Einde inhoudsopgave
Misleidende beursberichten (IVOR nr. 124) 2022/5.5.2.4
5.5.2.4 Vrijheid van de rechter bij keuze van de peildatum
mr. drs. A.C.W. Pijls, datum 01-07-2022
- Datum
01-07-2022
- Auteur
mr. drs. A.C.W. Pijls
- JCDI
JCDI:ADS655826:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. in het kader van de eigen schuld ex art. 6:101 BW het arrest HR 26 september 2003, NJ 2004/460, m.nt. J.B.M. Vranken onder NJ 2004/461 (Regiopolitie Gelderland-Zuid/Hovax), r.o. 5.2-5.3, waarin de Hoge Raad oordeelde dat ‘de rechter een wettelijke verplichting tot schadevergoeding niet ambtshalve mag verminderen op de grond dat naar zijn oordeel (…) sprake is van eigen schuld van de benadeelde (…)’.
Het gaat hier primair om een ‘argumenteerlast’ en niet om een bewijslast, omdat de vraag van de redelijke toerekening in beginsel een rechtsvraag betreft. Wel is het zo dat het in eerste instantie aan de gedaagde is om de (bij wijze van verweer) aan zijn argumentatie ten grondslag gelegde feiten te stellen en bij betwisting te bewijzen. Zie over de bewijslastverdeling in het kader van art. 6:98 BW reeds § 1.3.1 en de daar vermelde literatuur en rechtspraak.
In het Nederlandse schadevergoedingsrecht is algemeen geaccepteerd dat in het kader van de schadevaststelling de keuze van de peildatum is voorbehouden aan de rechter. De rechter heeft hierbij de nodige vrijheid en hoeft zich niet al te veel gelegen te laten liggen aan de voorkeur(en) van de procespartijen. Bij de peildatumkeuze gaat het uiteindelijk om een rechtsvraag en in zoverre komt aan de procespartijen niet een soort ‘keuzerecht’ toe. Ook bij de problematiek van schadevaststelling bij misleiding op de beurs kan de rechterlijke vrijheid bij de keuze van de peildatum een belangrijke rol spelen. Zo is denkbaar dat bij de vaststelling van de (omvang van de) koersschade partijen niet de juiste peildatum en/of het juiste ontstaansmoment van de schade voor ogen staat. Ook is denkbaar dat een van de partijen om strategische redenen voor een combinatie van peildatum en ontstaansmoment kiest die rechtens onacceptabel is. De rechter moet zich hier echter niet door van de wijs laten brengen. Op grond van de rechterlijke vrijheid ex art. 6:97 BW heeft hij voldoende manoeuvreerruimte om dergelijke onwenselijke keuzes tegen te gaan. Ik licht dit toe aan de hand van het hiervoor beschreven scenario van een fluctuerende marktwaarde van de misleidende informatie (resulterend in een toe- of afname van de koersinflatie) over het tijdvak van de misleiding.
Voor de situatie waarin als gevolg van (aan de misleiding) externe factoren de marktwaarde van de misleidende informatie over het tijdvak van de misleiding toeneemt, werd in het voorgaande verdedigd dat slechts het lagere bedrag van de koersinflatie op het moment van aankoop voor vergoeding in aanmerking komt. De beleggers hebben geen recht op vergoeding van het hogere bedrag aan koersinflatie op het moment van bekendwording van de misleiding. Wanneer nu de eisende beleggers voor hun vordering tot schadevergoeding aanknopen bij het hogere bedrag aan koersinflatie op het moment van de bekendwording van de misleiding, heeft de rechter mijns inziens de nodige vrijheid om – tegen de wens van de beleggers in – voor de peildatum gewoon het aankoopmoment te kiezen en de schade dienovereenkomstig te begroten. De rechter heeft deze vrijheid zelfs wanneer de keuze van de peildatum van de belegger door de vennootschap niet wordt betwist. Bewust spreek ik van de ‘nodige vrijheid’, want deze vrijheid is uiteraard niet onbegrensd. Ten eerste moet het natuurlijk wel zo zijn dat de (omvang van de) schade door de vennootschap voldoende gemotiveerd is betwist. Is dit laatste niet het geval, dan zal de rechter al snel geneigd zijn het gevorderde bedrag volledig toe te wijzen en zal hij zich niet al te veel bekommeren om de keuze van de peildatum. Ten tweede moeten in het proces voldoende feiten en omstandigheden zijn komen vast te staan waaruit blijkt dat inderdaad sprake is geweest van een toename van de marktwaarde van de misleidende informatie over het tijdvak van de misleiding. Komen deze feiten en omstandigheden niet vast te staan, dan zal de rechter onvoldoende aanknopingspunten hebben om te kunnen oordelen dat op het moment van de in zijn ogen juiste peildatum sprake was van een lagere koersinflatie.
Voor de situatie waarin als gevolg van (aan de misleiding) externe factoren de marktwaarde van de misleidende informatie over het tijdvak van de misleiding afneemt, werd verdedigd dat slechts het lagere bedrag van de (resterende) koersinflatie op het moment van bekendwording van de misleiding voor vergoeding in aanmerking komt. De beleggers hebben geen recht op vergoeding van het hogere bedrag aan koersinflatie op het moment van aankoop. Wanneer de eisende beleggers niettemin dit hogere bedrag aan koersinflatie op het moment van aankoop als schadevergoeding vorderen (hetgeen in de praktijk meestal het geval zal zijn), heeft de rechter tot op zekere hoogte de vrijheid slechts het lagere bedrag aan koersinflatie op het moment van bekendwording van de misleiding als schadevergoeding toe te wijzen. Zelfs wanneer de vennootschap geen expliciet beroep doet op het toerekeningsverband van art. 6:98 BW om de aansprakelijkheid tot dit lagere bedrag te beperken, heeft de rechter – zonder buiten de rechtsstrijd te treden – mijns inziens de mogelijkheid om slechts dit lagere bedrag voor vergoeding in aanmerking te laten komen. De ‘bewegingsvrijheid’ die de rechter in dit opzicht heeft, is er uitdrukkelijk niet op gebaseerd dat de rechter het toerekeningsverband van art. 6:98 BW ambtshalve zou mogen toepassen teneinde daarmee de verplichting tot schadevergoeding van de gedaagde ambtshalve te beperken.1 Dat recht heeft hij namelijk niet; in beginsel is de gedaagde als eerste aan zet om aan te voeren dat (volledige) toerekening van het gevorderde bedrag aan koersinflatie onredelijk is.2 De zojuist bedoelde vrijheid vloeit hier wederom voort uit het feit dat de rechter in het kader van de schadevaststelling en/of de schadebegroting de nodige manoeuvreerruimte heeft. In § 5.5.2.1 werd verdedigd dat het moment van bekendwording van de misleiding als het ontstaansmoment van de schade moet worden aangemerkt. Deze keuze voor het ontstaansmoment van de schade zou tevens kunnen worden gezien als een keuze voor wat in de context van misleidende beursberichtgeving onder rechtens relevante schade dient te worden verstaan. Als nu de eisende beleggers het hogere bedrag aan koersinflatie op het moment van aankoop als schadevergoeding vorderen, zou – vanuit deze gedachte geredeneerd – de rechter het surplus aan koersinflatie (ten opzichte van de (resterende) koersinflatie op het moment van bekendwording) dus als rechtens irrelevante (niet voor vergoeding in aanmerking komende) schade kunnen aanmerken en daarmee slechts het lagere bedrag aan koersinflatie als schadevergoeding kunnen toewijzen. Wel moet wederom worden aangetekend dat de vrijheid die de rechter in dit opzicht heeft, niet onbegrensd is. Deze vrijheid heeft hij alleen als het gevorderde schadebedrag door de vennootschap voldoende gemotiveerd is betwist en als voldoende feiten en omstandigheden zijn komen vast te staan waaruit de rechter mag concluderen dat de koersinflatie over het tijdvak van de misleiding inderdaad is afgenomen.