Einde inhoudsopgave
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/7.3.0
7.3.0
Reindert Kuiper, datum 30-04-2014
- Datum
30-04-2014
- Auteur
Reindert Kuiper
- JCDI
JCDI:ADS621538:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. De Hullu 1989, p. 463 en zie HR 14 juni 1974, NJ 1974/436 m.nt. Van Veen.
Zie HR 18 oktober 1994, NJ 1995/118 m.nt. Van Veen.
Zie HR 15 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4795, NJ 2000/500 m.nt. Reijntjes.
‘Een inbreuk op het gesloten stelsel kan alleen op prangende gronden worden aangenomen, zoals het compenseren van een schending van fundamentele rechtsbeginselen of het verzekeren van toegang tot de rechter’, aldus, Simmelink 2005, p. 472.
De Hullu 1989, p. 462 en p. 468-469.
Zo werd voordien de kortgedingrechter geadieerd voor de nu binnen het strafprocesrecht voorziene rechterlijke toetsing van de inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis. Zie: Corstens & Borgers 2011, p. 784 en zie Knigge & Groenhuijsen 2004, p. 118.
Zie HR 11 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4351, NJ 2006/625 en HR 21 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY9673, NJ 2007/233 m.nt. Mevis.
Zie HR 19 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1476.
Zie HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0498, NJ 2007/301, waarin het hof oordeelde dat het gelet op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen niet aan hem was te oordelen over de rechtmatigheid van het openen van een GVO en de HR de daarop gerichte klacht gegrond oordeelde: ‘Het gaat hier immers niet om bevelen inzake de toepassing van bepaalde vrijheidsbenemende dwangmiddelen, waarbij vormverzuimen die betrekking hebben op zodanige bevelen kunnen worden voorgelegd aan de rechter-commissaris die krachtens de wet belast is met het toezicht op de toepassing dan wel voortduring van bepaalde tijdens het voorbereidend onderzoek bevolen vrijheidsbenemende dwangmiddelen’, aldus de HR.
Zie daarover nader par. 8.2.2.1 en 8.4.4.3.2. onder (g).
De toets is daarbij of aan de inhoud of wijze van totstandkoming van het bevel dat de identiteit van de getuige verborgen wordt gehouden zodanige fundamentele gebreken kleven dat gebruik door de zittingsrechter van dat verhoor zou indruisen tegen verdachtes recht op een eerlijk proces ex art. 6 EVRM. Zie: HR 30 juni 1998, NJ 1999/88 en HR 28 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU5471, NJ 2007/38 m.nt. Schalken.
In HR 30 mei 1995, NJ 1995/633 werd bijv. geoordeeld dat tegen een beschikking van de rechtbank op het appel van de OvJ tegen een ex art. 59a lid 5 eerste volzin Sv gegeven bevel van de RC tot onmiddellijke invrijheidstelling wegens onrechtmatigheid van de inverzekeringstelling geen cassatie openstaat. In HR 30 januari 1996, NJ 1996/288 werd geoordeeld dat voor verdachte geen cassatie openstaat tegen de beschikking van de rechtbank waarbij de inverzekeringstelling rechtmatig is geoordeeld en bewaring is bevolen en dat een beoordeling van de regeling van de artt. 445 en 446 Sv buiten rechtsvormende taak van de rechter valt.
In zijn conclusie voor HR 13 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV6195, NJ 2006/623 m.nt. Klip, zag AG Machielse in ‘de onzekerheid die in de rechtspraktijk bestaat over de inhoud en omvang van het leerstuk van het gesloten stelsel van rechtsmiddelen’ aanleiding daarnaar een nader onderzoek te doen.
Zie zijn conclusie voor HR 24 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ3252, NJ 2011/194 m.nt. Buruma.
Zie Reijntjes in zijn noot onder HR 8 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1566, NJ 2001/587 en zie Brouwer & Jebbink 2002, p. 393-398, Franken 2004, p. 18-19 en Mevis en Schalken in hun noten onder onderscheidenlijk HR 22 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO8320, NJ 2004/561 en HR 24 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8411, NJ 2008/145. Dit gold bijv. ook voor de aanbeveling van AG Knigge in zijn conclusie voor HR 11 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY4828 om ‘dat schimmige leerstuk, dat ook nog eens een deugdelijk fundament mist, naar het rijk der historie te verbannen’, indien het – anders dan de HR oordeelde – zou meebrengen dat ter terechtzitting geen beroep meer kan worden gedaan op de onrechtmatigheid van de aanhouding wegens het daarbij gebruikte geweld.
In het tweede hoofdstuk van dit boek is beschreven hoe de zittingsrechter vanaf de jaren ‘70 van de vorige eeuw steeds intensiever het voorbereidend onderzoek toetste. Daarbij doorkruiste hij – gestimuleerd door onder meer verdragsverplichtingen en een regeling van de opsporing waarin de RC naar de achtergrond was verschoven – het toenmalige stelsel van het Wetboek van Strafvordering dat die toetsing, getuige art. 256 Sv, bij de zittingsrechter wilde weghouden. Sinds de invoering van art. 359a Sv is de situatie min of meer omgekeerd. Die bepaling laat de beoordeling van vormfouten in het voorbereidend onderzoek uitdrukkelijk over aan de zittingsrechter. De vraag is nu niet meer in hoeverre, ondanks art. 256 Sv, het voorbereidend onderzoek door de zittingsrechter wordt getoetst, maar de vraag is in hoeverre, ondanks art. 359a Sv, die toetsing beperkingen kent.
Een van de door de Hoge Raad in zijn rechtspraak aangelegde beperkingen, houdt verband met het gesloten karakter van het stelsel van rechtsmiddelen. Dat houdt in dat de wet bepaalt of en, zo ja welk rechtsmiddel open staat en dat een rechterlijke beslissing alleen haar kracht kan verliezen door vernietiging in een door de wet opengestelde beroepsprocedure.1 Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt bijvoorbeeld mee dat bij de zittingsrechter niet kan worden geklaagd over de (wijze van totstandkoming van de) beslissing in een daaraan voorafgegane beklagzaak op de voet van art. 552a Sv. Die rechtsstrijd is geëindigd en kan niet bij de zittingsrechter nieuw leven worden ingeblazen. Om dezelfde reden kan bij de zittingsrechter niet worden geklaagd over de beslissing in een daaraan voorafgegane art. 12 Sv procedure, 2 net zo min als over procedurele verzuimen bij het stellen van een nieuwe termijn ex art. 255, vierde lid, Sv.3 Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen behoedt de zittingsrechter ervoor overspoeld te raken door een oeverloze controletaak ten aanzien van het werk van andere rechters die in verband met de voorliggende strafzaak een beslissing hebben genomen.
Het gesloten karakter van het stelsel van rechtsmiddelen dient de rechtszekerheid, doelmatigheid en overzichtelijkheid. Ook geeft het uitdrukking aan het adagium lites finiri oportet (de rechtsstrijd moet een keer eindigen). De belangen die worden gediend met de geslotenheid van het stelsel van rechtsmiddelen brengen mee dat afwijkingen daarvan slechts bij hoge uitzondering kunnen worden aanvaard.4 Voor het herstel van fouten en het naar voren brengen van bezwaren bieden de rechtsmiddelen diverse mogelijkheden, maar dat betekent niet dat elke fout of elk bezwaar ook te allen tijde een rol kan spelen, zo schrijft De Hullu. Hij concludeert dat de grenzen zodanig dienen te worden bepaald dat ‘het stelsel als geheel maatschappelijk aanvaardbaar is’.5 Bij die beoordeling is bijvoorbeeld onder meer van betekenis dat de mogelijkheid van een beroep op de voorzieningenrechter een vangnetfunctie kan vervullen voor nijpende, in het strafrechtelijke stelsel van rechtsmiddelen niet voorziene gevallen.6
Aan het gesloten stelsel van rechtsmiddelen wordt binnen de strafrechtelijke keten niet steeds in alle gestrengheid vastgehouden. Sommige rechterlijke beslissingen die in de strafzaak zijn genomen in de voorhof van het onderzoek ter terechtzitting kunnen, hoewel de wet niet in een rechtsmiddel voorziet, toch in zekere mate door de zittingsrechter worden getoetst. Voorbeelden hiervan zijn de (marginale) toetsing door de zittingsrechter van de machtiging door de RC tot het toepassen van een telefoontap,7 tot het doen van een doorzoeking zoals bedoeld in art. 97 Sv8 en het openen van een GVO.9
Overigens is de vraag of in deze rechtspraak verandering zal komen onder invloed van de nadere inkadering van de bewijsuitsluitingsregels in de arresten van 19 februari 2013, waarin dit rechtsgevolg naast het waarborgen van art. 6 EVRM alleen is gericht op het bevorderen van normconform gedrag van ambtenaren van politie en OM, dus niet van de RC.10
Ook wat betreft de vraag of een getuige terecht als bedreigde getuige in de zin van art. 226a Sv is aangemerkt, waarvan uit de parlementaire geschiedenis van de Wet getuigenbescherming (Stb. 1993, 603) volgt dat de wetgever de beantwoording daarvan heeft willen onttrekken aan het oordeel van de zittingsrechter, heeft de Hoge Raad het bestaan van een beperkte toetsingsmogelijkheid voor de zittingsrechter aangenomen.11
Deze voorbeelden hebben gemeen dat de desbetreffende rechterlijke beslissingen in een niet-adversaire procedure tot stand komen en dat zij kunnen leiden tot vergaring van bewijsmateriaal dat de zittingsrechter op inhoudelijke betrouwbaarheid en op rechtmatigheid van de wijze van verkrijging dient te toetsen. Dat is anders bij de in HR 8 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1566, NJ 2001/587 m.nt. Reijntjes bedoelde ‘vormverzuimen betreffende de inverzekeringstelling of de voorlopige hechtenis, tegen welke dwangmiddelen in een daartoe bij wet opengestelde procedure kon worden opgekomen, en waaraan in die afzonderlijke procedure rechtsgevolgen kunnen worden verbonden’. Dat de Hoge Raad oordeelde dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen eraan in de weg staat bij de zittingsrechter op ‘dergelijke vormfouten’ een beroep te doen, is in het licht van het vorenstaande juridisch gezien niet zo heel verwonderlijk. Ook vóór inwerkingtreding van art. 359a Sv waren de mogelijkheden daartoe beperkt.12 In zijn noot wees Reijntjes ook nog op het zwaarwegende praktische argument dat ‘de terechtzittingen […] overwoekerd [dreigen te worden] door klachten over vormverzuimen’. Hij vond het niet onbegrijpelijk dat de Hoge Raad hier iets tegen wilde doen.
Toch is die rechtspraak op vrij veel kritiek gestuit, die vooral lijkt te zijn veroorzaakt door de aanvankelijk bestaande vragen over de reikwijdte van de door de Hoge Raad aangelegde beperking, terwijl die kritiek in sommige gevallen ook lijkt te zijn ingegeven door een benadering waarin elke beperking van de controlerende taak van de zittingsrechter als rechtsstatelijke achteruitgang wordt beschouwd. Het heeft enige tijd geduurd voordat duidelijk was welke verweren precies bij de zittingsrechter zouden afstuiten op het gesloten stelsel.13 In 2009 sprak AG Machielse nog van een ‘schimmig leerstuk’. 14 Toch moet achteraf worden vastgesteld dat de hevigste kritiek was gebaseerd op een interpretatie van deze door de Hoge Raad aangelegde beperking die – naar uit de latere rechtspraak kan worden afgeleid – onjuist is gebleken.15 Naar mijn indruk hoeft de critici noch de Hoge Raad in dit verband een verwijt te worden gemaakt. De rechtspraak heeft vaak enige tijd nodig om uit te kristalliseren en het is de taak van de wetenschap kritisch na te denken over de gevolgen van de verschillende vormen waarin dat kan. Niet is uitgesloten dat de kritiek invloed heeft gehad op de vorm die de rechtspraak heeft gekregen.
In deze paragraaf wordt de inmiddels vrij duidelijke rechtspraak in kaart gebracht, de resterende kritiek globaal geanalyseerd en bezien of ook hier een expliciete doel-middel benadering haar vruchten zou kunnen afwerpen.