Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/15.2.3
15.2.3 Gelijktijdigheidseis en verjaring
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940675:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt wel dat de verjaringstermijn bij boetes - anders dan bij de belastingaanslag - ambtshalve moet worden toegepast, zie paragraaf 12.3.3.
Het gaat om de verzuimboetes van art. 67b (lid 3) en – ten dele – art. 67c (lid 3) en de vergrijpboete van art. 67f (lid 4) AWR, alsmede om de vergrijpboete van art. 67cc AWR (lid 3). Ten aanzien van laatstgenoemde boete, die ziet op verzoeken om voorlopige aanslagen en herzieningsverzoeken IB en Vpb, geldt beleidsmatig nog een aanvullend verjaringsmoment: de dagtekening van de definitieve aanslag (par. 25a lid 3 BBBB). Ook bij andere dan de algemeen geldende boetes komt soms een eigen verjaringstermijn voor (zie bijvoorbeeld art. 37d lid 2 Wet MRB).
In het huidige art. 67ob AWR wordt weliswaar getracht om aan te sluiten bij de gangbare verjaringstermijnen zoals die voor het opleggen van aanslagen gelden, maar naar mijn mening is de wetgever hierin niet bijzonder geslaagd. De termijnen (van drie jaren respectievelijk vijf jaren) gaan namelijk pas lopen na het einde van het kalenderjaar waarin de overtreding heeft plaatsgevonden. Dat moment hoeft niet samen te vallen met het moment van ontstaan van de belastingschuld (het moment dat voor de aanslagtermijn doorslaggevend is, vgl. art. 20 lid 3 AWR, art. 11 lid 3 AWR en art. 16 lid 3 AWR). Een formulering zoals opgenomen in artikel 67d lid 3 AWR en artikel 67e lid 4 AWR zou wél voor de bedoelde aansluiting hebben gezorgd.
In paragraaf 15.2.3.1 ga ik afzonderlijk in op de doorwerking van deze termijn naar de sfeer van de boete.
Zie art. 11 lid 3 en art. 16 lid 3 AWR, respectievelijk art. 52a lid 2 AWR. Deze bepalingen kunnen alleen de termijn die geldt voor de belasting- of inhoudingsplichtige zelf verlengen. Aldus ook het standpunt van de kennisgroep over deze kwestie, zie V-N 2023/14.19 (memo 2).
In ieder geval bevat de oorspronkelijke wetsgeschiedenis die niet, zie Kamerstukken II 2014/15, 34 002, nr. 3, p. 74-75.
Deze voorgenomen wijziging van art. 67ob AWR is opgenomen in het conceptwetsvoorstel Fiscale Verzamelwet 2025 (art. IX, onderdeel H), zie V-N 2023/42.3. Deze termijnverlenging (naar 12 jaar) geldt voor gevallen waarin navordering of naheffing mogelijk is met toepassing van de verlengde (of de onbeperkte) termijn. Het wetsvoorstel voorziet niet in een oplossing voor de gesignaleerde verschillen in andere gevallen.
De gelijktijdigheidseis brengt mee, dat de boete als regel tegelijk met een belastingaanslag wordt opgelegd. Afgezien van de in paragraaf 15.2.1 en paragraaf 15.2.2 besproken uitzonderingen, volgt daaruit dat de boete voor wat betreft de verjaringstermijn normaal gesproken de bijbehorende belastingaanslag volgt.1 Voor enkele ‘losse’ boetes, die zonder bijbehorende aanslag worden opgelegd, geldt een eigen verjaringstermijn.2
Ten aanzien van de boeteoplegging aan anderen dan de belasting- of inhoudingsplichtige zelf is de gelijktijdigheidseis volgens art. 67oa AWR niet van toepassing. Op grond van art. 67ob AWR geldt voor dergelijke boetes een afzonderlijke verjaringsregeling,3 die meebrengt dat de verjaringstermijn voor de boeteoplegging aan derden langer kan zijn dan de verjaringstermijn die voor boeteoplegging aan de belastingplichtige zelf geldt. In gevallen waarin de verlengde navorderingstermijn van art. 16 lid 4 AWR wordt benut,4 is ook het omgekeerde denkbaar.5 Hetzelfde geldt in gevallen waarin de reguliere aanslagtermijn (en dus de termijn voor de boeteoplegging) is verlengd door bijvoorbeeld kenbaar verleend uitstel of een genomen informatiebeschikking.6 Voor deze verschillen bestaat naar mijn mening geen goede rechtvaardiging.7 De wetgever heeft aangekondigd (een deel van) de verschillen te willen opheffen door de verjaringstermijn voor boetes die worden opgelegd aan anderen dan de belasting- of inhoudingsplichtige zelf in bepaalde gevallen te verlengen.8
15.2.3.1 Boete bij toepassing van de verlengde en onbeperkte navorderingstermijn