Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/II.5.6.4.1
II.5.6.4.1 Persoon van de bewindvoerder
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS622311:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Tot bewindvoerder kan overigens een ieder worden benoemd, behoudens de personen genoemd in art. 4:157 lid 2 BW (‘Handelingsonbekwamen, zij van wie een of meer goederen onder een bewind als bedoeld in titel 19 van Boek 1 zijn gesteld, zij die in staat van faillissement verkeren of ten aanzien van wie de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, alsmede de personen genoemd in artikel 59 kunnen niet tot bewindvoerder worden benoemd.’) en rechtspersonen met beperkte rechtsbevoegdheid (art. 4:157 lid 3 BW).
Voor het moment waarop men bewindvoerder wordt, zie art. 4:157 lid 5 en 6 BW: ‘5. De door de rechter benoemde wordt bewindvoerder daags nadat de griffier hem van zijn benoeming mededeling heeft gedaan, tenzij de beschikking een later tijdstip vermeldt. 6. De niet door de rechter benoemde wordt bewindvoerder daags nadat hij de benoeming heeft aanvaard.’
Zo ook Asser/Perrick 2013 (4), nr. 715: ‘In het algemeen zal de erflater in de uiterste wil zelf een (eerste) bewindvoerder benoemen. De erflater kan iemand aanwijzen die bij het ontbreken van de eerstbenoemde kan optreden. Hij kan ook op een andere wijze in de benoeming van een bewindvoerder voorzien door aan de bewindvoerder(s) de bevoegdheid toe te kennen een opvolger te benoemen (curs. NB).’ En: ‘De erflater kan ook een derde, waaronder begrepen een rechtspersoon, de bevoegdheid verlenen een (opvolgende) bewindvoerder te benoemen. Zonder uitdrukkelijke bepaling in de uiterste wil mag niet worden aangenomen dat de erflater aan de bewindvoerder de bevoegdheid tot substitutie heeft willen geven. Zie Parl. Gesch. BW Inv. Boek 4 2003, p. 2110 (curs. NB).’
Kamerstukken II 1992/93, 17141, 12, p. 58-59 (MvA II), Parl. Gesch. Inv. p. 2110.
Zie in dit kader ook art. 4:157 lid 6 BW: ‘De niet door de rechter benoemde wordt bewindvoerder daags nadat hij de beschikking heeft aanvaard (curs. NB).’
Kamerstukken II 1991/92, 17141, 9, p. 10 (NW2), Parl. Gesch. Inv. p. 2092.
Zoals ik in paragraaf 5.6.3 opmerkte kan er wel een verbintenisrechtelijke verhouding (voor verbintenisrechtelijke verhoudingen is een zekere bepaalbaarheid vereist, zie paragraaf 4.3 en 5.3.2 en 5.5.4) ontstaan tussen de persoon van de bewindvoerder en de rechthebbende, namelijk die van vertegenwoordiging. Deze verhouding is er echter pas/ontstaat echter pas op het moment dat er reeds een bepaalde bewindvoerder optreedt.
Er kan een testamentair bewind zijn, zonder dat er een bewindvoerder is. Art. 4:157 lid 1 BW bepaalt in dit kader dat:1
‘Indien de uiterste wil niet voorziet in de regeling der benoeming van een bewindvoerder, wijst de kantonrechter een of meer bewindvoerders aan op verzoek van de rechthebbende, een erfgenaam, legataris of andere belanghebbende dan wel van de executeur. De kantonrechter vergewist zich van de bereidheid van de door hem te benoemen personen (curs. NB).’2
Wanneer deze bepaling wordt geplaatst in de context van art. 4:153 lid 1 BW (dat bepaalt dat erflater bij uiterste wilsbeschikking bewind kan instellen over een of meer door hem nagelaten of vermaakte goederen) schemert door dat erflater niet steeds zelf een primaire bewindvoerder moet hebben benoemd, om een testamentair bewind in te stellen.3 Het is zodoende mogelijk om iemand anders te laten bepalen wie als bewindvoerder optreedt. Hierbij is het evenwel van essentieel belang dat erflater deze (delegatie-)bevoegdheid steeds uitdrukkelijk in zijn uiterste wilsbeschikking aan de derde of, in het geval van substitutie, aan de primaire bewindvoerder verleent. Dit wordt ook vooropgesteld in de parlementaire geschiedenis. Een wettelijke regeling om aan bewindvoerders de bevoegdheid te geven bij notariële akte hun eigen opvolger aan te wijzen, wordt hierin bekritiseerd. Zonder uitdrukkelijke bepaling in de uiterste wil mag niet worden aangenomen dat de erflater aan de bewindvoerder de bevoegdheid tot substitutie heeft willen geven.4
Indien erflater in zijn uiterste wil niet voorziet in een regeling omtrent de benoeming van een bewindvoerder, kan de kantonrechter een of meer bewindvoerders aanwijzen op verzoek van de rechthebbende, een erfgenaam, legataris of andere belanghebbende dan wel van de executeur. De bewindvoerder wordt in dat geval bewindvoerder daags nadat de griffier hem van zijn benoeming mededeling heeft gedaan of op het tijdstip dat in de beschikking is vermeld (art. 4:157 lid 5 BW). De kantonrechter vergewist zich hierbij van de bereidheid van de door hem te benoemen personen (art. 4:157 lid 1 BW), waardoor een expliciete aanvaarding door de bewindvoerder niet meer nodig is.5
Zo nodig, kan de kantonrechter ook ambtshalve een tijdelijke bewindvoerder benoemen (art. 4:157 lid 4 BW). Hierbij kan worden gedacht aan het geval dat de primaire bewindvoerder door ziekte of verblijf in het buitenland, tijdelijk niet in staat is zijn functie uit te oefenen.6 Deze bepaling kan naar mijn mening evenwel ook als vangnet dienst bewijzen, indien in de uiterste wil niet is voorzien in een regeling omtrent de benoeming van de bewindvoerder en een verzoek tot het benoemen van een bewindvoerder door een van de in lid 1 genoemde personen enige tijd uitblijft. Het ambtshalve benoemen van een tijdelijke bewindvoerder door de kantonrechter zorgt ervoor dat er toch een – weliswaar tijdelijke – bewindvoerder zal zijn die met het beheer van de onder bewind gestelde goederen is belast.
Art. 4:157 lid 1 BW brengt ruime delegatiemogelijkheden mee voor wat het bepalen van de persoon van de bewindvoerder betreft. Erflater kan de bevoegdheid hiertoe immers in zijn uiterste wilsbeschikking aan een derde geven. Gelet op de materiële aard van het testamentaire bewind verbaast dit niet. Het bewind ziet immers op goederen en niet op de persoon die als bewindvoerder optreedt. Deze persoon hoeft dan ook niet door erflater bepaald of bepaalbaar te zijn. Hij is immers niet het onderwerp van de uiterste wilsbeschikking.7