Beginsel en begrip van verdeling
Einde inhoudsopgave
Beginsel en begrip van verdeling (AN nr. 168) 2018/7.2:7.2 Enige vragen van uitleg omtrent deelgenoten
Beginsel en begrip van verdeling (AN nr. 168) 2018/7.2
7.2 Enige vragen van uitleg omtrent deelgenoten
Documentgegevens:
mr. T.H. Sikkema, datum 01-06-2018
- Datum
01-06-2018
- Auteur
mr. T.H. Sikkema
- JCDI
JCDI:ADS346794:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
In par. 5.6 heb ik geconcludeerd dat als maatstaf voor verdeling heeft te gelden – kort gezegd – het optreden van een verminderde mate van onverdeeldheid. Voor de verantwoording van deze uitkomst verwijs ik naar de betreffende paragraaf.
Zie par. 5.4 voor diverse formuleringen, alsmede hfd. 6 voor de nadere behandeling van het voor verkrijging krachtens verdeling vereiste rechtsgevolg.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het voor verkrijging krachtens verdeling vereiste rechtsgevolg is niet het enige onderscheidende element voor de aanname van verdeling. Verdeling bewerkt – na levering ter uitvoering daarvan – wel een vermindering van de mate van onverdeeldheid, maar niet elke vermindering van de mate van onverdeeldheid is het rechtsgevolg van de uitvoering van een verdeling.1 Een dergelijk rechtsgevolg kan bijvoorbeeld ook optreden krachtens koop. Indien A, B en C zijn gerechtigd tot een gemeenschap en A verkoopt en levert zijn aandeel in die gemeenschap aan B zonder toestemming van C, dan vermindert de mate van onverdeeldheid. Dit laatste is ook het geval indien de deelgenoten A, B en C ieder hun aandeel verkopen en leveren aan derde D. In geen van deze gevallen is er echter sprake van verdeling. Voor verdeling moet de betreffende rechtshandeling enerzijds worden aangegaan met medewerking van alle deelgenoten en dient deze anderzijds plaats te vinden tussen deelgenoten. Dit volgt uit het bepaalde in de eerste volzin van art. 3:182 BW:
‘Als een verdeling wordt aangemerkt iedere rechtshandeling waartoe alle deelgenoten (...) medewerken en krachtens welke een of meer van hen een of meer goederen der gemeenschap met uitsluiting van de overige deelgenoten verkrijgen.’
Het vereiste dat aan de rechtshandeling van verdeling alle deelgenoten dienen mee te werken wordt met zoveel woorden door de wet gesteld. De eis dat de rechtshandeling van verdeling tussen deelgenoten dient plaats te vinden, vloeit voort uit de wijze waarop het voor verkrijging krachtens verdeling vereiste rechtsgevolg is geformuleerd.2
Nu uit het wettelijke verdelingsbegrip kan worden begrepen dat het bij verdeling dient te gaan om een rechtshandeling tussen deelgenoten waartoe alle deelgenoten medewerken, kunnen de volgende vragen worden gesteld met betrekking tot de uitleg van het begrip ‘deelgenoten’:
Moet het begrip ‘deelgenoten’ worden gelezen als ‘deelgenoten als deelgenoten’ of als ‘personen, die deelgenoten zijn’?
Wie kwalificeert als ‘deelgenoot’ in het kader van verdeling?
Dient onder ‘alle deelgenoten’ te worden verstaan ten minste alle deelgenoten of uitsluitend alle deelgenoten?
In de komende paragrafen zal de behandeling van deze vragen centraal staan.