Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/7.4.1
7.4.1 Het afwegingskader
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661223:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
Ik licht dit nader toe in paragraaf 7.4.2.
Volgens de Hoge Raad houdt het vertrouwensbeginsel in dat ‘de administratie verwachtingen, welke zij bij een belanghebbende ten aanzien van een door haar te volgen gedragslijn heeft opgewekt en waarop deze zich in redelijkheid tegenover haar mag beroepen, honoreert’ (BNB 1978/135; BNB 1979/311). Recenter in BNB 2020/120, r.o. 2.3.1. Zie ook r.o. 5.14 en 5.15 van de hofuitspraak in HR 29 januari 2021, nr. 20/01427, BNB 2021/76.
Het begrip ‘tekst’ kan zowel betrekking hebben op schriftelijke als mondelinge uitingen (paragraaf 5.3.1.4). Overigens zal met name bij mondeling verstrekte voorlichting aandacht uitgaan naar de bewijsvraag wat zich in de communicatie heeft voorgedaan (wat is over en weer is gezegd, in welke context?). De aard van mondelinge communicatie maakt de toepassing van het vertrouwensbeginsel bij mondelinge (vluchtige) uitingen per definitie gecompliceerder dan bij schriftelijke uitingen, die op (geduldig) papier staan. Dit hangt samen met bewijslastproblematiek (paragraaf 4.3.6).
Bij de toepassing van het vertrouwensbeginsel zijn twee vragen aan de orde, namelijk: 1. Zijn de bij de burger gewekte verwachtingen redelijk? 2. Zo ja, welk rechtsgevolg moet daaraan worden verbonden?
Ten aanzien van de eerste vraag gaat het er in de kern om dat een onderscheid wordt gemaakt tussen enerzijds de categorie verwachtingen waarvoor goede redenen bestaan (denk aan ondubbelzinnige uitingen) en anderzijds de categorie verwachting waarvoor géén goede redenen bestaan (denk aan interpretaties die berusten op ‘wensdenken’). Redelijke verwachtingen berusten op goede gronden, terwijl die ontbreken bij verwachtingen die niet als redelijk te beschouwen zijn.1 Daarbij is de concrete situatie, de communicatieve context, van belang. De vraag wanneer verwachtingen ‘redelijk’ zijn, is niet in zijn algemeenheid te beantwoorden, maar zal telkens afhangen van de omstandigheden van het geval. Het vertrouwensbeginsel is geschikt om een dergelijke redelijkheidstoets te operationaliseren.2
Ten aanzien van de tweede vraag moet worden bepaald welk rechtsgevolg aan een redelijke verwachting moet worden verbonden, zoals verlaging van de aanslag conform de gewekte verwachtingen (zie paragraaf 7.4.3).
Het bij de burger door voorlichting gewekte vertrouwen moet worden beschermd indien de aan voorlichting ontleende verwachtingen over het handelen van de Belastingdienst (inspecteur) in de gegeven omstandigheden redelijk zijn. Het rechtsgevolg moet recht doen aan het concrete geval.
Op basis van het bovenstaande formuleer ik het afwegingskader als volgt:
Afwegingskader: toetsing aan het vertrouwensbeginsel bij voorlichting
Stap I. Zijn de bij de burger door de voorlichting gewekte verwachtingen in de gegeven omstandigheden redelijk?
1.
Basisvoorwaarde: de burger beroept zich te goeder trouw op de voorlichting.
2.
De omstandigheden van het geval.
3.
De tekst als uitgangspunt: wat staat er?
4.
De context: reden voor bijstelling van de interpretatie?
Stap II. Welk rechtsgevolg?
1.
Honoreren van het gewekte vertrouwen.
2.
Alternatieve benadering.
Tabel 20: Afwegingskader voor beoordeling van aan voorlichting ontleende verwachtingen
De praktische bruikbaarheid van het model neemt toe naarmate de daarin opgenomen handvatten concreter worden ingevuld. Overigens merk ik op dat het afwegingskader uitgaat van geschreven voorlichtende uitingen, maar daartoe niet beperkt is.3