Fiscaal overgangsbeleid
Einde inhoudsopgave
Fiscaal overgangsbeleid (FM nr. 131) 2009/6.3.3.2:6.3.3.2 Discriminatie ten gevolge van werkingsregels
Fiscaal overgangsbeleid (FM nr. 131) 2009/6.3.3.2
6.3.3.2 Discriminatie ten gevolge van werkingsregels
Documentgegevens:
dr. M. Schuver-Bravenboer, datum 01-02-2009
- Datum
01-02-2009
- Auteur
dr. M. Schuver-Bravenboer
- JCDI
JCDI:ADS411315:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Staatsrecht / Wetgeving
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie Bravenboer en Lubbers 2005, par. 3.3.1 voor een nadere uiteenzetting van deze wetswijziging.
Annotatie van R.J. de Vries bij HR 13 oktober 1999, nr. 34 771, BNB 2000/143.
Popelier 1999a, p. 131.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De aanvang van werking van een nieuwe regel leidt ertoe dat belastingplichtigen die vóór het werkingsmoment handelden, met andere rechtsgevolgen worden geconfronteerd dan belastingplichtigen die hun handeling tot na het werkingsmoment hebben uitgesteld. Bij de behandeling van het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de herziening van de fiscale behandeling van de omzetting van afgewaardeerde vorderingen is dit aspect aan de orde gesteld.1 De leden van de fracties van de VVD en D66 meenden dat er rechtsongelijkheid zou ontstaan tussen ondernemingen die vóór, respectievelijk na de werkingsperiode van art. 12 Wet VPB 1969 (zoals dat luidde vanaf 1 januari 2001) een financiële reorganisatie hebben doorgevoerd. De staatssecretaris van Financiën reageerde hierop als volgt:2
‘Van een rechtsongelijkheid tussen ondernemingen die gedurende de werkingsperiode van artikel 12 van de wet een financiële reorganisatie hebben doorgevoerd en ondernemingen die dat daarvoor hebben gedaan of daarna nog gaan doen, is naar mijn mening geen sprake. Indien regels wijzigen, zijn rechtshandelingen onderworpen aan de regels die gelden ten tijde van die rechtshandeling. Een rechtsongelijkheid kan ik daarin niet herkennen. Daarvan zal veeleer sprake zijn bij een andere gedragslijn.’
Naar mijn mening stelt de staatssecretaris van Financiën hier ten onrechte dat wetswijzigingen als zodanig niet kunnen leiden tot rechtsongelijkheid. Het standpunt van de staatssecretaris is overigens ook in de literatuur verdedigd. Bij een arrest over de afschaffing van de aftrek van geldboeten met onmiddellijke werking vermeldde de annotator:3
‘Deze systematiek geldt voor alle belastingplichtigen, zodat in dit opzicht van rechtsongelijkheid geen sprake is. De fiscale positie van een ondernemer aan wie wegens gepleegde strafbare feiten vóór 1 januari 1991 een boete is opgelegd is nu eenmaal niet gelijk aan de fiscale positie van de ondernemer die zich weliswaar vóór 1 januari 1991 strafbaar heeft gedragen maar ten aanzien van wie ultimo 1990 geen redelijke mate van zekerheid bestaat dat uit de desbetreffende gedragingen toekomstige uitgaven zullen voortspruiten. Belanghebbende deed dan ook naar mijn mening niet (zozeer) een beroep op het gelijkheidsbeginsel maar in wezen op het rechtszekerheidsbeginsel.’
Bij toepassing van het gelijkheidsbeginsel gaat het echter ook om een vergelijking van ongelijke gevallen, welke vergelijking zich in de hiervoor beschreven gevallen aandient (zie ook par. 6.3.2). Belastbare feiten van vóór en ná het werkingsmoment worden naar mijn mening overduidelijk onevenredig ongelijk behandeld. Alleen indien hiervoor een rechtvaardigingsgrond bestaat, is geen sprake van verboden discriminatie. Popelier betoogt in dat kader:4
‘Door de wijziging van een bestaande regeling of de invoering van een nieuwe regeling, wordt steeds een onderscheid gemaakt tussen de rechtssubjecten die nog onder de oude regeling vielen en de rechtssubjecten die voortaan onder de nieuwe regeling vallen. Dat is op zich geen discriminerende behandeling. Het verloop van tijd wordt beschouwd als een objectief gegeven dat een verschil in maatregelen rechtvaardigt.’
Popelier stelt dat er geen discriminerende handeling is, en zoekt de verklaring hiervoor in het tijdsverloop. Zij verwijst hierbij naar jurisprudentie van het Belgische Arbitragehof. Uit de context leid ik af dat Popelier het in casu heeft over een ‘verboden discriminerende handeling’. Naar mijn mening moet de verklaring voor het feit dat een wetswijziging in beginsel niet leidt tot verboden discriminatie eerder worden gezocht in de vraag of de wetgever een legitieme doelstelling heeft bij het veranderen van wetgeving (zie par. 6.3.4.2).
Tussen feiten die zich ná het werkingsmoment voordoen, kan geen ongelijke behandeling ontstaan. Deze feiten vallen namelijk – indien niet in een overgangsmaatregel is voorzien – alle onder de nieuwe regel. Een ongelijke behandeling van gelijke gevallen of onevenredig ongelijke behandeling van ongelijke gevallen kan zich dan niet voordoen, omdat in alle gevallen dezelfde regel van toepassing is.