Einde inhoudsopgave
Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht (O&R nr. 150) 2024/3.2.2
3.2.2 Inwerkingtreding en implementatie
mr. P. Teunissen, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. P. Teunissen
- JCDI
JCDI:ADS955420:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Rapporteur Fourtou had daarvoor gebruikgemaakt van een zogeheten ‘First Reading’, een gestroomlijnde procedure voor richtlijnen waarvoor brede steun bestaat. De keuze voor deze procedure wordt door verschillende auteurs toegeschreven aan de ophanden zijnde toetreding van een aantal Oost-Europese landen; zie Hugenholtz, IER 2004, afl. 4, p. 247; Kierkegaard, Comput. Law Secur. Rev. 2005, afl. 6, p. 489.
Verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s, Toepassing van Richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten, COM(2010)779.
Wet van 8 maart 2007 tot aanpassing van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de Auteurswet 1912, de Wet op de naburige rechten, de Databankenwet, de Handelsnaamwet, de Wet van 28 oktober 1987, houdende regelen inzake de bescherming van oorspronkelijke topografieën van halfgeleiderprodukten (Stb. 484), de Zaaizaad- en plantgoedwet 2005 en de Landbouwkwaliteitswet ter uitvoering van Richtlijn nr. 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten (PbEG L 195), Stb. 2007, 108.
Voor zover in deze titel niet anders is bepaald, blijft het algemene procesrecht van toepassing: Kamerstukken II 2005/06, 30392, nr. 3, p. 2 (MvT).
Vgl. Eijsvogels & De Meyer, Computerrecht 2009, afl. 1, nr. 3, p. 12-20.
Rb. Den Haag (vzr.) 28 april 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:16168, IER 2016/43, m.nt. J.M. Boelens & A.M.E. Verschuur (Ecatel/Premier League), rov. 4.12-4.15.
Kamerstukken II 2006/07, 30392, nr. C (MvA). Zie voorts Vrendenbarg 2018.
Par. 6.3.3.5.
Husovec & Van Dongen, JIPLP 2017, afl. 8, p. 704.
Het legislatieve proces rondom de Handhavingsrichtlijn voltrok zich – voor Brusselse begrippen – in sneltreinvaart.1 De richtlijn trad in werking op 26 april 2004. Lidstaten hadden tot 29 april 2006 de tijd om de richtlijn om te zetten in hun nationale recht.2 Het duurde uiteindelijk bijna vijf jaar voordat zij door alle lidstaten ook daadwerkelijk was geïmplementeerd.3 De Nederlandse wetgever bleek op dit punt geen uitzondering, getuige het feit dat de implementatiewet op 1 mei 2007 in werking trad.4 De procesrechtelijke bepalingen die een aanvulling bleken op ons nationale recht zijn geïmplementeerd in Titel 15 Boek 3 Rv (‘Van de rechtspleging in zaken betreffende rechten van intellectuele eigendom’).5 Daaronder bevinden zich onder meer een aantal bewijsmaatregelen (art. 1019b-d Rv).6 Een andere noemenswaardige aanvulling is het ex parte verzoek (art. 1019e Rv).7 Na enige discussie is ook een zelfstandige regeling toegevoegd die betrekking heeft op vergoeding van de redelijke en evenredige proceskosten (art. 1019i Rv).8
Op het terrein van remedies bleek slechts beperkte behoefte te bestaan aan uitdrukkelijke implementatie, nu het Nederlandse recht voor de meeste daarvan reeds een grondslag bood. Wel zag de wetgever aanleiding om de belangrijkste nevenvorderingen van een uitdrukkelijke wettelijke basis te voorzien.9 Andere belangrijke toevoegingen zijn de bepalingen over het ex parte bevel en het rechterlijk bevel tegen een tussenpersoon.10 Opmerking verdient dat art. 8 lid 3 Auteursrechtrichtlijn sinds de introductie van de richtlijn in 2001 al voorzag in een dergelijke maatregel. Om onduidelijke redenen heeft de Nederlandse wetgever het destijds echter niet noodzakelijk geacht deze bepaling te implementeren.11