontstaan als een zelfstandig goederenrechtelijk recht. Deze zelfstandige antichrese ontstond op grond van een daartoe strekkende overeenkomst. Daarnaast kon een zelfstandige antichrese ontstaan op grond van de wet (bijvoorbeeld bij de missio Antoniniana), of als een schuldeiser het Gordiaanse retentierecht uitoefende.5
De rechten uit pandgebruik traden in werking op het moment waarop de zekerheidsgerechtigde het onderpand onder zich kreeg. Dit kon onmiddellijk bij de vestiging van het zekerheidsrecht gebeuren, maar ook later. In dat geval was het recht van pandgebruik gecombineerd met een vuistloos zekerheidsrecht, zoals hypotheca. De rechten uit pandgebruik traden dan in werking als de schuldenaar in verzuim kwam en de pandhouder het onderpand onder zich nam.6 Het recht van pandgebruik had een goederenrechtelijk karakter. De pandgebruiker kon zijn recht van pandgebruik tegen éénieder handhaven met de goederenrechtelijke actie uit het pandrecht: de actio Serviana. Daarnaast kon hij bescherming krijgen via de exceptie dat hij de goederen die hij gebruikte, in pand had gekregen. Ook het recht van zelfstandige antichrese werkte goederenrechtelijk. De gerechtigde tot een zelfstandige antichrese werd beschermd alsof hij pandhouder was. Hij kon tegen verlies van de in antichrese gegeven zaken optreden met een actio Serviana in factum.7
De zekerheidsgerechtigde oefende het recht van pandgebruik uit op goederen die vruchten konden voortbrengen, zoals onroerende zaken, slaven en beperkte genotsrechten. De pandhouder mocht een huis verhuren of zelf bewonen. Hij mocht grond verpachten of zelf bewerken en de gewassen oogsten.8 Slaven mocht hij voor zich laten werken; zo nodig mocht hij die slaven zelfs de benodigde ambachten leren.9 Had de pandgebruiker kosten gemaakt om het onderpand te verbeteren, dan kon hij die kosten verhalen op de schuldenaar met de actio pigneraticia contraria.10 Voorts is aannemelijk dat de pandgebruiker bevoegd was om huurvorderingen te innen die verschuldigd waren voor een woning waarop hij een pandrecht had. Deze bevoegdheid gold ook als de pandhouder geen partij was bij de huurovereenkomsten die waren gesloten. Een combinatie van het recht van pandgebruik met een hypotheca lag in dat geval voor de hand: voor de inning van huurvorderingen was vermoedelijk niet vereist dat de pandgebruiker het onderpand onder zich had.11 De grens aan de bevoegdheden van de pandgebruiker was misbruik van het onderpand. Beschadiging bracht aansprakelijkheid mee uit de actio pigneraticia directa. Misbruik kon leiden tot het tenietgaan van het pandrecht, of aansprakelijkheid met de actio furti. Keizer Justinianus trad daarnaast tegen uitbuiting op met verbodsbepalingen en strafbaarstellingen.12
Het recht van pandgebruik kon één van twee functies hebben: een aflossingsfunctie of een rentefunctie. Bij een aflossingsfunctie kwamen de vruchten van het onderpand van rechtswege in mindering op de gesecureerde vordering (de verschuldigde rente en de hoofdsom). De waarde van de vruchten kwam dus ten goede aan de pandgever. De pandgebruiker had echter ook voordeel van een recht van pandgebruik, doordat hij zijn vordering kon voldoen uit de vruchten van het onderpand.13 Het recht van pandgebruik had een aflossingsfunctie, tenzij partijen anders waren overeengekomen.14 Had het recht van pandgebruik een aflossingsfunctie, dan was de pandhouder verplicht het onderpand naar vermogen te gebruiken. Hij diende een zo hoog mogelijke vruchtopbrengst te realiseren door het onderpand te gebruiken. Voldeed de pandgebruiker niet aan deze norm, dan kwam de waarde van de vruchten die hij had moeten trekken in mindering op de gesecureerde vordering.15
Als het recht van pandgebruik een rentefunctie had, kwamen de vruchten en de gebruikswaarde van het onderpand niet in mindering op de gesecureerde vordering. De schuldenaar was over deze gesecureerde vordering geen rente verschuldigd. De pandgebruiker kon in plaats van een rentevergoeding het onderpand gebruiken en de vruchten ervan trekken. Op de pandgebruiker rustte dan geen gebruiksplicht. Op een recht van pandgebruik met rentefunctie waren de rentemaxima uit het Romeinse recht van toepassing. Stond vast dat de jaarlijkse gebruiksopbrengst hoger was dan het bedrag dat de pandgebruiker aan rente mocht innen, dan diende de pandgebruiker het meerdere in mindering te brengen op de gesecureerde vordering. Hierop golden echter uitzonderingen als de gebruikswaarde niet in geld was uit te drukken, of de jaarlijkse vruchtopbrengst van het onderpand fluctueerde. De pandgebruiker hoefde hetgeen boven het rentemaximum uitging dan niet in mindering te brengen op de gesecureerde vordering. In dat geval kon de rentepandgebruiker dus een hogere rentevergoeding verkrijgen dan het toepasselijke rentemaximum.16
Het recht van pandgebruik voorzag in een behoefte, doordat het voorkwam dat een zekerheidsobject economisch steriel was als het zich onder de zekerheidsgerechtigde bevond. Het recht van pandgebruik met rentefunctie kon voor de zekerheidsgerechtigde voorzien in een behoefte om geld uit te lenen tegen een hogere rentevergoeding dan wettelijk was toegestaan. Voor de schuldenaar kon een recht van rentepandgebruik ook interessant zijn, als hij geld wilde lenen zonder de verplichting om over zijn schuld rente te betalen.17 Daarnaast voorzag het recht van pandgebruik met aflossingsfunctie tijdens economische crises in een behoefte aan aanvullende zekerheid. In economisch zware tijden kon de waarde van het onderpand dalen. Hierdoor ontstond voor de zekerheidsgerechtigde het risico dat de executiewaarde van een pandobject niet langer voldoende was om zijn gesecureerde vordering te voldoen. Met een recht van pandgebruik kon de zekerheidsgerechtigde het onderpand gebruiken en de vruchten ervan trekken. Vervolgens kon hij de vruchten in mindering brengen op de gesecureerde vordering. Zo kon de pandgebruiker zijn vordering geheel of gedeeltelijk voldoen uit de vruchten van het pandobject. Het recht van pandgebruik gaf aan de zekerheidsgerechtigde dus een aanvullende manier om zijn vordering voldaan te krijgen, naast executie of integrale betaling door de pandgever.18 Het recht van zelfstandige antichrese voorzag in de behoefte om een zekerheidsrecht te vestigen op goederen die zich niet goed leenden voor executoriale verkoop, maar wel een economische gebruikswaarde hadden.19 De rechten van pandgebruik en zelfstandige antichrese met aflossingsfunctie voorzagen dus in een behoefte als de executoriale verkoop van het zekerheidsobject onaantrekkelijk of onmogelijk was.