Einde inhoudsopgave
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/6.3.3.1
6.3.3.1 Bewijslevering en bewijswaardering
mr. F. Veenstra, datum 28-10-2010
- Datum
28-10-2010
- Auteur
mr. F. Veenstra
- JCDI
JCDI:ADS469165:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Beukers 1994, p. 59-60.
Aldus Asser 2004, p. 31.
Asser 2004, p. 32. Asser merkt op dat het begrip bewijskracht in dit verband betrekking heeft op de intrinsieke bewijswaarde van het bewijsmiddel.
Conclusie (overweging 2.6) van A-G Langemeijer bij HR 16 oktober 1998, NJ 1999, 7. Vergelijk HR 14 november 2003, LJN AK4841, r.o. 3.3.3.
HR 16 oktober 1998, NJ 1999, 7, r.o. 3.5.
Stein/Rueb 2009, p. 149. In soortgelijke zin: A-G Hartkamp in de conclusie (overweging 7) bij HR 19 mei 1995, NJ 1995, 648 (m.nt. Brunner); A-G Langemeijer in de conclusie (overweging 2.5) bij HR 16 oktober 1998, NJ 1999, 7.
Zie hierover verhelderend Hermans 2003, p. 119-122.
Ingevolge art. 278 lid 1 Rv dient het verzoekschrift een duidelijke omschrijving te bevatten van het verzoek en de gronden waarop het berust.
201. Ingevolge art. 150 Rv draagt de partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten, de bewijslast van die feiten of rechten, tenzij uit enige bijzondere regel of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit. Het bewijs kan worden geleverd door alle middelen, tenzij de wet anders bepaalt (art. 152 lid 1 Rv). Het leveren van bewijs heeft tot doel de rechter te overtuigen: de betrokken partij bewerkstelligt dat de rechter het te bewijzen feit als vaststaand beschouwt en aan zijn beslissing ten grondslag kan leggen.1 De waardering van het bewijs is aan het oordeel van de rechter overgelaten, tenzij de wet anders bepaalt (art. 152 lid 2 Rv). Bij de vrije waardering van het bewijs zal de rechter letten op de bewijskracht (hetgeen vooral inhoudt: de overtuigende kracht) van de bewijsmiddelen.2 Asser benadrukt dat lid 2 de rechter vrijlaat om zelf te bepalen of en zo ja, in hoeverre hij zich door de gepresenteerde bewijsmiddelen laat overtuigen van de waarheid van het te bewijzen feit. Vergelijk in soortgelijke zin advocaat-generaal Langemeijer: ‘Vooropgesteld kan worden dat de rechter die over de feiten oordeelt vrij is in het selecteren en wegen van bewijsmiddelen. Die vrijheid brengt mee dat de rechter het ene bewijsmiddel, als zijns inziens van belang, naar voren kan halen en het andere bewijsmiddel, als zijns inziens irrelevant, kan laten liggen, zoals de rechter ook de ene getuige overtuigender kan vinden dan de andere.’3 Hoewel het bewijsoordeel feitelijk van aard is, heeft te gelden – het betreft vaste jurisprudentie van de Hoge Raad – dat ‘ook ten aanzien van het oordeel of het bewijs is geleverd, het grondbeginsel van een behoorlijke rechtspleging [geldt] dat elke rechterlijke beslissing tenminste zodanig moet worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geeft in de aan haar ten grondslag liggende gedachtengang om de beslissing zowel voor partijen als voor derden – in geval van openstaan van hogere voorzieningen: de hogere rechter daaronder begrepen – controleerbaar en aanvaardbaar te maken.’4
Tot de ‘gepresenteerde’ bewijsmiddelen kan behoren een eerder gewezen vonnis of beschikking. Weliswaar wordt – in de woorden van Rueb – de vraag naar de bewijskracht van eerdere rechterlijke uitspraken ‘overschaduwd’ door het gezag van gewijsde. Bedacht dient echter te worden dat uitspraken alleen gezag van gewijsde kunnen hebben in een volgend geding tussen ‘dezelfde partijen’: ‘Wordt een vonnis door of tegen derden gebruikt, heeft het gezag van gewijsde geen betekenis. Aangezien het wetboek geen bijzondere voorschriften behelst over de bewijskracht van vonnissen van de burgerlijke rechter, geldt dan de hoofdregel van de vrije bewijskracht (art. 152 lid 2 Rv).’5 Het onderzoeksverslag in de enquêteprocedure – het betreft een onderhandse akte als bedoeld in art. 156 lid 1 Rv – vervult eveneens de functie van bewijsmiddel.6 Bijzonder is dat de Ondernemingskamer ambtshalve moet toet-sen of het bewijs (voor wanbeleid dan wel verantwoordelijkheid voor een onjuist beleid) in het verslag te vinden is. Dit geldt ook indien de feiten of rechten die door de verzoeker zijn gesteld, door de verweerder niet of niet voldoende zijn betwist (vergelijk art. 149 Rv). De waardering van het bewijs is aan de Ondernemingskamer overgelaten (art. 152 lid 2 Rv). Uitgangspunt daarbij is dat het onderzoeksverslag geen dwingende bewijskracht heeft (vergelijk art. 151 lid 1 Rv). Het voorgaande betekent niet dat verzoeker kan volstaan met een verwijzing naar het onderzoeksverslag. Hij dient, zo benadrukt advocaat-generaal Timmerman met een beroep op art. 278 Rv7, uiteen te zetten welke de gronden zijn voor wanbeleid c.q. onjuist beleid en (eventueel) op grond waarvan de functionarissen verantwoordelijk zijn. Aldus wordt niet alleen het verdedigingsbeginsel gediend, maar ook de ontwikkeling van een partijdebat en daarmee van een goede oordeelsvorming. 8