Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt
Einde inhoudsopgave
Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt (FM nr. 134) 2010/2.7.5:2.7.5 Herziening van de aftrek
Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt (FM nr. 134) 2010/2.7.5
2.7.5 Herziening van de aftrek
Documentgegevens:
dr. S.T.M. Beelen, datum 01-03-2010
- Datum
01-03-2010
- Auteur
dr. S.T.M. Beelen
- JCDI
JCDI:ADS297039:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Europees belastingrecht / Richtlijnen EU
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Art. 11 Uitvoeringsbeschikking OB luidde tot 1 januari 2007 als volgt: ‘De aftrek van de in artikel 15, eerste lid van de wet bedoelde belasting (voorbelasting) geschiedt, ingeval de ondernemer zowel prestaties als bedoeld in artikel 11 van de wet waarvoor geen recht op aftrek van voorbelasting bestaat, als andere prestaties verricht, met inachtneming van het volgende:..’
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een andere opvallende wijziging per 1 januari 2007 betreft de wijziging van art. 15, lid 6, wet. Tot 1 januari 2007 luidde deze bepaling als volgt:
6. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent de aftrek van belasting, ingeval goederen en diensten door de ondernemer mede worden gebezigd anders dan in het kader van zijn onderneming of ten behoeve van prestaties als bedoeld in de artikelen 11 en 28k. Daarbij kan worden bepaald dat het afstoten van goederen welke de ondernemer in zijn bedrijf heeft gebruikt, buiten aanmerking wordt gelaten.
Tot 1 januari 2007 was deze delegatiebepaling uitgewerkt in art. 11 t/m 15, Uitvoeringsbeschikking OB. Daarvan hadden art. 11 t/m 14 betrekking op gemengd gebruik voor belaste en vrijgestelde doeleinden1 en had alleen art. 15 betrekking op de splitsing zakelijk en privégebruik (dit betreft gebruik van een personenauto die een ondernemer mede voor privédoeleinden gebruikt).
Met ingang van 1 januari 2007 luidt art. 15, lid 6, wet als volgt:
6. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent de aftrek van belasting, ingeval goederen en diensten door de ondernemer mede worden gebruikt anders dan voor belaste handelingen of anders dan voor de handelingen, bedoeld in het tweede lid. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent de aftrek van belasting, ingeval een auto door de ondernemer mede wordt gebruikt voor eigen privé-doeleinden. Daarbij kan worden bepaald dat het afstoten van goederen welke de ondernemer in zijn bedrijf heeft gebruikt, buiten aanmerking wordt gelaten.
Ook de tekst van art. 11, Uitvoeringsbeschikking is gewijzigd en luidt nu als volgt:
De aftrek van de in artikel 15, eerste lid van de wet bedoelde belasting (voorbelasting) geschiedt, ingeval de ondernemer zowel handelingen verricht waarvoor recht op aftrek van voorbelasting bestaat als handelingen verricht waarvoor geen recht op aftrek van voorbelasting bestaat, met inachtneming van het volgende:...
Deze nieuwe tekst van art. 11 lijkt de mogelijkheid te openen om de regels van art. 11 t/m 14 niet alleen toe te passen op gemengd belast en vrijgesteld gebruik maar ook op gemengd zakelijk en privégebruik. In de geschiedenis van de totstandkoming van deze nieuwe teksten valt hierover niets terug te vinden. In het commentaar op art. 15, lid 6, wet merkt de redactie van de Vakstudie mijns inziens terecht op:
Gelet op de formulering van art. 173 t/m 175 en 183 t/m 192, richtlijn 2006/112/EG, tot 1 januari 2007 art. 17, vijfde lid, art. 19 en 20 Zesde richtlijn, moet ervan uit worden gegaan dat de in deze bepaling gegeven regels uitsluitend zien op de splitsing van voorbelasting die drukt op door een belastingplichtige in zijn hoedanigheid van belastingplichtige verrichte prestaties.
Ik vraag me dus af of het inderdaad de bedoeling van de wetgever is dat art. 11 Uitvoeringsbeschikking de mogelijkheid geeft om de regels van art. 11 t/m 14 ook toe te passen op gemengd zakelijk en privégebruik.