Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/15.2.2
15.2.2 De wettelijke uitzondering bij recentelijk bekend geworden aanwijzingen voor schuld
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940390:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Deze verlengde termijn geldt niet voor vergrijpboetes die worden opgelegd aan anderen dan de belasting- of inhoudingsplichtige zelf (zoals de medepleger of de medeplichtige), omdat daarvoor een afzonderlijke verjaringstermijn geldt (zie art. 67ob AWR). Aldus ook het standpunt van de kennisgroep hierover, zie V-N 2023/14.19 (memo 2).
Hof Amsterdam 29 maart 2012, V-N 2012/32.6. Het Hof achtte doorslaggevend dat het achterliggende belang van de rechtszekerheid door de gevolgde handelwijze niet in het gedrang was gekomen.
Zie paragraaf 15.2.1. Aldus ook de Rechtbank in de bedoelde zaak: Rb Haarlem 21 januari 2010, nr. 09/4085, kenbaar uit Hof Amsterdam 29 maart 2012, V-N 2012/32.6 (het Hof kwam helaas niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van dit oordeel). In dezelfde zin (met betrekking tot een te laat gedane mededeling): Redactie Vakstudie-Nieuws bij de genoemde Hofuitspraak. Naar mijn mening zou dat overigens ook op grond van het reguliere mededelingsvereiste het geval zijn, aangezien de inspecteur de boeteling onverwijld de aard en reden van de beschuldiging moet mededelen. Zie daaromtrent nader paragraaf 12.2.3 en paragraaf 12.2.4.
Zie paragraaf 9.4.14, alsmede Hof Amsterdam 14 oktober 2010, V-N 2011/6.7.
Zie paragraaf 13.4.3.
Voor de vergrijpboetes die kunnen worden opgelegd in samenhang met een navorderingsaanslag of naheffingsaanslag geldt een wettelijke uitzondering op de gelijktijdigheidseis.1 Het gaat dan om gevallen waarin de feiten en omstandigheden die aanleiding geven tot de navordering of naheffing (en dus zien op de heffing) pas bekend zijn geworden in het laatste half jaar van de aanslagtermijn. Er moeten bovendien aanwijzingen bestaan dat er sprake is van opzet of grove schuld. De inspecteur kan in dergelijke gevallen voor het opleggen van de boete gebruik maken van een verlengde termijn van zes maanden, ingaande op het moment van het opleggen van de aanslag. Gedurende die termijn kan hij dan onderzoek doen naar de aanwezigheid van opzet of grove schuld bij de belasting- of inhoudingsplichtige.2
De inspecteur die gebruik maakt van de uitzondering moet wel gelijktijdig met de navorderings- of naheffingsaanslag mededelen dat hij een dergelijk onderzoek doet. Uit de jurisprudentie komt met betrekking tot dit gelijktijdigheidsvereiste een wisselend beeld naar voren. Zo was Hof Amsterdam soepel: ook een voorafgaand aan de aanslag toegezonden brief waarin aan de relevante wetsbepalingen werd gerefereerd, kwalificeerde als de bedoelde mededeling. In eerste aanleg had de rechtbank echter nog geoordeeld dat de vereiste mededeling niet was gedaan.3 Wanneer de vereiste mededeling ontbreekt, of wanneer deze te laat (pas na het opleggen van de belastingaanslag) plaatsvindt, moet daaraan naar mijn mening hetzelfde gevolg worden verbonden als wanneer de reguliere gelijktijdigheidseis is geschonden. Dat betekent dat de boete dan moet komen te vervallen.4
De bewijslast ter zake van het voldoen aan de voorwaarden voor toepassing van de verlengde termijn, rust op de inspecteur.5 De inspecteur die van die termijn gebruik maakt, moet bij betwisting dus aannemelijk maken6 dat de relevante feiten en omstandigheden pas in de laatste zes maanden voor het verstrijken van de reguliere termijn bekend zijn geworden, en dat er in die periode reeds aanwijzingen waren voor opzet of grove schuld.