Beginsel en begrip van verdeling
Einde inhoudsopgave
Beginsel en begrip van verdeling (AN nr. 168) 2018/7.3:7.3 Twee benaderingen van het begrip ‘deelgenoten’
Beginsel en begrip van verdeling (AN nr. 168) 2018/7.3
7.3 Twee benaderingen van het begrip ‘deelgenoten’
Documentgegevens:
mr. T.H. Sikkema, datum 01-06-2018
- Datum
01-06-2018
- Auteur
mr. T.H. Sikkema
- JCDI
JCDI:ADS348003:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 4.2.
Kleijn 1973, p. 170; Asser/Perrick 3-V 2015, nr. 170.
Asser/Perrick 3-V 2015, nr. 170. Zie ook: par. 3.4, 7.4.
HR 31 mei 1963, NJ 1964, 10 en HR 17 januari 1964, NJ 1965, 126. Zie par. 3.4.
Vergelijk Asser/Perrick 3-V 2015, nr. 167, 170.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Om te bepalen in welke hoedanigheid deelgenoten in het kader van verdeling medewerking dienen te verlenen, bezien we de beide volzinnen van het wettelijke verdelingsbegrip van art. 3:182 BW. Voor de duidelijkheid geef ik hier nogmaals het verdelingsbegrip weer:
‘Als een verdeling wordt aangemerkt iedere rechtshandeling waartoe alle deelgenoten, hetzij in persoon, hetzij vertegenwoordigd, medewerken en krachtens welke een of meer van hen een of meer goederen der gemeenschap met uitsluiting vande overige deelgenoten verkrijgen. De handeling is niet een verdeling, indien zij strekt tot nakoming van een voor rekening van de gemeenschap komende schuld aan een of meer deelgenoten, die niet voortspruit uit een rechtshandeling als bedoeld in de vorige zin.’
In een eerdere beschouwing over de beide volzinnen van het wettelijke verdelingsbegrip en de daarop gegeven parlementaire toelichting heb ik aangegeven dat kan worden aangenomen dat – uitgaande van een grammaticale interpretatie – de eerste en aanvankelijk enige volzin een te ruime omschrijving geeft van rechtshandelingen die als verdeling dienen te worden aangemerkt en dat de tweede volzin ten doel heeft te duiden welke handelingen – in uitzondering op het bepaalde in de eerste volzin – buiten het verdelingsbegrip gehouden dienen te worden.1 Met betrekking tot de voor verdeling vereiste medewerking door alle deelgenoten wordt initieel – het verdelingsbegrip bestond nog uit één volzin – het begrip ‘deelgenoten’ gelezen als ‘personen, die deelgenoten zijn’.2 De totstandkoming van de eerste fase van de tweede volzin kan hieruit worden verklaard.3 Uit de formulering van de tweede volzin volgt dat het begrip ‘deelgenoten’ zoals daarin bedoeld eveneens in deze betekenis gelezen dient te worden. In de aan de tweede volzin ten grondslag liggende arresten wordt door de Hoge Raad aangenomen dat – kort gezegd – de nakoming van een koop respectievelijk een legaat geen scheiding kan opleveren.4 Waar echter in de tweede volzin aan het begrip ‘deelgenoten’ de betekenis van ‘personen, die deelgenoten zijn’ moet worden toegekend, is het effect van de combinatie van de beide volzinnen aldus dat aan het begrip ‘deelgenoten’ zoals bedoeld in de eerste volzin de betekenis van ‘personen, die deelgenoten zijn’ moet worden onthouden. Voor het begrip ‘deelgenoten’ zoals bedoeld in de eerste volzin dient daarom thans te worden gelezen ‘deelgenoten als deelgenoten’.5
Voor de uitleg van het begrip ‘deelgenoten’ kan echter ook een andere dan de hiervoor gehanteerde taalkundige benadering worden gevolgd. Eenzelfde uitkomst kan worden bereikt in een benadering waarbij voor de juiste uitleg van het begrip ‘deelgenoten’ verbinding wordt gelegd met de tussen deelgenoten bestaande onderliggende rechtsverhouding. Ik bedoel dit: de onderliggende rechtsverhouding tussen de deelgenoten bestaat erin dat alle deelgenoten zijn gerechtigd tot een gemeenschap bestaande uit (een of meer) goederen. De deelgenoten zijn tot de (een of meer) gemeenschapsgoederen gerechtigd in hun hoedanigheid van deelgenoten. Indien deze rechtsverhouding als vertrekpunt wordt genomen voor de bepaling in welke hoedanigheid de deelgenoten moeten meewerken aan de verdeling, dan moet eveneens worden aangenomendat zij dit doen in hun kwaliteit van deelgenoten (’deelgenoten als deelgenoten’). Aldus kan met deze meer fundamentele benadering tot eenzelfde uitkomst worden gekomen als het geval is op grond van een taalkundige benadering.
Ik constateer dat met betrekking tot de uitleg van het begrip ‘deelgenoten’ elk van de hiervoor gebruikte benaderingen leidt tot hetzelfde eindresultaat. In zoverre lijken beide interpretatiemethoden tot tevredenheid te kunnen stemmen. Vanuit een historisch perspectief dient bij de grammaticale interpretatie echter een kanttekening te worden geplaatst. De grammaticale interpretatiemethode stelt vanwege het ‘tekstafhankelijke’ karakter daarvan hoge eisen aan de formulering van de wettekst. Indien daaraan niet wordt voldaan, dient een dergelijke interpretatiemethode buiten toepassing te blijven. In dit verband kan worden gedacht aan de zojuist geschetste ontwikkeling van het wettelijke verdelingsbegrip. Daaruit blijkt dat het wettelijke verdelingsbegrip in de aanloop naar de eindtekst een ontwikkeling heeft doorgemaakt als gevolg waarvan bij een taalkundige uitleg het begrip ‘deelgenoten’ aan verandering onderhevig is geworden. Een dergelijke veranderlijkheid is zowel onwenselijk als vermijdbaar. Zou bij de uitleg van het begrip ‘deelgenoten’ primair aansluiting zijn gezocht bij het tussen deelgenoten bestaande ‘deelgenootschap’ dat als onderliggende rechtsverhouding de tot de gemeenschap(sgoederen) gerechtigde deelgenoten kenmerkt, dan zou op die grond reeds vanaf de aanvang van de ontwikkeling van het wettelijke verdelingsbegrip tot een juiste uitkomst zijn gekomen.
In de volgende paragraaf zal het hier bedoelde ‘deelgenootschap’ als rechtsverhouding tussen deelgenoten aan een nadere beschouwing worden onderworpen, in het bijzonder in het licht van de jurisprudentie van de Hoge Raad.