Einde inhoudsopgave
Open normen in het Europees consumentenrecht (R&P nr. CR4) 2011/10.4.1
10.4.1 Inleiding: de 'principle of fair and open dealing'
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon, datum 31-08-2011
- Datum
31-08-2011
- Auteur
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon
- JCDI
JCDI:ADS498488:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Bradgate, Brownsword en Twigg-Flesner 2003; Giordano Ciancio 2008, p. 1-3, waarin het verbod ook met de `reasonableness'-norm in verband wordt gebracht.
Director General of Fair Trading/First National Bank plc [1999] EWHC 206 (Ch), to. 109. Zie echter TwiggFlesner e.a. 2005, p. 9 (par. 2.21 aldaar).
Weatherill 2003, p. 14-17.
Andersom rijst de vraag of het zeer casuïstische principle of fair dealing' een ruimere strekking zal krijgen onder invloed van de algemene richtlijnnorm. Het antwoord op deze vragen zal moeten blijken uit de toepassing van de norm in de civielrechtelijke verbodsprocedure of i.h.k.v. de reflexwerking van de richtlijn-norm op de common law, daar individuele procedures op grond van de CPR niet mogelijk zijn. Het ontbreken van een 'private right of redress' maakt de verdere ontwikkeling van een `general duty to bargain in good faith' onwaarschijnlijk: Collins 2010, p. 115.
628. Reg. 3(1) bevat de algemene norm: het verbod op oneerlijke handelspraktijken. Reg. 3(3) behelst de definitie van deze hoofdnorm.
`3. (1) Unfair commercial practices are prohibited.
(2)Paragraphs (3) and (4) set out the circumstances when a commercial practice is unfair
(3)A commercial practice is unfair if
(a)it contravenes the requirements of professional diligence; and
(b)it materially distorts or is likely to materially distort the economic behaviour of the average consumer with regard to the product.'
Het inhoudelijke criterium (de strijd met de professionele toewijding) en het effectcriterium (de wezenlijke verstoring van het economische gedrag van de gemiddelde consument) komen beide voor in de Engelse definitie van een oneerlijke praktijk. De introductie van een algemene open norm vormt een breuk met het verleden. De nieuwe hoofdnorm vindt wel een conceptuele aansluiting bij recente ontwikkelingen in het Engelse recht. De schending van de hoofdnorm het verbod op oneerlijke praktijken — wordt in de literatuur gekoppeld aan de schending van de 'principle of fair and open dealing', de uit de goede trouw afgeleide plicht tot eerlijk gedrag in de precontractuele fase.1 Alvorens in te gaan op de twee oneerlijkheidscriteria zal deze koppeling nader worden toegelicht.
629. Het uit de common law afkomstige `principle offair and open dealing' is besproken in hoofdstuk 5 (par. 5.6.2). Dit beginsel beoogt de oneerlijkheid tegen te gaan in de precontractuele fase en behelst de plicht de consument in staat te stellen een vrije en geïnformeerde keuze te maken om het contract onder de gestelde voorwaarden te aanvaarden. Het achterwege houden van informatie door de handelaar is in strijd met het beginsel, dat tot op zekere hoogte wordt geobjectiveerd en nog maar zelden met de 'absence of dishonesty' wordt gelijkgesteld.2 Het `principle offair and open dealing' vormt echter geen algemene, op alle fasen van het contract van toepassing zijnde, objectieve plicht te handelen naar maatstaven van redelijkheid en de billijkheid. Van het `principle offair and open dealing' gaat ook geen algemene informatieverplichting uit. Het beginsel kreeg, tot op heden, slechts bij het opnemen van algemene voorwaarden in een contract een rol toebedeeld — een situatie in de precontractuele fase.3 Het beginsel is in tegenstelling tot de hoofdnorm uit de richtlijn (art. 3 lid 1) niet van toepassing op de postcontractuele fase. De vraag is hoe het beginsel de invulling van de professionele toewijdingstoets zal beïnvloeden. Het beginsel zal door de verwijzing naar de `good faith' en de `honest market practice' in de definitie van de professionele toewijding in Reg. 2(1) mogelijk invloed hebben op de uitleg van de hoofdnorm.4 In de volgende paragraaf wordt de Engelse interpretatie van de `professional diligence'-norm nader onderzocht.