Einde inhoudsopgave
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/8.8.3
8.8.3 Vordering tot uitkoop
mr. P.H.M. Broere, datum 12-05-2022
- Datum
12-05-2022
- Auteur
mr. P.H.M. Broere
- JCDI
JCDI:ADS652182:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
OK 21 februari 2017 (r.o. 2.7), ARO 2017/84 (Xeikon).
OK 18 december 2018 (r.o. 2.19), JOR 2019/104, m.nt. D.J.F.F.M. Duynstee (Xeikon).
OK 18 december 2018 (r.o. 2.22), JOR 2019/104, m.nt. D.J.F.F.M. Duynstee (Xeikon).
OK 6 februari 2018, JOR 2018/94, m.nt. M.W. Josephus Jitta; Ondernemingsrecht 2018/62, m.nt. P.H.M. Broere (Xeikon), verbeterd bij OK 6 april 2018, ARO 2018/86 (Xeikon), en deels vernietigd bij HR 19 juli 2019, NJ 2019/335; JOR 2019/273, m.nt. R.M. Hermans; Ondernemingsrecht 2019/165, m.nt. P.H.M. Broere (Xeikon).
OK 18 december 2018 (r.o. 2.24), JOR 2019/104, m.nt. D.J.F.F.M. Duynstee (Xeikon).
OK 18 december 2018 (r.o. 2.25), JOR 2019/104, m.nt. D.J.F.F.M. Duynstee (Xeikon).
OK 18 december 2018 (r.o. 2.26), JOR 2019/104, m.nt. D.J.F.F.M. Duynstee (Xeikon).
Duynstee (onder 12) in zijn annotatie bij OK 18 december 2018, JOR 2019/104 (Xeikon). Zie ook Salemink (onder 10) in zijn annotatie bij OK 5 juli 2016, JOR 2016/271 (Sirowa); Duynstee & De Smet 2017, p. 200-203.
Zie ook Duynstee & De Smet 2017, p. 203-204; Josephus Jitta 2020c, p. 75 en p. 79-80; Danismant 2020, p. 100-102 en p. 106; Van Vught 2020b, p. 304-307.
Ook de uitkoopprocedure kan onder omstandigheden een alternatieve manier voor schadeverhaal vormen voor de minderheidsaandeelhouder. Illustratief daartoe is Xeikon, waarin een enquêteprocedure en uitkoopprocedure samenliepen. De uitkoopprocedure hield de Ondernemingskamer aan in verband met de grote mate van overlap tussen de in de enquêteprocedure en uitkoopprocedure aan de orde zijnde kwesties, en het belang van de uitkomst van de enquêteprocedure voor de uitkoopprocedure en de daarin te benoemen deskundige.1
Volgens de Ondernemingskamer kan bij de vaststelling van de uitkoopprijs, in het bijzonder de redelijkheid daarvan, rekening worden gehouden met het door de Ondernemingskamer in de enquêteprocedure vastgestelde wanbeleid, voor zover dit van belang is voor de waarde van de aandelen op de peildatum. Dat laatste is volgens de Ondernemingskamer in het bijzonder het geval indien kan worden aangenomen dat Xeikon als gevolg van het wanbeleid schade heeft geleden en derden (waaronder (voormalige) bestuurders en commissarissen moeten worden begrepen) op de peildatum jegens Xeikon waren gehouden tot vergoeding van die schade.2 In Xeikon trok de Ondernemingskamer hiertoe een parallel met de ratio van de billijke verhoging van art. 2:343 lid 4 BW (par. 8.8.4).3
In de enquêteprocedure stelde de Ondernemingskamer wanbeleid vast bij Xeikon.4 Daaruit volgt volgens de Ondernemingskamer in de uitkoopprocedure dat in voldoende mate vaststaat dat Xeikon als gevolg van dit wanbeleid schade heeft geleden. Zij overweegt:
‘Weliswaar staat met de vaststelling van wanbeleid en de aanwijzing van degenen die daarvoor verantwoordelijk zijn, civielrechtelijke aansprakelijkheid van betrokkenen niet vast, maar dat doet er niet aan af dat op grond van de inhoud van de wanbeleidbeschikking (…) voldoende aannemelijk is dat op de in deze procedure te hanteren peildatum (…) tot het vermogen van Xeikon vorderingen behoorden op derden, onder wie (voormalige) bestuurders, tot vergoeding van die schade.’5
Verderop in haar uitkooparrest overweegt de Ondernemingskamer:
‘Het zou naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn die vorderingen niet bij de waardering te betrekken om de enkele reden dat Xeikon (vooralsnog) heeft nagelaten de desbetreffende vorderingen daadwerkelijk in te stellen tegen haar (voormalige) bestuurders of anderen, omdat aangenomen moet worden dat aan dat nalaten motieven ten grondslag liggen die de belangen van minderheidsaandeelhouders van Xeikon veronachtzamen.’6
Vervolgens schat de Ondernemingskamer de waarde van de bedoelde vorderingen ten behoeve van het deskundigenbericht, waarbij zij in aanmerking neemt dat zij met de wijze waarop in de uitkoopprocedure rekening wordt gehouden met (de gevolgen van) het vastgestelde wanbeleid, niet beoogt de uit te kopen minderheidsaandeelhouders volledig te compenseren voor mogelijk door hen of hun rechtsvoorgangers geleden schade. Beoogd wordt volgens de Ondernemingskamer slechts de gevolgen van het wanbeleid in zodanige mate te verdisconteren in de uitkoopprijs dat deze kan worden aangemerkt als redelijke en reële vergoeding. Een en ander doet volgens de Ondernemingskamer ook geen afbreuk aan de mogelijkheid van de minderheidsaandeelhouder door te procederen ter vergoeding van geleden schade.7
Duynstee heeft er terecht op gewezen dat minderheidsaandeelhouders op deze manier de facto aanspraak kunnen maken op de vergoeding van (afgeleide) schade. Een hogere uitkoopprijs kan worden bewerkstelligd, zonder dat een aparte procedure nodig is, waarin discussie kan ontstaan over het leerstuk van afgeleide schade, verjaring of causaliteit.8 De Ondernemingskamer legt bovendien wel erg gemakkelijk een brug tussen wanbeleid en aansprakelijkheid. De Ondernemingskamer oordeelt niet over aansprakelijkheid, maar verbindt wel gevolgen aan het wanbeleid die dicht in de buurt komen van aansprakelijkheid. De minderheidsaandeelhouder krijgt een premie bovenop de uitkoopprijs (een soort schadevergoeding), zonder dat de aanspraak op schadevergoeding reeds in een procedure voor de civiele rechter is vastgesteld.9 Bovendien laat de Ondernemingskamer de mogelijkheid open voor minderheidsaandeelhouders in een aparte aansprakelijkheidsprocedure aanvullend verhaal te zoeken.