Einde inhoudsopgave
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/2.2.3.4
2.2.3.4 Criminele middelen
mr. E.A.J. Nab, datum 12-01-2023
- Datum
12-01-2023
- Auteur
mr. E.A.J. Nab
- JCDI
JCDI:ADS715426:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook: De Jong 1989b, p. 174. Zie ook de functionele benadering van het bestemdheidscriterium Van der Schors (Van der Schors 2022, p. 295-296). Vgl. Mill 1859, p. 172: “If poisons were never bought or used for any purpose except for the commission of murder, it would be right to prohibit their manufacture and sale. They may, however, be wanted not only for innocent but for useful purposes and restrictions cannot be imposed in the one case without operating in the other.”
Fletcher 2000, p. 150.
Rutgers 1992, p. 287.
Smith 2003, p. 202.
Sorell 2017, p. 714-715. De toets van Sorell is iets breder dan die uit het Groninger HIV-arrest, omdat het bij Sorell gaat om gedragingen die behulpzaam kunnen zijn in het veroorzaken van strafbare gevolgen, terwijl het bij de Hoge Raad gaat om gedragingen die rechtstreeks geschikt zijn om strafbare gevolgen te veroorzaken.
Holmes 1882, p. 68-69.
Zie artikel 214 Sr. Zie ook: De Jong 1989b, p. 184-185.
Holmes 1882, p. 67 en 69.
Koops & Prins 2004, par. 2.1.
HR 17 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9358 (Handleiding). In deze zaak had de verdachte ruim voldoende tijd om afstand te doen van de brief. Dat deze zaak uiteindelijk is stukgelopen, komt dan – in lijn met wat bijvoorbeeld Buruma en Reijntjes betogen – niet door een gebrek aan de objectieve zijde, maar door een gebrek aan de subjectieve zijde van het delict (Buruma 2006, p. 816-817; Reijntjes 2004, par. 1). Toch lijkt de Hoge Raad niet alleen een probleem te zien in het opzet van de dader, maar ook aan de objectieve zijde van het delict. De Hoge Raad stelde immers dat zowel het handelen als het opzet van de verdachte niet strekte ter voorbereiding van een misdrijf (zie ook: Sikkema 2012, p. 36). Dat zou kunnen komen doordat de brief weliswaar naar zijn aard een criminele bestemming had, maar dat het gebruik (of het gebrek daaraan) van de brief niet was gericht op de voorbereiding van een misdrijf (Sikkema 2012, p. 36). De bestemming heeft dan een objectieve en een subjectieve component, waarbij de objectieve component bestaat uit de uiterlijke verschijningsvorm en het gebruik van de voorbereidingsmiddelen en de subjectieve component uit het misdadige doel dat de verdachte met de middelen voor ogen had (Sikkema 2012, p. 35-36). Beide objectieve eisen (uiterlijke verschijningsvormen en gebruik) zouden vanuit liberaal oogpunt bij voorkeur cumulatief gelden, om te voorkomen dat het opzetvereiste de enige beperking van strafbaarheid wordt. Sikkema wil de drie vereisten zelf echter niet als cumulatief zien, maar als communicerende vaten (Sikkema 2012, p. 40-41).
Zie het recent ingevoerde artikel 240c Sr (Kamerstukken II 2021/22, 35991, nr. 2 en 3). Zie ook: Simester & Von Hirsch 2011, p. 85. Dit voorbeeld toont ook mooi aan dat ook hier de mate waarin concreet wordt omschreven om welk middel het gaat relevant is. Het aanschaffen van boeken in het algemeen is bijvoorbeeld niet crimineel van aard.
Simester & Von Hirsch 2011, p. 84.
HR 9 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1503, r.o. 3.4.2.
HR 9 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1503, r.o. 3.4.2; HR 20 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ0213 (Samir A.), r.o. 3.7; Concl. A-G E.J. Hofstee, ECLI:NL:PHR:2015:1513, bij HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2015:2299, par. 4.8. De zinsnede “ten tijde van het handelen” slaat daarbij ofwel tevens op de voorbereidingsfase zelf, in welk geval onduidelijk is waar de zaak met de telefoon (zie daarover hierna §2.2.3.5) op stuk liep, ofwel de Hoge Raad meende dat de plattegrond ook tijdens het delict zou worden gebruikt, maar dat blijkt nergens uit zijn overwegingen.
Vgl. het onderscheid dat Van der Schors maakt tussen de temporele en functionele interpretatie van het bestemmingsvereiste (Van der Schors 2022, p. 295-296).
Ten Voorde 2012b, p. 82-83.
Vgl. Buruma 2006, p. 817; Rutgers 1992, p. 287.
HR 19 maart 1934, ECLI:NL:HR:1934:198, NJ 1934/450 (Eindhovense brandstichting). De Hoge Raad was daar kritisch over, omdat ook veel voorbereidingshandelingen aan die definitie zouden kunnen voldoen.
De redenering dat deze grens door de tijd heen kan veranderen, is vanuit liberaal oogpunt in ieder geval onaanvaardbaar: om staatsmacht voldoende in te kunnen perken moet gevaar een objectief begrip zijn. Vgl. Ten Voorde 2012b, p. 70; Hazewinkel-Suringa/Remmelink 1996, p. 98-99.
Feinberg 1984, p. 191.
Dit oudere criterium brengt mijns inziens beter tot uitdrukking dat het in de liberale benadering om een objectieve kans moet gaan dan het moderne criterium van een “kans die naar algemene ervaringsregels als aanmerkelijk is te achten.” Anders dan naar de huidige rechtspraak van de Hoge Raad over het aanmerkelijke kansbegrip het geval is, moet dit criterium binnen de liberale benadering in beginsel in een vast percentage uit te drukken zijn.
Simester & Von Hirsch 2011, p. 84. Vgl. ook: Van der Schors 2022, p. 295-296.
Simester & Von Hirsch 2011, p. 55.
Simester & Von Hirsch 2011, p. 65 en 83.
Simester & Von Hirsch 2011, p. 84.
Een eerste afbakening waaraan kan worden gedacht, is die van middelen die (primair) crimineel van aard zijn. Bepaalde middelen zijn naar hun aard weliswaar niet gevaarlijk, maar zijn wel enkel of vooral nuttig in relatie tot een strafbaar feit.1 Denk aan vervalste sleutels of identiteitsbewijzen, bepaalde soorten messen en vuurwapens, geluidsdempers, boksbeugels of een handgetekende plattegrond van de kluis van een bankgebouw. Het bezit van dergelijke middelen kan tot op zekere hoogte bijdragen aan de voorzienbaarheid dat de bezitter een strafbaar feit zal plegen. Het bestemmingscriterium bij voorbereiding moet dan – in lijn met de memorie van toelichting – zo worden begrepen dat het vereist dat de criminele aard van het middel in het oog springt voor de gemiddelde rechtsgenoot, mede gelet op de omstandigheden waaronder de middelen worden gebruikt en aangetroffen.2 De objectieve bestemming van het middel staat dan nog altijd los van de – door de gemiddelde rechtsgenoot immers niet waarneembare – subjectieve intentie van de actor.3 Het voorhanden hebben van een hamer kan dan als zodanig nooit een voorbereidingshandeling zijn, zelfs als vaststaat dat de dader er een moord mee wil plegen, omdat iemand die een hamer in huis heeft, niet in het oog springt.4 Deze benadering, waarbij de criminele bestemming van een middel uit de aard van dat middel zelf moet blijken, sloot ook goed aan bij het – inmiddels uit artikel 46 Sr geschrapte – kennelijkheidsvereiste.5 Zij ligt bovendien ook in het verlengde van het vereiste van de ‘uiterlijke verschijningsvorm’ bij poging.6
Ook Sorell meent dat het kenmerkende aan een voorbereidingshandeling niet zozeer is dat deze behulpzaam moet zijn voor het voor het verrichten van gedragingen in het algemeen, maar dat deze specifiek behulpzaam moet zijn voor het verrichten van een strafbaar feit.7 Allerlei alledaagse middelen – denk aan touw, lucifers, een mobiele telefoon of een auto – zijn weliswaar potentieel nuttig bij het plegen van een misdrijf, maar zijn evenzeer (zo niet meer) geschikt om allerlei alledaagse, niet-strafbare gedragingen te verrichten, zodat uit het bezit daarvan nog geen waarschijnlijkheid van schadelijke gevolgen voortvloeit.8 Een functionerende geldpers in de kelder van een willekeurige burger heeft – in ieder geval op het eerste gezicht – geen enkele denkbare legale functie, zodat het voorhanden hebben daarvan zonder al te veel liberale bezwaren kan worden verboden.9 Er is immers eigenlijk maar één voor de hand liggende causale keten denkbaar die vandaaruit kan ontstaan en die keten leidt tot schadelijke gevolgen. In die zin draagt het enkele bezit van een geldpers al bij aan de waarschijnlijkheid dat een strafbaar feit zal worden gepleegd.10 Omgekeerd geldt bovendien ook dat het voorhanden hebben van een functionerende geldpers een conditio sine qua non is voor het vervalsen van geld. In vergelijkbare zin is het verspreiden van hackerssoftware (artikel 32a van de Auteurswet) bijvoorbeeld ook slechts strafbaar als de software uitsluitend is bestemd om beveiliging te doorbreken, zodat het voorhanden hebben van software die meerdere doeleinden heeft niet strafbaar is.11 Op diezelfde manier kunnen bijvoorbeeld ook het bezit van een brief met actuele instructies voor het plegen van een overval op een geldtransportauto12, het aanschaffen van een handboek met instructies en tips voor het ongemerkt seksueel misbruiken van minderjarigen13 en het bezit van een vlammenwerper14 strafbaar worden gesteld, zonder dat dat op al te veel liberale bezwaren hoeft te stuiten.
Anders dan bij de hieronder in §2.2.3.5 nog te bespreken alledaagse middelen zoals mobiele telefoons, lijkt de Hoge Raad bij primair criminele middelen (begrijpelijkerwijs) ook betrekkelijk eenvoudig aan te nemen dat het middel bestemd is voor gebruik tijdens het delict. Zo ging de Hoge Raad niet mee in het betoog van A-G Hofstee dat een handgetekende plattegrond van een casino slechts een voorbereidingsmiddel voor het plegen van een overval kan zijn als de plattegrond niet enkel tijdens de voorbereiding, maar ook tijdens de overval zelf zou worden gebruikt.15 Wat volgens de Hoge Raad volstaat, is dat de plattegrond “naar zijn uiterlijke verschijningsvorm ten tijde van het handelen dienstig kan zijn voor het misdadige doel dat de verdachte en een ander met het gebruik van de plattegrond voor ogen hadden”.16 Met de zinssnede ‘ten tijde van het handelen’ laat de Hoge Raad in dit arrest – kennelijk opzettelijk – in het midden of het nu gaat om handelen tijdens de voorbereiding of handelen tijdens de uitvoering. Voor beide standpunten valt iets te zeggen. Dat de plattegrond tijdens de voorbereiding nuttig was, is evident. Maar het arrest kan ook zo worden begrepen dat de informatie uit de plattegrond ook tijdens de uitvoering nuttig zou zijn, los van de vraag of de plattegrond op dat moment fysiek aanwezig zou zijn.17
Het vereiste dat een middel enkel nuttig is in relatie tot een strafbaar feit, is echter zeer (en voor de meeste juristen vermoedelijk: te) streng. Van sommige van de voorgenoemde voorwerpen valt wellicht nog vol te houden dat zij enkel illegale doeleinden hebben (bijvoorbeeld het handboek met instructies voor het seksueel misbruiken van minderjarigen), maar veruit de meeste voorwerpen zijn naast illegale doeleinden ook nuttig voor legale doeleinden. Zelfs sommige vuurwapens zijn (mede) nuttig ten behoeve van bijvoorbeeld de legale jacht. Het ligt daarom op het eerste gezicht meer voor de hand om, met Ten Voorde, de lat iets lager te leggen en na te gaan of een voorwerp primair of voornamelijk voor legitieme doeleinden is ontworpen.18 De conclusie zal dan zijn dat voor een doorsnee burger de aankoop van een slagersmes of een hamer naar uiterlijke verschijningsvorm niet is gericht op een strafwaardig gevolg, terwijl de aankoop van een vuurwapen dat veel sneller wel is.19 Hamers en slagersmessen zijn weliswaar ook geschikt om een moord mee te plegen, maar zijn primair ontworpen om respectievelijk spijkers mee vast te slaan en plakjes worst mee te snijden. Vuurwapens zijn daarentegen primair ontworpen om mee te doden. Ook kan zo betrekkelijk eenvoudig onderscheid worden gemaakt tussen een broodmes en een vlindermes; beide messen zijn objectief wellicht even gevaarlijk, maar een vlindermes is zodanig ontworpen dat het veel geschikter is voor gebruik in een criminele context dan een doorsnee broodmes.
Het nadeel van deze benadering is dat ze al snel leidt tot een discussie over de vraag in hoeverre een middel ‘primair’ bedoeld moet zijn voor crimineel gebruik. In het Eindhovense brandstichtingsarrest hanteerde het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch bijvoorbeeld het criterium dat de pogingsgedraging “op niets anders gericht [moest] zijn” dan het beoogde misdrijf.20 Dat zou een 100% criminele gedraging vereisen, maar daarbij ging het ook nog om poging. Volstaat nu bij voorbereiding het bezit van een middel dat voor 51% – en in die zin ‘primair’ – is ontworpen voor criminele doeleinden? De kans op schade mag op grond van het voorgaande evident niet te klein zijn, maar een exacte grens is lastig vast te stellen.21 Feinberg lijkt bijvoorbeeld voor minimaal 50% te willen pleiten, maar licht dat percentage niet nader toe.22 Omgekeerd lijkt het aanmerkelijke kans-criterium, dat in de context van voorwaardelijk opzet is ontwikkeld, op het eerste gezicht te beperkt. Het zou dan moeten gaan om een geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans dat het middel voor een crimineel doel zou worden gebruikt.23 Wel is dat in ieder geval méér dan een (theoretische) mogelijkheid; er moet sprake zijn van een zekere waarschijnlijkheid. Zelfs als dit criterium als ondergrens zou worden gehanteerd, blijft het probleem of in de praktijk wel kan worden vastgesteld of een bepaald middel aan die toets voldoet. Het centraal stellen van de criminele aard van bepaalde middelen leidt immers wederom tot een glijdende schaal, waarbij een bivakmuts bijvoorbeeld mogelijk nog net primair crimineel van aard is en een koevoet of portofoon net niet (of omgekeerd).24
Een belangrijke overweging vanuit liberaal oogpunt bij dit alles is in ieder geval in hoeverre het verbod inbreuk maakt op de (keuze)vrijheid van de burger.25 Zelfs als middelen primair door criminelen worden gebruikt, blijft het liberale uitgangspunt immers de vrijheid van de burger. Dat anderen op schadelijke wijze van een middel gebruikmaken, rechtvaardigt op zichzelf nog geen inbreuk op de vrijheden van burgers die het middel wél rechtmatig gebruiken.26 Bovendien moet worden opgepast dat de criminele aard van middelen niet te veel wordt afgeleid uit wat in een bepaalde samenleving een gebruikelijk nut voor het middel is. In een samenleving waarin contant betalen bijvoorbeeld weinig meer voorkomt, is de aanwezigheid van een grote hoeveelheid contant geld bijvoorbeeld sneller verdacht. De vraag is echter nadrukkelijk niet of een middel in de praktijk vooral wordt gebruikt door criminelen, maar of het middel naar zijn aard is ontworpen voor gebruik door criminelen.27 Dat is bij contant geld uiteraard niet het geval. Ter illustratie kan ook worden gewezen op technologieën zoals (zware) encryptie en cryptovaluta, die in de praktijk wellicht ook meer worden gebruikt door criminelen dan door de gemiddelde burger, maar die daar eveneens niet primair voor zijn ontworpen.