Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/VII.3.2.4
VII.3.2.4 De invloed van een taakverdeling op de vaststelling van aansprakelijkheid
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242691:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
HR 10 januari 1997, NJ 1997, 360 m.nt. Maeijer (Staleman/Van de Ven).
Wet van 6 juni 2011 tot wijziging van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de aanpassing van regels over bestuur en toezicht in naamloze en besloten vennootschappen, Stb. 2011, 275. De inwerkingtreding op 1 januari 2013 volgt uit het Besluit van 4 oktober 2012, gepubliceerd in Stb. 2012, 455.
De tekst van het oude art. 2:9 BW luidde als volgt: “Elke bestuurder is tegenover de rechtspersoon gehouden tot een behoorlijke vervulling van de hem opgedragen taak. Indien het een aangelegenheid betreft die tot de werkkring van twee of meer bestuurders behoort, is ieder van hen voor het geheel aansprakelijk terzake van een tekortkoming, tenzij deze niet aan hem is te wijten en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden.”
Onder anderen Van Schilfgaarde 1986, p. 17-18; Wezeman 1998, p. 71-72; en recenter Strik 2010, p. 87-92.
Onder anderen Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009, nr. 445; Dortmond 2000, p. 67-70; Huizink, NV 1997, afl. 12, p. 333-335; en Van den Ingh, Ondernemingsrecht 2000, afl. 6, p. 142.
Boschma e.a. 2018, p. 30. Idem onder anderen Bulten 2012, p. 13, 15 en 16-17; Handboek 2013/257, p. 561; Schild & Timmerman, WPNR 2014/7011, p. 270-271; en Strik 2010, p. 19 en 133-134.
Zie onder meer Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 3, p. 8-9 (MvT); en Kamerstukken I 2010/11, 31 763, C, p. 5 en 15 (MvA).
Zie HR 10 januari 1997, NJ 1997, 360 (Staleman/Van de Ven). Dit arrest is nog altijd relevant. Zoals gezegd, is art. 2:9 BW met de inwerkingtreding van de Wet bestuur en toezicht niet inhoudelijk gewijzigd.
Strik 2010, p. 18-19 en 134. In dezelfde zin ook Dortmond 2000, p. 71; Van den Ingh, Ondernemingsrecht 2000, afl. 6, p. 142; en Maeijer, NJ 1997, 360 in zijn annotatie onder HR 10 januari 1997 (Staleman/Van de Ven). Voor de volledigheid wijs ik erop dat de taakverdeling onder omstandigheden ook relevant kan zijn voor het vestigen van aansprakelijkheid.
Zoals hiervoor gemeld, meen ik dat het ernstig verwijt ook thans een rol speelt in de fase waarin collectieve aansprakelijkheid wegens onbehoorlijk bestuur moet worden vastgesteld. Noemenswaardig is dat uit het arrest Staleman/Van de Ven volgt dat ‘de taakverdeling binnen het bestuur’ een relevante omstandigheid is bij de beantwoording van de vraag of de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt.1 Een interessante vraag is dan ook wat de gevolgen van een taakverdeling zijn voor de vaststelling van collectieve aansprakelijkheid. Kan de niet-uitvoerende bestuurder hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld indien het onbehoorlijke bestuur een aan een uitvoerend bestuurder toebedeelde taak betrof?
Zoals ik in § V.1 al schreef, is het huidige art. 2:9 BW sinds de inwerkingtreding van de Wet bestuur en toezicht van kracht.2 In de oude redactie van art. 2:9 BW werd niet het begrip ‘taakverdeling’, maar het begrip ‘werkkring’ gehanteerd.3 In de literatuur verschilde men van mening over de inhoud en reikwijdte van deze term. Onzeker was of een bestuurder aansprakelijk kon worden gesteld wegens onbehoorlijk bestuur voor zaken die niet tot zijn werkkring behoorden. Verschillende auteurs leidden uit de tekst van het oude art. 2:9 BW af dat een bestuurder niet hoofdelijk aansprakelijk gesteld kon worden voor zaken die niet tot zijn werkkring behoorden.4 Anderen meenden juist dat de aansprakelijkheid van het oude art. 2:9 BW collectief van aard was.5
De vraag komt op of de huidige formulering van art. 2:9 lid 2 BW licht heeft gebracht in deze duisternis. In navolging van Boschma e.a. beantwoord ik deze vraag bevestigend.6 Het huidige art. 2:9 lid 2 BW moet zo worden uitgelegd dat een taakverdeling slechts gevolgen kan hebben voor de individuele aansprakelijkheid van de bestuurder. De niet-uitvoerende bestuurder kan zich in de daaraan voorafgaande fase van het vaststellen van aansprakelijkheid dus niet met succes verschuilen achter zijn beperkte taak. Dit volgt zoals gezegd ook uit de wetsgeschiedenis, waarin de minister meermalen benadrukte dat een taakverdeling louter een rol kan spelen in de disculpatiediscussie.7 De verschillende posities van de uitvoerende en de niet-uitvoerende bestuurders zijn derhalve niet relevant voor het vestigen van aansprakelijkheid.
Deze opvatting is mijns inziens in lijn met de jurisprudentie van de Hoge Raad op basis van het oude art. 2:9 BW. Ik wijs met name op het arrest Staleman/Van de Ven. De term ‘ernstig verwijt’ wordt door de Hoge Raad gekoppeld aan de vraag of een bestuurder op grond van art. 2:9 BW aansprakelijk is. De Hoge Raad maakt geen duidelijk onderscheid tussen de vaststelling van collectieve aansprakelijkheid wegens onbehoorlijk bestuur en de disculpatie van individuele bestuurders.8 Met Strik meen ik dat de catalogus van omstandigheden uit Staleman/Van de Ven enerzijds bestaat uit omstandigheden die zien op de behoorlijkheid van de taakuitoefening en anderzijds uit omstandigheden die betrekking hebben op de individuele disculpatie. De ‘taakverdeling binnen het bestuur’ behoort tot de tweede rubriek.9