Einde inhoudsopgave
Het systeem van sanctionering van fiscale fraude (FM nr. 166) 2021/7.3.3
7.3.3 Op elkaar lijkende manieren van sanctionering
Dr. C. Hofman, datum 01-04-2021
- Datum
01-04-2021
- Auteur
Dr. C. Hofman
- JCDI
JCDI:ADS270072:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Tot op zekere hoogte wordt dus aangesloten bij het toetskader uit paragraaf 3.2. over voorzienbaarheid.
Van der Vorm 2019b.
Kamerstukken II 2003/2004, 29 702, nr.3, p. 133-134.
Van Buuren 1992, p. 1350.
Bharatsingh 2009, onderdeel 6.
Noot Blomberg bij ABRvS 11 februari 2000, ECLI:NL:RVS:2000:AN6115, AB 2000/185.
Bleichrodt 1996, p. 34/35.
Kraaijeveld en Mol 2014, p. 61.
Van der Vorm 2019b, onderdeel 2.2.
Groenendijk 2017 verwijst hiervoor naar de website van het OM.
Groenendijk 2017, onderdeel 4.
Boezelman en Coenen 2017, onderdeel 2.
HR 17 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:874. Dit werd ook herhaald door de Hoge Raad in HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:429 en in deze laatste zaak werd ook aangegeven dat hiermee geen afbreuk wordt gedaan aan de met de verbeurdverklaring bedoelde leedtoevoeging.
Rb. Den Haag 12 februari 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:1314 en Hof Arnhem-Leeuwarden 14 oktober 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:8136.
Boezelman en Coenen 2017, onderdeel 3.3.
Aanwijzing afpakken, Stcrt. 2016, 72371.
Aanwijzing afpakken, Stcrt. 2016, 72371.
Anders dan in het oude besluit, is in het AAFD-Protocol uitdrukkelijk voorgeschreven dat ontneming en belastingheffing niet mogen cumuleren. Voor fiscale delicten geldt een wettelijke anti-cumulatiebepaling in art. 74 AWR, maar ook voor andere delicten moet worden voorkomen dat de belasting terzake van wederrechtelijke verkregen voordeel en de strafrechtelijke ontneming van dat voordeel op een ongewenste wijze op elkaar inwerken. Bij criminele voordelen vanaf 5000 euro of meer moeten het OM en de Belastingdienst afstemmen om te voorkomen dat de veroordeelde ook nog wordt geconfronteerd met belastingheffing over wederrechtelijk verkregen voordeel.
Zie anders: HR 3 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1716.
Aanwijzing afpakken, Stcrt. 2016, 72371.
Conclusie A-G Knigge van HR 15 juni 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BM2428, NJ 2010/358, p. 4.
HR 18 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1333, NJ 2000/105.
Overweging van het hof geciteerd uit gepubliceerde arrest van de HR 18 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1333, NJ 2000/105.
HR 18 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1333, NJ 2000/105, onderdeel 8.3.
HR 15 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2428, NJ 2010/358, r.o. 2.3.
HR 8 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW3684.
HR 8 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW3684, r.o. 2.5.
Art. 36e lid 9 WvSr: “Bij de bepaling van de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, worden aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen alsmede de verplichting tot betaling aan de staat van een som gelds ten behoeve van het slachtoffer als bedoeld in artikel 36f voor zover die zijn voldaan, in mindering gebracht.”
Conclusie A-G Hofstee van 8 maart 2016, ECLI:NL:PHR:2016:331, onderdeel 14.
HR 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:822.
Conclusie A-G Bleichrodt van 5 maart 2019, ECLI:NL:PHR:2019:197.
HR 16 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:594.
Zo geldt de fiscale invordering voor de fiscale strafbeschikking, en de voor de strafrechtelijke strafbeschikking geldt het strafvorderlijk tenuitvoerleggingstraject.
Gorissen en Diepvens 2015, p. 210.
Kamerstukken I 2005/2006, 29 849, nr. C (Nota keuze sanctiestelsel 2008), p. 35 en AAFD-Protocol.
Overigens is de fiscale strafbeschikking op dit gebied weer meer in lijn met de bestuurlijke boete. Anders dan in geval van de strafrechtelijke strafbeschikking gelden ten aanzien van de bestuurlijke boete geen algemene vereisten voor verplichte rechtsbijstand. De Awb bepaalt slechts in algemene zin dat eenieder zich ter behartiging van zijn belangen in het verkeer met bestuursorganen kan laten bijstaan of door een gemachtigde kan laten vertegenwoordigen (art. 2:1 lid 1 Awb)
Gorissen en Diepvens 2015, p. 211. De reden voor de afwijking tussen art. 257c lid 2 WvSv. en art. 76 lid 3 AWR ligt volgens de MvT in de aard van de fiscale delicten en de verdachten die daarbij in beeld zijn. Dit maakt verplichte rechtsbijstand minder voor de hand liggend in fiscale zaken dan in het algemene strafrecht.
De Bont 2005a, onderdeel 3.3.
De Bont 2005a, onderdeel 3.3.
Thijssen 2011, p. 27.
Advies sanctiestelsels 2015.
Voor economische delicten uit de WED geldt een hoorplicht voor rechtspersonen bij een strafbeschikking inhoudende betalingsverplichtingen uit hoofde van geldboete en schadevergoedingsmaatregel, welke afzonderlijk of gezamenlijk meer belopen dan 10.000 euro.
Kamerstukken II 2004/2005, 29 849, nr. 3, p. 70-71.
Bröring en Jurgens 2006, paragraaf 2.4.
Bröring en Jurgens 2006.
In deze paragraaf worden op elkaar lijkende sancties en/of sanctioneringswijzen met elkaar vergeleken. Zoals aangegeven in paragraaf 7.3.1. is voor deze analyse geen toetskader nodig: het gaat om de onderlinge vergelijking van bestaande sancties. Het uitganspunt is dat hoe uitgebreider het arsenaal aan sanctioneringsmogelijkheden is, hoe groter de kans wordt dat sancties op elkaar lijken. Dit komt de voorzienbaarheid van bestraffing niet ten goede,1 maar ook kan ongeoorloofde samenloop zich voordoen, wanneer via het opleggen van een sanctie (verbeurdverklaring bijvoorbeeld) bijvoorbeeld hetzelfde doel kan worden bereikt met een sanctie (de maatregel van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel bijvoorbeeld) die expliciet niet van toepassing is verklaard op een fiscaal feit.
Geldboete en dwangsom
Regelmatig worden de bestuurlijke boete en de dwangsom met elkaar vergeleken. Het betreft immers twee vormen van een betalingsverplichting: de dwangsom moet belastingplichtige dwingen verplichtingen (alsnog) na te leven, en de boete bestraft de belastingplichtige die dit niet heeft gedaan.
De bestuurlijke boete houdt echter steeds een onvoorwaardelijke betalingsverplichting in; deze kan niet voorwaardelijk worden opgelegd. Het is opmerkelijk dat de bestuurlijke boete niet voorwaardelijk kan worden opgelegd, meent Van der Vorm.2 Aan een boete onder de opschortende voorwaarde dat een overtreder binnen een bepaalde periode niet opnieuw een overtreding pleegt, zou volgens de wetgever echter geen behoefte bestaan, nu dit in feite op hetzelfde zou neerkomen als de reeds bestaande last onder dwangsom van art. 5:31d Awb, die overigens niet geldt voor de fiscaliteit.3
De strafrechtelijke geldboete kan wél voorwaardelijk worden opgelegd. Van Buuren meent dan ook dat er weinig verschil is tussen een dwangsom en een voorwaardelijke (strafrechtelijke) geldboete. In het verlengde hiervan vraagt hij zich af of de combinatie van de last onder dwangsom en de voorwaardelijke geldboete toelaatbaar zou zijn. In beide gevallen is immers sprake van de plicht om iets specifieks te doen of na te laten, met de inning van een dwangsom of geldboete als dreiging.4 Bharatsingh werpt ditzelfde punt op. Wel merkt hij op dat een verschil is dat aan de voorwaardelijke geldboete een proeftijd is verbonden en van rechtswege ook de algemene voorwaarde dat de betrokkene zich gedurende de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.5 Blomberg meent dat het verschil tussen de last onder dwangsom en de voorwaardelijke geldboete erin is gelegen dat de last onder dwangsom ziet op de toekomst (voorkomen van herhaling) en de voorwaardelijke geldboete op het verleden.6
Bleichrodt schrijft dat de voorwaardelijke straf verschillende doelen heeft; enerzijds het beïnvloeden van het gedrag van de veroordeelde (via het voorwaardelijke aspect), terwijl anderzijds de in de veroordeling vervatte terechtwijzing met de hieraan verbonden strafdreiging als leedtoevoegend worden beschouwd. Hoe weinig leedtoevoegend de voorwaardelijke straf moge zijn, niettemin is sprake van een reactie van overheidswege, die ten opzichte van de enkele schuldigverklaring in het algemeen extra leed met zich meebrengt, aldus Bleichrodt.7 Kraaijeveld en Mol menen dat een voorwaardelijke bestuursrechtelijke geldboete kan worden geïntroduceerd. Zij noemen bijvoorbeeld het argument dat dan een sanctiemodaliteit wordt ontwikkeld die het voor bestuursorganen mogelijk maakt aan gedragsbeïnvloeding te doen.8
Er bestaat dus een verschil tussen de bestuurs- en de strafrechtelijke geldboete voor wat betreft de (on)mogelijkheid tot toepassing van de voorwaardelijke variant ervan. De strafrechtelijke geldboete zou, door de mogelijkheid van voorwaardelijke oplegging, meer overeenkomsten vertonen met de last onder dwangsom. Toch verschillen ook deze twee sancties van elkaar: Van der Vorm meent dat de vergelijking tussen de last onder dwangsom en de voorwaardelijke boete niet terecht is, aangezien de last onder dwangsom moet worden aangemerkt als een herstelsanctie, en geen punitief karakter heeft.9 Dit argument, en het argument van Blomberg, namelijk dat de geldboete wordt opgelegd naar aanleiding van een overtreding, terwijl de dwangsom ervoor moet zorgen dat geen overtreding wordt begaan, maken dat de geldboete en dwangsom substantieel van elkaar verschillen en rechtvaardigt het bestaan van beide.
Verbeurdverklaring en ontneming
Het afpakken van crimineel geld is een belangrijk onderdeel van de strijd tegen (georganiseerde) misdaad en kleine(re) criminaliteit.10 Er bestaan, zo bleek uit paragraaf 6.3, verschillende juridische modaliteiten waarmee kan worden bereikt dat crimineel vermogen wordt afgepakt. Zowel de maatregel van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als de straf van verbeurdverklaring zijn sancties die beogen het wederrechtelijk verkregen voordeel af te nemen en treffen de verdachte op deze manier in het vermogen.11
Het toepassingsbereik van de verbeurdverklaring werd met de verruiming van de ontnemingsmaatregel in 1993 beperkt.12 Vanaf dat moment kon enkel voordeel dat was verkregen ‘door middel van’ (dus ‘de verdienste’) worden verbeurdverklaard en niet het voordeel ‘uit de baten van’ het strafbare feit (het ‘vervolgprofijt’). De reden voor het aanbrengen van deze beperking was het creëren van een duidelijke scheidslijn tussen de straf van verbeurdverklaring enerzijds en de ontnemingsmaatregel anderzijds. Met de wetswijziging Verruiming mogelijkheden voordeelontneming van 1 juli 2011 is het bereik van de verbeurdverklaring weer uitgebreid: ook voorwerpen die niet rechtstreeks afkomstig zijn uit het strafbare feit, maar uit de baten daarvan kunnen sindsdien verbeurd worden verklaard.13 Hiermee is de in 1993 aangebrachte en destijds noodzakelijk geachte scheiding tussen ontneming en verbeurdverklaring vervallen.14 Problemen werden echter niet verwacht door Hirsch Ballin, de Minister van Justitie destijds. Hij merkte op:
“Ik acht dit niet bezwaarlijk, nu de merites van de concreet voorliggende zaak uiteindelijk beslissend zullen kunnen zijn voor de keuze een ontnemingsvordering in te dienen of verbeurdverklaring van aangetroffen voorwerpen te vorderen. De verruiming kan eraan bijdragen dat criminele winsten op een efficiënte manier worden afgenomen.”15
De minister geeft dus aan dat het wat hem betreft een keuze is tussen de verbeurdverklaring en de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, maar geeft niet aan hoe deze keuzemogelijkheid dan gereguleerd wordt of zou moeten worden.
Er zijn wel enkele verschillen tussen de verbeurdverklaring en de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, die mogelijk zouden kunnen sturen bij het maken van een keuze voor één van de twee. Allereerst is er het verschil voor wat betreft het doel: verbeurdverklaring dient de vergelding en ontneming dient het herstel. Ten tweede wordt de verbeurdverklaring als efficiënter gezien, al was het maar omdat de ontnemingsprocedure een aparte en van de strafzaak gescheiden procedure is (onder het nieuwe Wetboek van Strafvordering zal dit niet meer zo zijn, zo blijkt uit het nog in te voeren art. 4:4:20 WvSv), met een apart dossier en de rechtsmiddelen beroep, hoger beroep en cassatie. De verbeurdverklaring is onderdeel van de (hoofd)strafzaak.
De ontnemingsmaatregel en de verbeurdverklaring lijken niet alleen op elkaar, maar kunnen ook naast elkaar worden toegepast. Verbeurdverklaring wordt dan als straf in de hoofdprocedure opgelegd en in een aparte procedure wordt door het OM ontneming als maatregel gevorderd. De vraag is of in dat geval dubbel wordt afgepakt. De Hoge Raad heeft op 17 mei 2016 bepaald dat uit de wetsgeschiedenis moet worden afgeleid dat het in een strafzaak verbeurd verklaarde geldbedrag in mindering moet worden gebracht op de aan de betrokkene op te leggen ontnemingsmaatregel.16 In lagere rechtspraak werd overigens ook vóór dit oordeel al rekening gehouden met reeds ontnomen of verbeurd verklaarde bedragen om dubbeltelling te voorkomen.17 Boezelman en Coenen menen dat de Hoge Raad met het arrest desondanks een welkome richtlijn bood.18
Naast de genoemde richtlijn, voortvloeiend uit het oordeel van de Hoge Raad, bestaat de Aanwijzing afpakken.19 Deze aanwijzing geeft regels voor het strafrechtelijk afpakken van financiële opbrengsten uit criminele activiteiten en de verwachting ontstaat dan ook dat hierin een leidraad is opgenomen die duidelijk maakt wanneer voor welke afpakmogelijkheid gekozen dient te worden. In eerste instantie volgt een opsomming van de stafrechtelijke afpakmogelijkheden:
Verbeurdverklaring;
ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel;
geldboete;
een schikking;
een transactie met financiële voorwaarde(n);
een strafbeschikking met ontnemingscomponent.
Daarnaast, zo benoemt ook de aanwijzing, hebben de partners in de afpakketen mogelijkheden tot afpakken volgens het fiscaal recht, het bestuursrecht en het civielrecht. Behalve strafrechtelijke afpakmogelijkheden heeft het OM ook civielrechtelijke bevoegdheden die in het kader van afpakken relevant kunnen zijn, zoals (het vorderen van de) ontbinding van een rechtspersoon. In tweede instantie wordt tot op zekere hoogte houvast geboden, vooral richting de partners, bij de keuze voor een afpakmogelijkheid of een combinatie van afpakmogelijkheden. De belangrijkste factor, zo blijkt onomwonden, is de effectiviteit van de overheidsreactie. Op basis van de beschikbare en/of te achterhalen gegevens, de beschikbare capaciteit en de juridische mogelijkheden wordt in afstemming met de ketenpartners gekozen voor de afpakmogelijkheid of de combinatie van afpakmogelijkheden die het grootste maatschappelijk effect lijkt te hebben. In dit verband is de volgende verklaring bijzonder:
“Deze afstemming dient om te voorkomen dat bepaalde afpakmogelijkheden achteraf niet meer mogelijk zouden zijn, maar ook om cumulatie van sancties te voorkomen.”20
Zo is de regel opgenomen dat het voornemen om een ontnemingsschikking van meer dan 5.000 euro te sluiten of een transactie met ontnemingscomponent van meer dan 5.000 euro aan te bieden, aan de Belastingdienst moet worden gemeld.21 Ook wordt nog bevestigd dat voordeel dat uitsluitend is verkregen door het plegen van in fiscale strafbaar gestelde gedragingen – in theorie – niet op grond van art. 36e WvSr mag worden ontnomen (art. 74 AWR).22
Kortom: de aanwijzing benoemt de strafrechtelijke afpakmogelijkheden. Uitgangspunt is dat de effectiviteit bepalend is bij de keuze voor een afpakmogelijkheid of een combinatie van afpakmogelijkheden. Opvallend is de klare taal van het OM:
“Vanuit dat principe beoogt het OM in iedere strafzaak het bij de verdachte terecht gekomen misdaadgeld af te pakken. Slechts in uitzonderingssituaties, waarbij gedacht kan worden aan een verdachte met een (huidige en in de toekomst reëel te voorziene) ontbrekende tot zeer geringe financiële draagkracht, kan besloten worden van de afpakdoelstelling af te zien of die qua bedrag te matigen. Als uitgangspunt geldt dat afpakken alleen in uitzonderingsgevallen achterwege blijft.”23
Uit dit citaat, alsook uit de eerder geciteerde verklaring van Hirsch Ballin, blijkt dat de afpakmogelijkheden van de ontneming en de verbeurdverklaring – ongeacht het uiteenlopende doel – praktisch inwisselbaar zijn: het is maar net wat beter uitkomt. Uit deze stelling vloeit de vraag voort of het nodig is dat beide afpakmogelijkheden blijven bestaan.
Ontneming en geldboete (meer specifiek: afroomboete)
De maatregel van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel heeft niet alleen overeenkomsten met de verbeurdverklaring, maar kan onder omstandigheden veel weg hebben van een geldboete, vooral als deze de vorm aanneemt van een afroomboete. Vooropgesteld moet worden dat de afroomboete geen ‘separate’ wettelijke grondslag kent. De basis is de strafrechtelijke geldboete. De afroomboete dankt zijn bijzondere kwalificatie aan het feit dat de hoogte mede is ingegeven door het verkregen voordeel. Om deze reden heeft de boete veel weg van de maatregel van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Knigge heeft erop gewezen dat de materieelrechtelijke beperkingen en procedurele waarborgen van de ontnemingsmaatregel met een afroomboete te gemakkelijk worden omzeild.24 De afgelopen decennia heeft de Hoge Raad zich in vier arresten (beperkt) uitgelaten over de vraag of de afroomboete als volwaardig alternatief voor de ontnemingsmaatregel moet worden beschouwd.
Ten eerste in een arrest van 18 mei 1999.25 De verdediging stelt dat – anders dan het voornemen van de OvJ om het wederrechtelijk verkregen voordeel op de juiste weg namelijk via een ontnemingsvordering te ontnemen – het Hof Arnhem er hier toe over is gegaan om een zogenaamde ‘afroomboete’ op te leggen. Het standpunt van de verdediging is dat het wederrechtelijk verkregen voordeel in de ontnemingsprocedure moet worden ontnomen, en niet middels oplegging van een hoge geldboete. De verdediging geeft tevens aan waarom de ontnemingsprocedure de voorkeur had:
“Daardoor heeft het Hof niet enkel gehandeld in strijd met de kennelijke bedoeling van de wetgever, maar heeft het Hof requirant tot cassatie ook een aparte, met waarborgen omklede rechtsgang onthouden. Indien al zou worden vastgesteld dat requirant inderdaad voordeel zou hebben genoten uit de in familieverband gepleegde strafbare feiten, zou de rechter in de ontnemingsprocedure ook rekening dienen te houden met door requirant in dit verband gemaakte kosten. Tevens — nu het om de waarde van aandelen in een bepaalde vennootschap gaat — zou voor de berekening van die waarde tevens rekening gehouden moeten worden met andere activa en passiva van die onderneming.”26
De Hoge Raad gaat echter niet mee met de verdediging:
“Het middel steunt op de stelling dat het de rechter niet vrijstaat een geldboete op te leggen in gevallen waarin deze straf door het Openbaar Ministerie niet is gevorderd en het Openbaar Ministerie zijn voornemen tot uitdrukking heeft gebracht een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel in te dienen. Die opvatting is onjuist. Voorzover het middel daarnaast stelt dat het de rechter niet vrijstaat bij de vaststelling van de draagkracht van de verdachte acht te slaan op vermogensbestanddelen die mogelijk mede door middel van of uit de baten van de bewezenverklaarde feiten zijn verkregen, berust het eveneens op een onjuiste opvatting.”27
Kortom: het is aan de rechter een passende straf op te leggen, dit kan ook een geldboete zijn. Het feit dat het OM een ontnemingsvordering heeft gevorderd verandert hier niets aan. Opgemerkt moet worden dat het wel problematisch kan zijn – in het kader van voorzienbaarheid – dat de rechter de straf daarbij niet kenbaar als afroomboete hoeft te motiveren.
Ten tweede wordt een arrest besproken dat de Hoge Raad heeft gewezen op 15 juni 2010. Het feit dat de OvJ niet in hoger beroep is gegaan tegen de afwijzing van rechtbank van de ontnemingsvordering in eerste aanleg (nu de verdachte in de strafzaak is vrijgesproken) ziet het Hof Amsterdam als aanleiding om het te ontnemen bedrag als geldboete op te leggen. De Hoge Raad vernietigt in deze zaak de afroomboete wel, omdat de hoogte daarvan enkel was onderbouwd door het bedrag van de ontnemingsvordering die door de rechtbank was afgewezen. Daarmee was de oplegging van de geldboete niet ‘naar de eis der wet met redenen omkleed’.28 Daaruit zou kunnen worden afgeleid dat de rechter een geldboete niet mag opleggen enkel en alleen om wederrechtelijk verkregen voordeel af te romen.
Ten derde ging de Hoge Raad in op de verhouding ontnemingsvordering – afroomboete, in een arrest van 8 mei 2012.29 Het middel klaagt dat het Hof Arnhem ten onrechte een geldboete van 200.000 euro heeft opgelegd, aangezien het bij het opleggen van deze geldboete heeft overwogen dat deze boete mede dient ter afroming van het door verdachte met omzetbelastingfraude behaalde voordeel. De Hoge Raad liet deze strafmotivering in stand, maar wel nadat de Hoge Raad de onderbouwing zelf uitlegt door te oordelen dat ‘aldus verstaan’ moet worden dat hiermee de ernst van de bewezen verklaarde feiten wordt bepaald:
“Overwegende dat de op te leggen geldboete mede dient ter afroming van het door verdachte behaalde voordeel heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat de ernst van de feiten zoals in deze zaak bewezen verklaard mede wordt bepaald door de omvang van het uit die feiten verkregen voordeel, en dat de hoogte van de geldboete daarop is afgestemd. Aldus verstaan geeft dit onderdeel van de strafmotivering niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, zodat het middel in zoverre faalt.”30
Uit deze arresten blijkt niet ondubbelzinnig of de afroomboete als verkapte ontnemingsvariant op zichzelf toelaatbaar kan worden geacht. Wel is duidelijk dat voor de beoordeling relevant is of de geldboete het enige doel heeft het afnemen van wederrechtelijk voordeel (hetgeen kan worden afgeleid uit het feit dat de hoogte daarvan enkel wordt onderbouwd door het bedrag van de ontnemingsvordering), of dat deze ook ziet op andere strafdoelen zoals vergelding of preventie.
Wat is rechten als naast een geldboete in de hoofdzaak, de maatregel van ontneming van wederechtelijk verkregen voordeel in de ontnemingsprocedure wordt opgelegd? Dient dan ingevolge art. 36e lid 9 WvSr die geldboete in mindering te worden gebracht op het geschatte ontnemingsvoordeel?31 Hofstee geeft op deze vraag in zijn conclusie van 8 maart 2016 een duidelijk antwoord:
“Als de geldboete en de ontnemingsmaatregel met uiteenlopend doel zijn opgelegd – de geldboete ter vergelding en ter afschrikking aan de ene kant en de profijtontneming voor herstel van de rechtmatige toestand aan de andere kant -, zou de ontnemingsrechter met die eerder opgelegde geldboete rekening kunnen houden, maar verplicht daartoe is hij naar mijn inzicht niet. Het valt op principiële gronden niet in te zien waarom een gevangenisstraf wel, maar een vergeldende en afschrikkende geldboete als straf niet bestaanbaar zou zijn naast de ontnemingsmaatregel. De zaak komt echter anders te liggen, wanneer de geldboete er mede toe strekt wederrechtelijk verkregen voordeel af te romen. Dan vormt de afroming een zelfstandig doeleinde van de opgelegde geldboete. In dat geval ligt het in de reden om het reeds door de geldboete afgeroomde deel – en de strafrechter zal dat in zijn strafmotivering moeten aangeven – van het te ontnemen bedrag af te trekken. Sterker nog, het ne bis in idem-beginsel dwingt mijns inziens daartoe. In dit verband attendeer ik erop dat in de ‘Aanwijzing afpakken’ van 23 december 2013 onder het hoofd ‘Ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel’ als één van de uitgangspunten wordt voorgeschreven dat ingeval het wederrechtelijk verkregen voordeel een rol speelt bij de bepaling van de strafmaat in de vorm van een afroomboete, daarmee rekening moet worden gehouden bij een ontnemingsvordering. Het lijkt mij dat zulks mutatis mutandis evenzeer heeft te gelden voor bijvoorbeeld een bestuurlijke boete.”32
De Hoge Raad heeft het arrest vervolgens afgedaan op grond van art. 80a Wet RO.33
Op 16 april 2019 heeft de Hoge Raad een vierde arrest gewezen, waaruit af te leiden valt hoe de onderlinge verhouding tussen de afroomboete en ontnemingsmaatregel moet worden gezien. Het ging over het witwassen van in totaal 16.520 euro. Het Hof Arnhem-Leeuwarden heeft daarbij overwogen dat er geen ontnemingsvordering tegen verdachte is aangekondigd. Vervolgens is een geldboete opgelegd van 16.500 euro. Het afromende doel lag er in deze zaak wel heel dik bovenop, en is ook makkelijk becijferbaar.
A-G Bleichrodt concludeerde in deze zaak en was van mening dat een boete niet mag worden opgelegd met het enkele of belangrijkste doel om crimineel voordeel te ontnemen. Bleichrodt meent dat daarmee geen recht wordt gedaan aan het specifieke karakter van de ontnemingsmaatregel. De rechter moet zich in die situatie niet simpelweg kunnen verschuilen achter de straftoemetingsvrijheid. Ontneming is volgens hem namelijk technisch gezien geen straf, hoewel dat in de praktijk vast wel zo gevoeld zal worden. Ontneming is een ‘maatregel’ die in de kern is bedoeld om te ‘repareren’ wat er onrechtmatig aan voordeel is verkregen: het heeft een zogenaamd ‘reparatoir karakter’. Maar als een afroomboete simpelweg met hetzelfde doel zou kunnen worden opgelegd, zouden het corrigerende karakter en daarmee alle beschermende waarborgen waaraan de rechter gebonden is, buiten spel komen te staan.34
Bij ontneming dient vastgesteld te worden welk voordeel de betrokkene daadwerkelijk heeft behaald. Bovendien kan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel slechts worden ontleend aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen. In een ontnemingsprocedure wordt ook specifiek gedebatteerd over de hoogte van het bedrag aan de hand van een financieel rapport. De A-G merkt daarbij in het bijzonder nog op dat het in deze zaak gaat om een afroomboete voor witwassen. Ten aanzien van witwassen heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij geldbedragen voorhanden heeft gehad, nog niet meebrengt dat die geldbedragen daadwerkelijk voordeel opleveren. Het is bijvoorbeeld denkbaar dat de verdachte de geldbedragen voorhanden had voor een ander en daarvan zelf een bepaald percentage als beloning ontving. Voorkomen moet worden dat deze lijn in de rechtspraak kan worden omzeild door het bedrag dat de verdachte als voorwerp van witwassen voorhanden had bij wijze van ‘afroomboete’ te ontnemen.
Op 16 april 2019 oordeelde de Hoge Raad evenwel anders. Hij volgt zijn eerdere redenering onder uitdrukkelijke verwijzing naar bovengenoemd arrest van 8 mei 2012. Wederom overweegt de Hoge Raad in de strafmotivering ‘in te lezen’ dat “de hoogte van de op te leggen boete mede kan worden bepaald door de omvang van het uit die feiten verkregen voordeel, zodat die boete mede dient tot ‘afroming’ van het door deze feiten verkregen voordeel.” Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.35
In de zaak van 16 april 2019 was sprake van witwassen, een niet-fiscaal strafbaar feit. Daar was het dus mogelijk om te ontnemen, ware het dat daarvan kennelijk was afgezien. De nieuwe lijn van de Hoge Raad is kennelijk: alle alternatieven mogen worden ingezet, ongeacht het achterliggende doel. Wat mij betreft moet daarbij wel onderscheid worden gemaakt afhankelijk van de vraag welke alternatieven kúnnen worden ingezet. Omdat de ontneming zoals in fiscale strafzaken is uitgesloten, behoort die onmogelijkheid evenmin te worden omzeild door een ander mechanisme met hetzelfde doel in te zetten. Tegelijkertijd is de behoefte om – voor wat betreft de beboeting – aan te sluiten bij de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel (inclusief het vervolgprofijt) – wel te verklaren.
De fiscale en de strafrechtelijke strafbeschikking
Zoals bleek uit paragraaf 6.5, kunnen zowel het bestuur van ’s Rijks Belastingen als de OvJ een strafbeschikking uitvaardigen. In het eerste geval betreft het een fiscale strafbeschikking, in het tweede geval een strafrechtelijke strafbeschikking. In hoeverre zijn de fiscale en de strafrechtelijke strafbeschikking vergelijkbaar? Voor beide strafbeschikkingen geldt dat aanwijzingen in de vorm van voorwaarden kunnen worden gegeven, voor beide gevallen geldt de rechtsbescherming van art. 6 EVRM als ondergrens en in beide gevallen geldt dat alleen delicten waarvoor maximaal zes jaar gevangenisstraf kan worden opgelegd, via de modaliteit van de strafbeschikking mogen worden afgedaan. Veel overeenkomsten dus, tussen de fiscale en de strafrechtelijke strafbeschikking.
Voor wat betreft het wettelijk kader, is opvallend dat aan de ene kant aparte regels gelden voor de fiscale strafbeschikking,36 terwijl aan de andere kant de fiscale strafbeschikking niet los kan worden gezien van de strafbeschikking in het Wetboek van Strafvordering. De bepalingen die gelden voor de strafrechtelijke strafbeschikking (art. 257a t/m 257h WvSv) gelden immers ook voor de fiscale strafbeschikking die door het bestuur van ’s Rijks belastingen wordt uitgevaardigd, althans: voor zover hier niet van afgeweken wordt in art. 76 AWR.37
Een duidelijk verschil is dat de Belastingdienst via een fiscale strafbeschikking, anders dan het OM middels een strafrechtelijke strafbeschikking, geen taakstraf kan opleggen.38 Ondanks het feit dat er ook bij de strafrechtelijke strafbeschikking geen rechter aan te pas komt, wordt kennelijk toch nog gedacht aan art. 113 Grondwet. Het bestuur is in ieder geval niet bevoegd de vrijheid van belanghebbende te beperken. Naast dit ‘principiële’ verschil tussen de fiscale en strafrechtelijke strafbeschikking, lijken er ook enkele onverklaarbare verschillen tussen beide modaliteiten te bestaan.
Ten eerste regelt art. 257c lid 2 WvSv dat een strafrechtelijke strafbeschikking met een geldboete van meer dan 2.000 euro alleen mag worden uitgevaardigd als verdachte, bijgestaan door een raadsman, voorafgaand aan de oplegging van de strafbeschikking is gehoord. Deze voorwaarde van bijstand door een raadsman is op grond van art. 76 lid 3 AWR niet vereist39, maar verdachte kan zich wel laten bijstaan.40 Op dit onderscheid is veel kritiek gegeven. Zo geeft Caljé aan dat nu de fiscale strafbeschikking, anders dan de transactie, een strafrechtelijke vervolging vormt, er geen basis is om gerechtvaardigd het beschreven onderscheid te maken. Ook De Bont vindt het onderscheid tussen enerzijds het commune en anderzijds het fiscale strafrecht in dezen non-existent en de afwijkende regeling uit art. 76 lid 3, AWR ontbeert volgens hem een valide rechtsgrond.41 Immers: zonder de bepaling in art. 76 lid 3 AWR had de verdachte niet slechts het recht te worden gehoord, maar zou hij tevens dienen te worden bijgestaan door een raadsman. De uitzondering hangt samen met de aard van de fiscale delicten en de verdachten die daarbij in beeld zijn, aldus de MvT.42 De Bont meent dat, als hiermee wordt beoogd te zeggen dat fiscale delicten minder strafwaardig zijn en de verdachten minder crimineel dan commune delictsplegers, wellicht beter kan worden besloten fiscale delicten slechts bestuursrechtelijk aan te pakken.43
Ten tweede wordt ‘een strafbeschikking’ geregistreerd in de justitiële documentatie,44 zij het dat uit art. 5 Besluit Justitiële gegevens volgt dat bij een op de voet van art. 76 AWR uitgevaardigde strafbeschikking alleen registratie plaatsvindt bij een misdrijf. Het is niet duidelijk waarom een fiscale strafbeschikking niet in alle gevallen in de weg staat aan de verkrijging van een VOG en een strafrechtelijke strafbeschikking wel, aangezien een strafrechtelijke strafbeschikking ook kan worden opgelegd bij een overtreding en dan wel leidt tot een registratie.45
De strafbeschikkingen vergeleken met de bestuurlijke boete
Via de modaliteit van de strafrechtelijke strafbeschikking en via de modaliteit van de fiscale strafbeschikking kan een geldboete worden opgelegd. De strafrechter kan – in geval van fiscale fraude – ook een geldboete opleggen en ditzelfde geldt voor de inspecteur. De vraag is dan ook wat de meerwaarde is van de strafbeschikking in dit verband. Bekend is dat het strafrechtelijke handhavingstekort een reden was om OM-afdoening mogelijk te maken, maar voor de ‘extra’ bevoegdheid van de inspecteur om via deze weg te doen wat hij al kon, is geen goede reden denkbaar.
De Afdeling van de Raad van State heeft in dit verband ten aanzien van art. 257ab WvSv (waarin de niet-fiscale bestuurlijke strafbeschikking is opgenomen) opgemerkt:
“Zoals hiervoor gesteld, vormen de bestuurlijke boete en de strafbeschikking allebei een instrument om strafbare feiten/overtredingen buiten de rechter om te bestraffen. Door de introductie van de bestuurlijke strafbeschikking kan tegenwoordig ook in het strafrechtelijke kader de deskundigheid van bestuursorganen worden benut, omdat de strafbeschikking ook door bestuursorganen kan worden opgelegd. Daarmee wordt het argument gerelativeerd dat de bestuurlijke boete bij uitstek in aanmerking komt indien behoefte bestaat aan specialistische deskundigheid van het bestuursorgaan. De gronden waarop voor de ene of de andere modaliteit wordt gekozen zijn door de regering niet duidelijk gemaakt.”46
Het feit dat niet duidelijk is wanneer voor de (fiscale) bestuurlijke strafbeschikking en wanneer voor de bestuurlijke boete moet worden gekozen, komt vermoedelijk mede voort uit de vergelijkbaarheid van de twee sanctioneringsmogelijkheden. Anderzijds zijn er ook enkele verschillen te onderkennen:
Zo is de strafbeschikking een zuiver strafrechtelijk instrument. Omdat het géén bestuurlijk middel is, zijn de Awb en het BBBB niet van toepassing. Dit verschil in rechtskarakter tussen de fiscale strafbeschikking en de geldboete is met name vreemd, aangezien het in beide gevallen vaak om de betaling van een geldsom gaat.
Verder geldt zowel in het geval van de bestuurlijke boete als in het geval van de fiscale strafbeschikking de eis dat de verdachte voorafgaand aan de oplegging ervan gehoord dient te worden. De wijze waarop een dergelijke hoorplicht is vormgegeven, verschilt echter. Bij bestuurlijke boetes die hoger zijn dan 340 euro dient de overtreder in principe te worden gehoord (art. 5:53 lid 3 Awb). Wat de fiscale en de strafrechtelijke strafbeschikking betreft geldt een grens van 2000 euro (art. 257c lid 2 WvSv).47 De rechtsbescherming is bij bestuurlijke boeten dus beter geregeld. Wel is het zo dat wanneer de OvJ voornemens is bij een stafrechtelijke strafbeschikking een ‘andere maatregel’ op te leggen, zoals een taakstraf, een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen dan wel een aanwijzing betreffende het gedrag van de verdachte dat de verdachte dan steeds dient te worden gehoord (art. 257c lid 1 WvSv).
Zowel bij de bestuurlijke beboeting als bij de strafbeschikking, die beide een vorm van buitengerechtelijke oplegging van een straf zijn, dient de justitiabele zelf actie te ondernemen om de zaak aan een rechter voor te leggen. Voor de fiscale en strafrechtelijke strafbeschikking geldt een andere termijn om daartegen te ageren dan wanneer een bestuurlijke boete wordt opgelegd. In het bestuursrecht geldt ingevolge art. 6:7 Awb een termijn van zes weken om tegen een besluit in bezwaar dan wel beroep te komen. Tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel OM-afdoening is aan de orde gekomen welke termijn het meest geschikt zou zijn voor het doen van verzet tegen een fiscale of strafrechtelijke strafbeschikking. De termijn van zes weken zou redelijk zijn, gezien de paralellen tussen de strafbeschikking en de bestuurlijke boete. Uiteindelijk is echter gekozen voor een termijn van twee weken, gelet op de bestaande systematiek van het strafrecht.48 De termijn van twee weken voor het instellen van rechtsmiddelen in het strafrecht stamt van ver voor de tijd waarin het instrument van de strafbeschikking werd geïntroduceerd. Door het overnemen van de in het strafrecht geregelde termijn van twee weken bij de strafbeschikking ontstaat een verschil tussen het strafrechtelijke en bestuursrechtelijke systeem, zonder dat een actuele rechtvaardiging voorhanden is.
Bröring en Jurgens noemen overigens nog wel meer voorbeelden van verschillen tussen de twee. Zo schrijven zij dat de boetebeschikking veelal gemotiveerd moet zijn, terwijl de strafbeschikking slechts de essentialia (wie, wat, waar) moet bevatten.49 De conclusie is volgens hen echter, net als mijn conclusie op grond van bovenstaande opsomming, dat de verschillen door de bank genomen niet goed verklaarbaar zijn.50
Kortom: de praktisch georiënteerde reden van de invoering van de strafbeschikking is duidelijk, maar de juridische (meer)waarde is – althans voor het fiscale recht, niet helemaal helder. De vraag is zeer legitiem of het bestaan van de twee strafbeschikkingen, de fiscale en de strafrechtelijke – ondanks het feit dat ze dus wel degelijk van elkaar afwijken – ‘nodig is’. Het is voorts niet duidelijk hoe de keuze moet worden gemaakt tussen de fiscale en de strafrechtelijke strafbeschikking en tussen ‘de strafbeschikking’ en de bestuurlijke boete. Dit is zorgelijk omdat er op onderdelen verschillen bestaan tussen de strafbeschikkingen onderling, alsook tussen de strafbeschikking en de bestuurlijke boete, bijvoorbeeld in de sfeer van rechtsbescherming. Aan de andere kant dringt de vraag zich op of en in hoeverre (nog) behoefte bestaat aan twee sterk vergelijkbare instrumenten van bestraffend bestuur. De verschillende sancties bleken in theorie weliswaar van elkaar te onderscheiden en hebben elk hun eigen (maar deels overlappende) ‘markt’, maar daarmee is nog niet gezegd dat zij elk voor zich daadwerkelijk meerwaarde hebben ten opzichte van de ander.
Resumerend
Een aantal vermogenssancties is in deze paragraaf vergeleken. Ten eerste de geldboete en de last onder de dwangsom. De bestuurlijke boete kent geen voorwaardelijke variant, maar de strafrechtelijke geldstraf wel. Daarmee vertoont deze straf trekken van een last onder dwangsom. In beide gevallen worden bepaalde voorwaarden gesteld, waarvan voldoening de betalingsverplichting kan voorkomen. Het doel van de dwangsom, het afdwingen van naleving zolang het nog kan, en van de boete, het bestraffen van niet-naleving, nu dit niet meer kan, maakt echter dat de twee toch van elkaar verschillen.
Deze conclusie geldt niet voor de als tweede vergeleken ontnemingsmaatregel en de straf van verbeurdverklaring. Zij zijn beide gericht op het afpakken van crimineel vermogen. De moeilijkheid onderscheid te maken tussen de twee, blijkt duidelijk uit de verklaring van de minister van justitie in 1993: het zijn de merites van de concreet voorliggende zaak die uiteindelijk beslissend zullen kunnen zijn voor de keuze een ontnemingsvordering in te dienen of verbeurdverklaring van aangetroffen voorwerpen te vorderen. Aan voorzienbaarheid blijkt op dit punt een gebrek te bestaan.
De ontnemingsmaatregel heeft, zoals recent is bevestigd door de Hoge Raad, daarnaast veel weg van een afroomboete, aangezien de hoogte van de op te leggen boete mede kan worden bepaald door de omvang van het uit die feiten verkregen voordeel, zodat die boete mede dient tot ‘afroming’ van het door deze feiten verkregen voordeel. De vraag is in hoeverre dit type boete in het fiscale recht toelaatbaar zou moeten zijn, gezien de verbodsbepaling in art. 74 AWR die geldt voor de ontneming.
De fiscale en strafrechtelijke strafbeschikking lijken voorts veel op elkaar, en ook op de bestuurlijke boete, althans, voor zover de straf die via deze modaliteit wordt opgelegd een geldboete is. De belangrijkste overeenkomst tussen de twee strafbeschikkingen én de bestuurlijke boete, is dat het alle drie buitengerechtelijke afdoeningsmodaliteiten zijn. Als de twee strafbeschikkingen worden vergeleken, zijn veel voorwaarden die gelden voor uitvaardiging, hetzelfde. Een groot verschil is dat de modaliteit van de strafrechtelijke strafbeschikking de oplegging van een taakstraf mogelijk maakt, waar de fiscale strafbeschikking deze mogelijkheid niet biedt. De meerwaarde van oplegging van een geldboete via een fiscale strafbeschikking ten opzichte van een ‘gewone’ fiscale bestuurlijke boete is niet gebleken.