Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/6.4.1
6.4.1 Afgaan op een ‘vertaling’
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661554:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
Happé 1996, p. 164; Gorissen 2008, p. 18: ‘Een belastingplichtige handelt doorgaans in overeenstemming met de van de fiscus verkregen informatie (…)’. Zie ook de bestuursrechtelijke uitspraak van Rechtbank Oost-Brabant van 17 december 2021, nr. 20/1357, V-N 2022/8.22.29, AB 2022/59, r.o. 5.3: ‘(…) De wetgever zou zich moeten inspannen om wetten te maken die iedereen begrijpt. Daarnaast mag eiseres erop vertrouwen dat de Belastingdienst/Toeslagen op zijn eigen website de juiste informatie verschaft. Een gemiddelde burger zal niet een half uur gaan speuren in de parlementaire stukken bij een wetswijziging om te begrijpen wat er in de wet staat en wat er wordt bedoeld. Die kijkt op de website van de overheid waar het wettelijke systeem wordt uitgelegd. (…)’.
Als burgers zich bij de afhandeling van hun fiscale rechten en plichten laten leiden door de Belastingdienst zelf verstrekte informatie, zullen zij ervan uitgaan dat zij op adequate wijze handelen.1 Voorlichting betreft tegelijkertijd een vertaling van de wet, waarbij in het vertaalproces tekortkomingen kunnen optreden (paragraaf 2.6.1).
Voorbeelden
Vergelijk de notaris, de campingexploitant en de autobezitter die de instructies uit de toelichting, de informatiebrief respectievelijk mondelinge informatie volgen en erop rekenen dat zij hun fiscale verplichting adequaat berekenen (casusposities 1, 3 en 4), terwijl de informatie achteraf onjuist bleek te zijn. Denk aan de echtgenote die de stappen uit het stroomschema waarheidsgetrouw doorloopt (casuspositie 5), maar de vraagstelling achteraf juridisch bezien onvoldoende precies bleek. Iets vergelijkbaars speelde bij de co-ouder die een aftrekpost claimt naar aanleiding van informatie van de Website – geverifieerd bij de BelastingTelefoon (casuspositie 6) – maar deze informatie achteraf niet voldoende precies (onjuist) bleek. Van een onjuistheid in de vertaling was eveneens sprake bij de burger die zijn lijfrente afkocht op basis van gebrekkige informatie en de burger die een onjuiste voorstelling van zaken ontleende aan een berekening bij het aangifteprogramma, waarbij sprake bleek van een onjuiste onderliggende rechtsopvatting (casusposities 4 en 7).
De inzichten uit het burgerperspectief maken duidelijk waarom burgers ervan uitgaan dat de Belastingdienst aan hen vertelt ‘hoe het zit’. Het is eenvoudigweg hoe communicatie werkt – en zeker in een (asymmetrische) institutionele context. Taalgebruikers verwachten van elkaar dat zij hun uitingen zo vormgeven dat de ontvanger in staat wordt gesteld de door de zender bedoelde betekenis te achterhalen (paragraaf 5.5). Daarbij is common ground van groot belang. Het probleem is dat de common ground tussen de Belastingdienst en de burger bij voorlichting beperkt is. De Belastingdienst weet dat het gaat om algemene informatie en dat de onderliggende wet ingewikkelderligt, dat de regels veelomvattender zijn dan in begrijpelijke voorlichting kan worden vervat. Burgers daarentegen beschikken in de regel juist niet over diezelfde kennis over het onderliggende belastingrecht, want vanwege een kennisgebrek gaan zij immers bij voorlichting te rade. Zij zullen, vanwege een gebrek aan kennis over de wet, veelal minder goed in staat zijn de beperkingen en eventuele ‘gebreken’ van voorlichting te constateren. De Belastingdienst kent het gebrek aan juridische status van voorlichting, de burger (veelal) niet. Voor de burger impliceert juist de institutionele context van voorlichting en zijn afzender dat die voorlichting ‘status’ heeft.
Bovendien rekent de burger erop dat hij door de overheid (autoriteit) in het kader van belastingheffing (institutionele context) en het communicatieve doel van de informatie adequaat wordt geïnformeerd. Ter vergelijking: terwijl een burger niet al te veel gewicht zal toekennen aan informatie van een fabrikant in een reclame-uiting (‘alle rimpels verdwijnen’), suggereert informatie van de Belastingdienst juist wél betrouwbaarheid, juistheid en gewichtigheid. Dat is zelfs zó sterk, dat die implicatie nauwelijks effectief kan worden ‘gecanceld’ met een disclaimer in voorlichting (paragraaf 6.2.4.3).