Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/2.III.C.5.d
d. Volgtermijn
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS478616:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. onderdeel C.l.e.
Zie H.R. Bruggink, Fiscale aspecten van Natuurschoon in Nederland, p. 135 e.v. Men onderscheide deze bezitseis van het instandhoudingsvereiste ex art. 8 NSW 1928, waarover H.R. Bruggink, Fiscale aspecten van Natuurschoon in Nederland, p. 125 e.v. Deze laatste eis legt de landgoedeigenaar de verplichting op de gerangschikte onroerende zaak tenminste 25 jaren als landgoed te laten kwalificeren.
Ook binnen de kaders van de NSW bestaat overigens kritiek op de forse lengte van de bezitseis. Zie J.S.L.A.W.B. Roes, ‘Bezitseis van 25 jaar schiet doel voorbij. Kritiek op een belangrijke noviteit in de ‘nieuwe’ Natuurschoonwet’, WPNR (2000) 6409.
Resolutie van 7 februari 1973, PW 18239, BNB 1973/80. Zie tevens onderdeel C.l.c van dit hoofdstuk en onderdeel G3.c van het vorige hoofdstuk.
Vgl. grenspost 1, hfdst. III, onderdeel E.2.
Zie tevens B.F. Preller, ‘De Wet inrichting landelijk gebied, herverkaveling en artikel 15.1.q en s WBR’, p. 14.
Voorts zou kunnen worden gedacht aan opname van een volgtermijn binnen onderdeel l. Thans is het mogelijk de via kavelruil verkregen gronden direct na de kavelruil door te verkopen aan derden. Met name indien een kavelruil wordt ‘gesmeed’ ter verkrijging van fiscaal voordeel en een partij zijn grond slechts tijdelijk, ter voltooiing van de kavelruil, wenst af te dragen, biedt het huidige fiscale klimaat de mogelijkheid om, direct na de kavelruil, de grond terug over te dragen aan de betreffende partij, eventueel met gebruikmaking van een andere (agro-fiscale) vrijstelling, uiteraard los van het feit of deze handelwijze in fiscalibus zou kunnen worden gekwalificeerd als fraus legis. Dit alles voelt ietwat ongemakkelijk aan. De introductie van een volgtermijn zou dit gevoel kunnen wegnemen en zou, ook in fiscalibus, ‘geconstrueerde kavelruilen’ kunnen onderscheppen.
De volgende vraag is hoe de volgtermijn inhoudelijk vorm dient te worden gegeven. Wat dient te worden gevolgd? Beperking tot agrarische aanwending van de verkregen onroerende zaken is, zo blijkt uit de voorgaande onderdelen, met de kavelruil in zijn huidige vorm, niet wenselijk. Eerder zou daarom gekozen kunnen worden voor een (blanco) voortzettingstermijn, analoog aan de éénjaarstermijn uit het oude onderdeel q, met dien verstande dat ‘landbouwkundig gebruik’ dient te worden gewijzigd in ‘nog in bezit zijn bij de verkrijger’.1 In plaats van een eis ten aanzien van het gebruik van de verkregen onroerende zaken, dient de verkrijging een zekere mate van duurzaamheid binnen het vermogen van de verkrijger te hebben. Wellicht zou ook gedacht kunnen worden aan een variant op de bezitseis uit de Natuurschoonwet 1928, 2 waarbij uiteraard voor een kortere dan de aldaar geldende 25-jaarstermijn dient te worden geopteerd.3
Op deze wijze wordt het ‘opzetten’ van kavelruilen ontmoedigd, zonder dat de mogelijkheden voor het op bona fide wijze deelnemen aan een kavelruil worden aangetast.’Best of both worlds’ lijkt dan de conclusie te zijn.
Uiteraard dienen, analoog aan de situatie ten aanzien van de bezitstermijn van onderdeel q, regelingen te worden getroffen in de geest van de Ruilverkavelingsresolutie, 4 ter voorkoming van onnodige stagnatie en daarmee een onnodige rem op de grondmobiliteit. Ook zal mijns inziens, langs dezelfde lijnen geredeneerd een algemene uitzondering op de volgtermijn dienen te worden opgenomen voor ‘opvolgende’ kavelruilen binnen de periode van de volgtermijn. Een (op)volgende kavelruil zal aldus niet als vervreemding en daarmee verval van de vrijstelling dienen te gelden.
Dan de termijn voor de nieuwe voortzettingseis. De voor de cultuurgrondvrijstelling geldende periode van tien jaar is, zo moge duidelijk zijn uit onderdeel C.3, te lang. Eerder zou dan gekozen kunnen worden voor een driejaarstermijn, zoals geldend ten aanzien van de inbrengvrijstelling van onderdeel e. Maar ook een andere termijn, mits niet onredelijk lang, zou kunnen gelden. Daarbij zou kunnen worden gedacht aan een termijn van vijf jaar, aansluitend bij de voortzettingstermijn geldend binnen de BOR.
Door het artikel op deze manier aan te scherpen, worden de mogelijkheden tot oneigenlijk gebruik van de kavelruil (verder) verkleind. Zonder de herintroductie van de problematische objectieve verbeteringseis lijkt er alsdan op effectieve wijze en beter dan met gebruikmaking van het ‘paardenmiddel’ fraus legis, een fiscale halt toe te kunnen worden geroepen aan het op oneigenlijke wijze gebruikmaken van het instrument kavelruil. Door deze nieuwe fiscale handrem, die, zoals bij de fraus legis het geval is, niet direct een noodrem is, wordt het ongemakkelijke gevoel over het nagenoeg ontbreken van fiscale grenzen aan de kavelruil in belangrijke mate weggenomen. De kavelruil neemt daarmee zijn (eventuele) sceptici de wind uit de zeilen en verschaft zich aldus (mogelijkerwijs) een meer solide (politiek) toekomstperspectief.
Door de notariële bril bezien levert de introductie van een volgtermijn een mooie, nieuwe taak voor de notaris op. Er zal immers, net als bij de cultuurgrondvrijstelling het geval is, door de praktijk kwistig gebruik gemaakt gaan worden van kettingbedingen en kwalitatieve verplichtingen in kavelruilaktes. De notaris kan hier zijn meerwaarde tonen door de praktijk te voorzien van op maat gesneden, voor de ‘kavelruil-volgtermijn’ ontworpen voorzieningen, die kunnen worden opgenomen in de kavelruilaktes, De notaris zal dan, nog meer dan thans het geval is, zijn status als ‘executeur van de kavelruil’ kunnen waarmaken.5
Bijkomend voordeel van een dergelijke aanscherping is dat de hiervoor in onderdeel C.3 beschreven frictie tussen herverkaveling/kavelruil en de tienjaarstermijn niet langer in volle omvang aanwezig is: door de introductie van een volgtermijn binnen het kader van onderdeel I, ontstaat ook voor de verkrijger krachtens landinrichting een eigen belang bij instandhouding van de verkregen onroerende zaken, waardoor het risico op het alsnog verloren gaan van de vrijstelling voor de oorspronkelijke verkrijger verkleind is.6 Uiteraard is dit effect afhankelijk van de gekozen lengte van de nieuwe voortzettingstermijn: hoe langer de termijn, hoe kleiner het risico voor de oorspronkelijke verkrijger.
Samenvattend kan gezegd worden dat introductie van een volgtermijn, ter voorkoming van oneigenlijk gebruik van de kavelruil, de meest geschikte (fiscale) wijze van clausulering is. Daarbij dient wel zorgvuldig te worden omgesprongen met de vaststelling van de lengte van de termijn, alsmede met het concipiëren van nadere voorwaarden en goedkeuringen, die een soepele introductie en werking van de volgtermijn in de praktijk garanderen.