Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/7.4.2
7.4.2 Stap I: Redelijke verwachtingen?
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661328:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
Ik breng in herinnering dat de Hoge Raad in de voorlichtingsjurisprudentie een geheel andere benadering hanteert: enkel twee ‘voorgeselecteerde’ omstandigheden (zie Pauwels 2009, par. 8.3.3) zijn relevant, te weten het niet-kenbaarheidsvereiste en vooral het dispositievereiste.
Pauwels 2009, p. 165 maakt een theoretisch onderscheid tussen ‘subjectieve verwachtingen’ en ‘redelijke verwachtingen’, waarbij de laatste worden gedefinieerd als: ‘de verwachtingen die een burger objectief gezien in redelijkheid kon hebben’. Voor de goede orde merk ik op dat ‘redelijke verwachtingen’ niet hetzelfde is als ‘gerechtvaardigde verwachtingen’, omdat het laatste begrip in de fiscale literatuur doorgaans wordt gehanteerd voor verwachtingen waaraan rechtsgevolgen worden verbonden en in zoverre dus de conclusie (eindresultaat) aanduiden (Pauwels 2009, p. 166, 171).
Vgl. BNB 2020/120, r.o. 2.3.1: ‘Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de belasting- of premieplichtige aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe de inspecteur in een concreet geval zijn bevoegdheden zou uitoefenen.’ Zie paragraaf 4.5.2, 4.6.1.1, 4.7.1.
Voor de eerste stap zijn handvatten nodig om te bepalen wanneer door voorlichting gewekte verwachtingen in concrete gevallen redelijk zijn.1 Onder redelijke verwachtingen versta ik: verwachtingen die een burger objectief beschouwd in redelijkheid kon hebben. De verwachtingen moeten dus worden geobjectiveerd.2
Bij het vertrouwensbeginsel gaat het er mijns inziens om of de burger in de gegeven omstandigheden uit een uiting van de Belastingdienst in redelijkheid kon en mocht afleiden of, en zo ja hoe, de Belastingdienst (inspecteur) zijn bevoegdheden zou uitoefenen.3 Toegepast op voorlichting is de vraag dus of de burger uit de voorlichtende uiting in redelijkheid kon en mocht afleiden op welke wijze de Belastingdienst (inspecteur) zijn bevoegdheden zou uitoefenen.
Wanneer is een verwachting ‘redelijk’? Zoals gezegd, is deze vraag niet in abstracto te beantwoorden, omdat het afhangt van de omstandigheden van het geval. De volgende vraag is dan ook welke omstandigheden relevant kunnen zijn. Uiteraard speelt de uiting zelf waarop het vertrouwen is gebaseerd een belangrijke rol, waarbij de taal- en communicatiewetenschap nieuwe kennis biedt.
7.4.2.1 Inspiratie uit de taal- en communicatiewetenschap7.4.2.2 Toetsing stap I7.4.2.3 Ter illustratie: uitspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 29 november 2019