Beginsel en begrip van verdeling
Einde inhoudsopgave
Beginsel en begrip van verdeling (AN nr. 168) 2018/7.6:7.6 Ten minste of uitsluitend alle deelgenoten?
Beginsel en begrip van verdeling (AN nr. 168) 2018/7.6
7.6 Ten minste of uitsluitend alle deelgenoten?
Documentgegevens:
mr. T.H. Sikkema, datum 01-06-2018
- Datum
01-06-2018
- Auteur
mr. T.H. Sikkema
- JCDI
JCDI:ADS345552:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 5.4.
Zie bijvoorbeeld: art. 3:177 lid 2 BW, art. 3:180 lid 2 BW, art. 3:181 lid 1 BW, art. 3:183 lid 1 BW, art. 3:185 lid 1 BW en art. 3:195 lid 1 BW. Zie ook Asser/Perrick 3-V 2015, nr. 137.
Zie ook: Asser/Perrick 3-V 2015, nr. 137; Van Mourik & Schols 2015, nr. 39.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Met betrekking tot de vraag of ten minste alle deelgenoten dan wel uitsluitend alle deelgenoten aan verdeling dienen mee te werken, kan het volgende worden overwogen. Indien ervan uit wordt gegaan dat ten minste alle deelgenoten aan een verdeling dienen mee te werken, wordt er een kader geschapen waarbij medewerking door derden niet wordt uitgesloten. Het is dit niet op voorhand uitsluiten van medewerking door derden in het kader van de vaststelling van verdeling dat de wetgever ertoe heeft gebracht de (negatieve) formulering van scheiding zoals gehanteerd door de Hoge Raad ter gelegenheid van de invoering van het NBW te vervangen door de (positieve) formulering van het wettelijke verdelingsbegrip in art. 3:182 BW.1 Volgens de laatstbedoelde formulering dient het voor verkrijging krachtens verdeling vereiste rechtsgevolg erin te bestaan dat alle deelgenoten medewerken aan het krachtens verdeling door een of meer van hen verkrijgen van een of meer goederen van de gemeenschap met uitsluiting van de overige deelgenoten. Zo wordt ter zake van de verkrijging krachtens verdeling enkel onderscheid gemaakt tussen deelgenoten, te weten de (een of meer) verkrijgende en van verkrijging uitgesloten deelgenoten. In zoverre lijkt het voorschrift dat alle deelgenoten aan de verdeling dienen mee te werken te moeten worden gelezen als eenvoorschrift waarbij uitsluitend alle deelgenoten aan de verdeling dienen mee te werken. Bij deze constatering dient evenwel een kanttekening te worden geplaatst.
Voor de rechtsgeldige totstandkoming van de rechtshandeling van verdeling kan niet in alle gevallen worden volstaan met de medewerking van de tot de gemeenschapsgoederen gerechtigde deelgenoten. Dit kan worden afgeleid uit de verschillende plaatsen in de wet waar wordt geduid op andere personen dan deelgenoten van wie de medewerking aan de totstandkoming van verdeling is vereist.2 Hierbij kan worden gedacht aan beperkt gerechtigden in verband met een verdeling waartoe de deelgenoten zich hebben verplicht na bezwaring met het beperkte recht,3 alsmede schuldeisers die een bevel tot verdeling van de gemeenschap hebben verkregen.4
De door het verdelingsbegrip van art. 3:182 BW voorgeschreven medewerking van alle deelgenoten dient aldus enerzijds te worden begrepen als het uitsluitend aan de deelgenoten toekomen van de bevoegdheid tot vaststelling van de verdeling zelf, terwijl anderzijds het voorschrift dat alle deelgenoten dienen mee te werken niet in zodanige zin mag worden begrepen dat daarnaast niet tevens op grond van de wet de medewerking door anderen dan deelgenoten aan de verdeling kan worden vereist.5