Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context
Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/7.4.2.1:7.4.2.1 Inspiratie uit de taal- en communicatiewetenschap
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/7.4.2.1
7.4.2.1 Inspiratie uit de taal- en communicatiewetenschap
Documentgegevens:
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661374:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Een beroep op het vertrouwensbeginsel ziet, zoals Happé 1996, p. 110 en 112 schreef, in feite op een beroep op consistent handelen van de fiscus, maar als de interpretatie van de burger een greep in de lucht is mag hij ook niet verwachten dat de Belastingdienst daarmee in overeenstemming handelt.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een redelijkeverwachting veronderstelt (in ieder geval) dat de interpretatie die de burger heeft van die uiting een redelijke interpretatie is. Het laat zich niet goed denken dat een burger een onredelijke (bijvoorbeeld een volstrekt vergezochte) lezing heeft van een voorlichtingstekst, maar zijn daarop gebaseerde verwachting over het handelen van de Belastingdienst juridisch wel redelijk kan worden geacht.1 Anders gezegd, een onredelijke interpretatie kan in principe geen redelijke verwachting opleveren.
Onder een ‘redelijke interpretatie’ versta ik: een interpretatie die op basis van de regels van talige communicatie redelijkerwijs verdedigbaar is. Daarvoor moet worden gekeken naar de uiting (de bewoordingen) en de context waarbinnen de uiting wordt gedaan (paragraaf 5.5). Bezien vanuit het oogpunt van achteraf tekortschietende voorlichting komt het aan op de vraag of de burger goede redenen had voor zijn interpretatie, en hij er communicatief bezien op mag rekenen dat de inspecteur zich in het concrete geval aan de communicatieve betekenis van de door de Belastingdienst gedane uiting houdt.
Het model gaat dus niet over de vraag of voorlichting ‘goed’ is, maar of de burger – gegeven de tekst en de context, op grond van de regels van talige communicatie – goede gronden had voor zijn interpretatie van de uiting van de Belastingdienst. Zo bezien kan de taal- en communicatiewetenschap blootleggen of de lezing die de burger van een bepaalde uiting heeft, communicatief bezien al dan niet ‘hout snijdt’.