Einde inhoudsopgave
Beginsel en begrip van verdeling (AN nr. 168) 2018/7.4
7.4 De onderliggende rechtsverhouding nader beschouwd
mr. T.H. Sikkema, datum 01-06-2018
- Datum
01-06-2018
- Auteur
mr. T.H. Sikkema
- JCDI
JCDI:ADS349203:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 7.3.
Zie par. 7.3.
NvW, Parl. Gesch. Boek 3, p. 613, onder verwijzing naar: HR 31 mei 1963, NJ 1964, 10 en HR 17 januari 1964, NJ 1965, 126.
NvW, Parl. Gesch. Boek 3, p. 613.
HR 31 mei 1963, NJ 1964, 10 m.nt. J.H. Beekhuis (Erven Van der Looy). Zie ook par. 3.4.
HR 31 mei 1963, NJ 1964, 10, p. 41.
HR 17 januari 1964, NJ 1965, 126, m.nt. J.H. Beekhuis (Schellens-Schellens II). Zie ook par. 3.4.
HR 17 januari 1964, NJ 1965, 126, p. 505.
Het hierboven bedoelde beginsel, waarbij het tussen deelgenoten bestaande deelgenootschap als onderliggende rechtsverhouding kenmerkend is voor de hoedanigheid waarin alle deelgenoten overeenkomstig het verdelingsbegrip aan verdeling dienen mee te werken, is eveneens van toepassing op andere rechtshandelingen dan die van verdeling in strikte zin. Gelet op de door de wetgever beoogde werking van het wettelijke verdelingsbegrip dient mijns inziens voor een als verdeling aan te merken koop de rechtsfictie te worden aangenomen dat de partijen daaraan in de hoedanigheid van deelgenoten hebben meegewerkt. Hieraan kan niet afdoen dat door de deelgenoten aanvankelijk in de hoedanigheid van koper respectievelijk verkoper tot de rechtshandeling is gecontracteerd. Vergelijk voor oud recht art. 1122 lid 2 OBW waarin ten aanzien van het rechtsgevolg van een tussen alle erfgenamen overeengekomen koop werd bepaald: ‘Indien een der mede-erfgenamen een stuk onroerend goed koopt, heeft zulks ten zijnen opzigte hetzelfde gevolg, als of hij het bij scheiding verkregen had.’
NvW, Parl. Gesch. Boek 3, p. 613.
Bij de bepaling in welke hoedanigheid deelgenoten dienen mee te werken aan de totstandkoming van de rechtshandeling van verdeling heb ik hierboven geconcludeerd dat deze medewerking dient plaats te vinden in dezelfde hoedanigheid als waarin de deelgenoten tot de gemeenschappelijke goederen zijn gerechtigd.1 Deelgenoten dienen aldus in de kwaliteit van deelgenoten aan de verdeling van de gemeenschap hun medewerking te verlenen.2 Het toelaten van de mogelijkheid voor deelgenoten handelend buiten deze hoedanigheid een verdeling overeen te komen, kan niet in overeenstemming worden gebracht met de vorenbedoelde aan de verdeling ten grondslag liggende rechtsverhouding.
Voor een dergelijk uitgangpunt kan mijns inziens steun gevonden worden in de beide arresten van de Hoge Raad, die blijkens de parlementaire geschiedenis ten grondslag zijn gelegd aan de formulering van de tweede volzin van het wettelijke verdelingsbegrip.3 Beide arresten hebben betrekking op de nakoming van een schuld van de nalatenschap aan een of meer erfgenamen:
‘In beide arresten [HR 31 mei 1963, NJ 1964, 10 en HR 17 januari 1964, NJ 1965, 126, THS] werd aangenomen dat deze nakoming geen verdeling van de nalatenschap opleverde. Buiten twijfel is thans gesteld dat ook de tweede zin van artikel 3.7.1.11 uitsluitend zodanige gevallen buiten het verdelingsbegrip beoogt te houden.’4
In HR 31 mei 19635 gaat het om de voldoening van een vordering uit een koopovereenkomst, door de erflater bij leven gesloten met twee van zijn erfgenamen. De kopers verlangen de medewerking van de andere erfgenamen bij het opmaken van een transportakte. Eén van deze andere erfgenamen wenst medewerking te verlenen, de overige vier erfgenamen echter niet. De Hoge Raad overweegt, voor zover hier relevant:
‘dat de verweerders in cassatie als erfgenamen van hun vader ieder voor zijn of haar aandeel tot nakoming van deze overeenkomst verplicht waren (…); dat het voldoen aan een vordering die een der mede-erfgenamen op den erflater had, niet oplevert een gedeeltelijke scheiding en deling (...) [cursivering door mij, THS].’6
Het arrest HR 17 januari 19647 heeft betrekking op de nakoming van een schuld van de nalatenschap vanwege een aan een erfgenaam toekomende vordering uit legaat. De Hoge Raad overweegt omtrent het krachtens scheiding kunnen verkrijgen van het gelegateerde:
‘dat (…) die zaak, ook indien aan een erfgenaam gelegateerd, niet behoort tot hetgeen tussen de erfgenamen moet worden gescheiden en gedeeld (...) [cursivering door mij, THS]; dat zij [de erfgenaam, THS] mitsdien de haar als legaat vermaakte aandelen voor het geheel onder bijzonderen titel heeft verworven (…).’8
Het in de bovenstaande casusposities tot uitgangspunt nemen van de opvatting dat deelgenoten dienen mee te werken aan de verdeling van een gemeenschap in de hoedanigheid waarin zij tot de goederen van de gemeenschap zijn gerechtigd, leidt tot dezelfde uitkomst als de uitkomst van de Hoge Raad.
Op grond van het bovenstaande kom ik tot de conclusie dat aan de rechtsgeldige totstandkoming van de rechtshandeling van verdeling de voorwaarde is verbonden dat deelgenoten daartoe medewerken in dezelfde kwaliteit als waarin zij tot de te verdelen gemeenschapsgoederen zijn gerechtigd.9 Het optreden van een deelgenoot als partij bij een rechtshandeling in een andere hoedanigheid dan die van deelgenoot doet in beginsel geen rechtsgeldige verdeling tot stand komen. Uit het gegeven dat de wetgever heeft gemeend via de formulering van de tweede volzin van het wettelijke verdelingsbegrip de rechtsregel uit de laatstbedoelde arresten van de Hoge Raad te hebben gecodificeerd, dient te worden aangenomen dat ook vanuit het gezichtspunt van de wetgever voor de rechtshandeling van verdeling eenzelfde uitgangspunt heeft te gelden.10