Zoeken naar zekerheid
Einde inhoudsopgave
Zoeken naar zekerheid (SteR nr. 46) 2019/1.4:1.4 Materiaalverzameling en selectie van respondenten
Zoeken naar zekerheid (SteR nr. 46) 2019/1.4
1.4 Materiaalverzameling en selectie van respondenten
Documentgegevens:
R.W.J. Severijns, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
R.W.J. Severijns
- JCDI
JCDI:ADS180208:1
- Vakgebied(en)
Vreemdelingenrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Boeije 2012, p. 52.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Om dit onderzoek te kunnen verrichten, was medewerking van de IND noodzakelijk. De IND heeft mij toestemming gegeven om diepte-interviews te houden met zesendertig hoor- en beslismedewerkers, verspreid over de locaties Schiphol, Zevenaar en Ter Apel. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in 2014 en 2015. Op alle drie de locaties ben ik steeds gedurende een periode van drie weken de gehele werkdag aanwezig geweest. Voorafgaand aan het interview heb ik eerst steeds de medewerker geobserveerd tijdens het uitvoeren van een eerste of nader gehoor met een asielzoeker. Hiervoor werd uiteraard vooraf ook telkens toestemming gevraagd aan de asielzoeker. Het interview met de IND-medewerker vond aan het einde van dezelfde dag, of één of twee werkdagen later plaats. Dit was afhankelijk van de beschikbaarheid van de IND-medewerker. Op één persoon na, hebben alle hoor- en beslismedewerkers die ik heb benaderd hun medewerking verleend. Geen enkele asielzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen mijn aanwezigheid. Mijn streven bij de selectie van respondenten was om een zo groot mogelijke diversiteit aan respondenten te krijgen. Daarom heb ik per locatie gestreefd naar een goede verdeling naar gender (man of vrouw), ervaring (0-1 jaar ervaring, 1-10 jaar ervaring of meer dan 10 jaar ervaring) en vooropleiding (jurist of niet-jurist). Met een lijst met deze kenmerken ben ik steeds aan het begin van de onderzoeksperiode naar de planafdeling, of de operationeel manager van de locatie gegaan. Om voorselectie door de IND tegen te gaan, nam ik ook een lijst mee met daarop een aantal mogelijke herkomstlanden van asielzoekers en van een type gehoor (eerste of nader gehoor). De selectie van de respondent vond vervolgens plaats door te kijken of er bijvoorbeeld op maandag, een vrouwelijke medewerker, met minder dan een jaar ervaring, stond ingeroosterd voor een eerste gehoor met een asielzoeker uit Eritrea. Als het niet lukte een respondent te vinden die voldeed aan alle criteria, selecteerde ik de respondent die een gehoor had met een asielzoeker uit een land dat zo dicht mogelijk bij mijn eerste keuze lag. Uiteindelijk is het gelukt om bijna alle respondenten op deze manier te selecteren. In twee gevallen heb ik de respondent geselecteerd door ad hoc te kijken of iemand toevallig die dag tijd had, omdat de medewerker wiens gehoor ik die dag eigenlijk zou bijwonen op de dag zelf verhinderd bleek. De twee voormalig medewerkers van de IND heb ik zelf via-via benaderd en geïnterviewd op een openbare locatie. Om de anonimiteit van de respondenten te waarborgen, heb ik de respondenten in de tekst voorzien van een nummer, met een code voor de locatie waar zij werkzaam zijn. Daarbij staat ‘S’ voor Schiphol, ‘Z’ voor Zevenaar, ‘T’ voor Ter Apel en ‘E’ voor ex-medewerker.
De interviews namen tussen de één uur en vijftien minuten tot twee en een half uur in beslag en vonden plaats in de IND-kantoren. Voor alle interviews gebruikte ik deels dezelfde vragenlijst. Ik heb de groep respondenten in vier groepen verdeeld en iedere respondent in meer detail gevraagd over de vaststelling van één van de volgende vier type feiten, namelijk: 1) de vaststelling van innerlijke processen en overtuigingen van de asielzoeker, 2) de herkomst van de asielzoeker, 3) het behoren tot een risicogroep of kwetsbare minderheid, en 4) medische omstandigheden. De interviews zijn opgenomen, letterlijk uitgewerkt en ter commentaar voorgelegd aan de respondenten. Vervolgens zijn de interviews geanonimiseerd. Slechts één respondent heeft me verzocht om één passage te schrappen omdat zij bezorgd was de passage tot haar persoon herleidbaar zou zijn. De passage ging over een concreet voorbeeld met een aantal zeldzame specifieke kernmerken. Andere medewerkers hebben uitspraken gedaan met een vergelijkbare strekking als van die passage met gebruik van minder specifiek te herleiden voorbeelden, dus dit schrappen heeft geen invloed gehad op mijn uitkomsten. De citaten die ik in dit boek gebruik, zijn zoveel mogelijk letterlijk overgenomen. Alleen als ik het noodzakelijk vond voor de leesbaarheid van het citaat heb ik de zinsconstructie aangepast en taalfouten verbeterd. Ook heb ik soms details weggelaten, om herleidbaarheid tot een specifieke respondent of asielzoeker te voorkomen.
De observaties die ik tijdens de gehoren heb gedaan, heb ik niet structureel geanalyseerd maar steeds gebruikt tijdens de interviews om het risico op sociaal wenselijke antwoorden te verminderen. Tijdens de interviews heb ik de IND-medewerkers zoveel mogelijk gevraagd concrete voorbeelden te geven en waar het kon heb ik verwezen naar concrete situaties tijdens het gehoor dat ik had bijgewoond. Door een dag lang op te trekken met de hoor- en beslismedewerkers alvorens hen te interviewen, leken zij zich tijdens het interview - voor zover ik dat heb kunnen inschatten- op hun gemak te voelen.
Op één uitzondering na, heb ik mij niet bemoeid met het verloop van de gehoren. Eén keer heb ik namelijk een feitelijke correctie gesuggereerd aan een IND-medewerker, omdat ik zag dat hij in zijn computer een andere plaatsnaam invoerde dan de asielzoeker noemde. Deze suggestie werd door de IND-medewerker overgenomen. Ik heb niet met de respondenten van gedachten gewisseld over het verloop van het gehoor of de inhoud van de beslissing die hij dacht te gaan nemen tot in het interview. Mijn eigen observaties gaf ik pas, in de spaarzame gevallen als de IND-medewerker hierom vroeg, na afloop van het interview.
Het aantal interviews is te klein om representatieve uitspraken te doen over de frequentie van gedrag, of de frequentie waarmee een bepaalde verantwoording voor dat gedrag binnen de IND voorkomt. Het aantal interviews is wel groot genoeg om gefundeerde uitspraken te doen over de verscheidenheid aan soorten gedrag en rechtvaardigingen voor dat gedrag in kaart te brengen. Tegen het einde van het onderzoek, kreeg ik geen nieuwe antwoorden meer op de interviewvragen waaruit ik heb opgemaakt dat het verzadigingspunt was bereikt.1