Einde inhoudsopgave
Misleidende beursberichten (IVOR nr. 124) 2022/5.5.2.2
5.5.2.2 Schadebegroting: peildatum en begrotingsmaatstaf
mr. drs. A.C.W. Pijls, datum 01-07-2022
- Datum
01-07-2022
- Auteur
mr. drs. A.C.W. Pijls
- JCDI
JCDI:ADS655953:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
In de regel zal het zo zijn dat het ontstaansmoment van de schade wordt bepaald door de peildatum die is gehanteerd bij de schadebegroting. Het ontstaansmoment en de peildatum vormen dus in de regel min of meer een ‘twee-eenheid’. Zie in dit verband MvA II, Parl. Gesch., p. 475: ‘Wanneer de vordering tot schadevergoeding opeisbaar is, zal in de regel worden bepaald door de vraag wanneer de schade geacht moet worden te zijn geleden. De wijze waarop zij begroot wordt kan daarbij van groot belang zijn.’ (curs. ACWP).
Zie ook het bekende Beelen/Advocaten-arrest: ‘De wijze waarop wettelijke rente over het bedrag van een geldvordering tot schadevergoeding moet worden berekend, hangt in belangrijke mate af van de wijze waarop de schade door de rechter wordt begroot. De wijze van begroting bepaalt immers op welk tijdstip de betreffende schade geacht moet worden te zijn geleden’ (curs. ACWP), HR 17 oktober 1997, NJ 1998/508, m.nt. J.B.M. Vranken (Beelen/Advocaten), r.o. 3.8. Zie hierover kritisch Akkermans 1998, p. 59-60.
Zo betoogt Klaassen dat bij de schadevaststelling van (in de toekomst periodiek te lijden) arbeidsvermogensschade geen enkele noodzaak bestaat om de fictie te hanteren dat de schade ontstaat of geacht moet worden te zijn geleden op het moment van de peildatum. Volgens haar is er geen enkel bezwaar om simpelweg te aanvaarden dat reeds bij voorbaat een opeisbare verbintenis tot vergoeding van toekomstige (thans nog niet ingetreden) schade kan bestaan en wel vanaf de peildatum. Zie Klaassen 1998, p. 14-17.
Akkermans benadert de problematiek van schadevaststelling bij arbeidsvermogensschade iets anders dan Klaassen (Akkermans opteert voor een zogenoemde ‘januskop-benadering’), maar verzet zich evenals Klaassen ook tegen het hanteren van juridische ficties. Om het in de praktijk gangbare (en door Akkermans wenselijk geachte) wettelijke rente-regime te bereiken zijn deze juridisch ficties volgens Akkermans onnodig. Zie Akkermans 1998, p. 51-71.
Ook wanneer de marktwaarde van de misleidende informatie over het tijdvak van de misleiding constant is, hoeft het niet noodzakelijkerwijs zo te zijn dat de koersinflatie over het gehele tijdvak van de misleiding constant is. Denkbaar is namelijk dat de misleiding voortijdig uitlekt of dat de markt op eigen kracht voortijdig tot een correcte voorstelling van zaken komt, waardoor – meestal aan het eind van het tijdvak van de misleiding – de koersinflatie geleidelijk in omvang zal afnemen.
Bedoeld wordt dat een keuze voor een van de peildata niet uitmaakt voor de schadevaststelling. Voor de eerdergenoemde vermogensrechtelijke gevolgen maakt de keuze natuurlijk wel verschil.
Ook in de situatie waarin de misleiding geleidelijk bekend wordt en de kunstmatige koersinflatie daardoor geleidelijk afneemt, wordt bij een constante marktwaarde van de misleidende informatie bij beide peildata hetzelfde bedrag aan koersinflatie gemeten. De enige nuancering die moet worden aangebracht, is dat wanneer voor het moment van bekendwording van de misleiding als peildatum wordt gekozen, er eigenlijk geen sprake is van een peildatum, maar van een peilperiode. De misleiding komt dan immers geleidelijk naar buiten.
Zie het vijfde scenario zoals beschreven in hoofdstuk 4.
Zie hierover in de Nederlandse literatuur reeds De Jong 2010, p. 121-131.
Zie onder meer HR 18 januari 2002, NJ 2002/168 (Interplant/Oldenburger), r.o. 3.3; HR 28 maart 2003, NJ 2003/389 (V./Branderhorst), r.o. 3.3; HR 11 januari 2013, NJ 2013/48 (VOF Gebr. Griffioen e. a./De Groot), r.o. 3.5; en zie in het kader van beleggingsschade HR 3 februari 2012, JOR 2012/116, m.nt. S.B. van Baalen (Coöperatieve Rabobank Vaart en Vecht U.A./X), r.o. 3.9.1-3.9.2. Zie over de methode van vermogensvergelijking ook Asser/Sieburgh 2021 (6-II), nr. 31; Lindenbergh 2020 (Mon. BW B34), nr. 10; Klaassen 2017 (Mon. BW B35), nr. 5. Zie ook reeds Bloembergen 1965, nr. 12-14.
Vgl. de toepasselijke schadebegrotingsmaatstaf uit het arrest HR 28 januari 1977, NJ 1978/174, m.nt. A.R. Bloembergen (Van de Weijgert/Nieuwkoop) voor het geval bij een koopovereenkomst ondeugdelijke roerende zaken worden geleverd: de schade van de koper bestaat in het algemeen uit het verschil tussen de waarde van de verschuldigde zaak en de waarde van de geleverde zaak. Zie hierover Asser/Hijma 2019 (7-I), nr. 653.
Vgl. in dit verband de uitspraken Rb. Amsterdam 30 juli 2008, HA ZA 05-1645 (niet gepubliceerd), r.o. 5.37 en Rb. Amsterdam 28 april 2010, ECLI:NL:RBAMS:2010:BY9022, r.o. 2.54 (beide uitspraken betreffen de zaak Double Dutch Management en Beheer B.V. e.a./Vlasveld e.a.).
De reden voor het geleidelijk bekend worden van de misleiding (en het dientengevolge geleidelijk uit de koers lopen van de koersinflatie), kan ofwel zijn de aanwezigheid van een lek waardoor handel met voorkennis (eventueel in combinatie met geruchtenvorming) ontstaat, ofwel het door de markt op eigen kracht tot een correcte voorstelling van zaken komen vóór het moment van publicatie van de officiële corrigerende mededeling.
Zie in dit verband ook de volgende overweging uit de eindbeschikking van het Hof Amsterdam in het kader van het WCAM-verzoek met betrekking tot de Fortis-schikking: ‘De aandeelhouder die aandelen koopt én verkoopt in de periode waarin de koers in dezelfde mate te hoog is geweest leidt in beginsel (…) geen schade. In dat geval heeft de aandeelhouder de aandelen weliswaar tegen een te hoge koers gekocht, maar zijn deze eveneens tegen een overeenkomstig te hoge koers verkocht, zodat door de belegger alsdan geen koersverlies wordt geleden.’ (toevoeging en curs. ACWP), zie Hof Amsterdam 13 juli 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:2422, JOR 2018/246, m.nt. I.N. Tzankova (Ageas S.A./N.V e.a./X e.a.), r.o. 5.27. Heel precies geformuleerd had de laatste zinsnede als volgt moeten luiden: ‘zodat door de belegger als gevolg van de misleiding alsdan geen koersverlies wordt geleden’. Nagenoeg dezelfde overweging zoals zojuist geciteerd stond ook reeds in de tussenbeschikking, zie Hof Amsterdam 16 juni 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:2257, JOR 2018/10, m.nt. J.S. Kortmann (Ageas S.A./N.V e.a./X e.a.), r.o. 8.8.
Zie in dit verband ook Rb. Amsterdam 28 april 2010, ECLI:NL:RBAMS:2010:BY9022 (Double Dutch Management en Beheer B.V. e.a./Vlasveld e.a.), r.o. 2.51. De volgende zin uit deze rechtsoverweging acht ik overigens onjuist: ‘Eerst indien deze schade van DDM niet voor vergoeding in aanmerking komt (…), zal de aan Van Gelderen te vergoeden schade moeten worden verminderd met het bedrag waarvoor hij als aandeelhouder van DDM mogelijk heeft geprofiteerd van de te hoge koopprijs.’ (curs. ACWP)
Eventueel kan men ervoor kiezen om het deel van het koersverlies van de tussentijdse verkopers dat is toe te schrijven aan een afnemende koersinflatie veroorzaakt door een afnemende marktwaarde van de misleidende informatie, wel mee te nemen in het schadebedrag, maar dat koersverlies vervolgens niet voor vergoeding in aanmerking te laten komen omdat dat deel van de schade niet op de voet van art. 6:98 BW aan de vennootschap kan worden toegerekend.
Zie in dit verband ook De Jong 2010, p. 57-58.
Bij mijn beschouwing in § 5.5.2.1 over het ontstaansmoment van de schade koos ik ervoor een eventuele discussie over voordeelsverrekening de pas af te snijden. Betoogd werd dat vanwege het aanmerken van het moment van bekendwording van de misleiding als ontstaansmoment van de schade, aan het leerstuk van voordeelsverrekening niet meer werd toegekomen. Deze redenering gaat hier niet op. Het verschil met de situatie in § 5.5.2.1 is namelijk dat er thans wel sprake is van rechtens relevante schade. Dit omdat de misleiding reeds gedeeltelijk bekend is geworden en er dientengevolge reeds inflatie uit de koers is gelopen.
Zoals bekend is de Hoge Raad in het arrest Tennet TSO B.V. e.a./ABB B.V. e.a. teruggekomen van de strenge uitleg die hij voorheen gaf aan het begrip ‘dezelfde gebeurtenis’ in de zin van art. 6:100 BW. Volgens zijn nieuwe uitleg behelst het vereiste van ‘dezelfde gebeurtenis’ niets anders dan dat tussen de normschending en het gestelde voordeel een condico sine qua non-verband bestaat, aldus HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1483, NJ 2017/262, m.nt. S.D. Lindenbergh en J.S. Kortmann (TenneT TSO B.V. e.a./ABB B.V. e.a.).
Vgl. in dit verband de arresten HR 29 april 2011, NJ 2013/40, m.nt. J.B.M. Vranken onder NJ 2013/41 (Van der Heijden/Dexia Bank Nederland N.V.) en HR 3 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:164, NJ 2017/146, m.nt. Tjong Tjin Tai (Dexia Nederland B.V./De Vries).
De Jong noemt – onder verwijzing naar HR 4 december 2009, NJ 2010/67, m.nt. M.R. Mok (Nabbe/Staalbankiers BV) – ook nog de relativiteit als instrument om de schadevergoeding van de tussentijdse verkopers te beperken, De Jong 2010, p. 58.
Zie over schadevaststelling bij het schenden van garanties in overnamecontracten uitgebreid Strik 2004, p. 407-414. Zie in dit verband bijvoorbeeld ook het interessante vonnis Rb. Noord-Nederland 16 oktober 2013, ECLI:NL:RBNNE:2013:6292 (MK Technische Handelsgroep B.V./B. Beheer B.V.), r.o. 4.11.
De verkoper verkeerde bijvoorbeeld in financiële nood, zodat hij op het moment van de verkoop niet in staat was de objectieve marktprijs te realiseren.
Opgemerkt zij dat vernietiging van de overeenkomst op grond van dwaling bij SPA’s in de praktijk meestal wordt uitgesloten.
Voor het gemak wordt geabstraheerd van allerlei externe ontwikkelingen die zich na het sluiten van de overeenkomst kunnen voordien en die (als ze zich inderdaad voordoen) in de praktijk altijd bij de schadevaststelling zullen worden betrokken.
Asser/Hijma 2019 (7-I), nr. 650.
a. Peildatum
Vervolgens is de vraag welke peildatum tot uitgangspunt moet worden genomen voor de beleggers die aan hun vordering ten grondslag leggen dat zij ook bij afwezigheid van de misleiding het litigieuze aandeel zouden hebben gekocht, maar dan tegen een gunstigere prijs. In het Nederlandse schadevergoedingsrecht vallen het ontstaansmoment van de schade en de peildatum voor de schadevaststelling in de regel samen.1,2 Er bestaat echter geen enkele noodzaak om aan deze regel strak vast te houden.3 In de literatuur is bepleit dat het dogmatisch vasthouden aan deze regel gewrongen juridische constructies in de hand werkt en aanleiding kan geven tot het hanteren van overbodige juridische ficties.4 Ook bij de schadevaststelling bij aansprakelijkheid voor misleidende beursberichtgeving pleit ik ervoor om de regel los te laten en om de peildatum dus niet te laten samenvallen met het ontstaansmoment van de schade (althans, voor de beleggers die aan hun vordering ten grondslag leggen dat zij ook bij afwezigheid van de misleiding het litigieuze aandeel zouden hebben gekocht, maar dan tegen een gunstigere prijs). De meest voor de hand liggende peildatum voor de schadevaststelling voor de laatstgenoemde beleggers is namelijk het moment van aankoop en niet het moment van de bekendwording van de misleiding. Het verwijt dat deze beleggers de vennootschap maken komt er immers in de kern op neer dat zij – als gevolg van de misleiding – op het moment van aankoop te veel voor hun aandeel hebben betaald. Het bij de schadevaststelling aanknopen bij het moment van aankoop acht ik ook in overeenstemming met de gedachte dat er op dat moment een potentiële beschadiging in de vermogenspositie van de belegger optreedt ter hoogte van het bedrag van de koersinflatie (zoals ik al opmerkte, krijgt de potentiële beschadiging pas het predicaat schade als de misleiding bekend wordt). Het is de omvang van deze potentiële beschadiging die bij de schadevaststelling wordt gemeten. Dit wil uiteraard niet zeggen dat ook de volledige koersinflatie op het moment van aankoop voor vergoeding in aanmerking komt. Daarvoor is vereist dat dit bedrag op de voet van art. 6:98 BW (volledig) aan de vennootschap kan worden toegerekend (zie § 5.5.2.3).
Volledigheidshalve wijs ik erop dat zolang de marktwaarde van de misleidende informatie niet fluctueert en de kunstmatige koersinflatie over het (grootste deel van het)5 tijdvak van de misleiding derhalve constant is, het natuurlijk niet uitmaakt welk tijdstip bij de schadevaststelling tot uitgangspunt wordt genomen.6 Of nu wordt aangeknoopt bij het moment waarop de belegger zijn aandeel koopt of bij het moment waarop de misleiding bekend wordt, op beide tijdstippen wordt hetzelfde bedrag aan koersinflatie gemeten.7 In de praktijk komt het echter niet zelden voor dat de marktwaarde van de misleidende informatie juist wel fluctueert doordat aan de misleiding externe factoren erop inwerken. Gedacht kan worden aan het voorbeeld van de te rooskleurig voorgestelde (bewezen) voorraad oliereserves en de fluctuerende olieprijs of aan het voorbeeld van de te rooskleurig voorgestelde opbrengsten van een technologie die door de uitvinding van een concurrent plotseling veroudert.8 Wijzigt (als gevolg van een fluctuerende marktwaarde van de misleidende informatie) de omvang van de koersinflatie over het tijdvak van de misleiding, dan maakt het natuurlijk wel uit welk tijdstip als peildatum wordt gekozen. Neemt de marktwaarde van de misleidende informatie (en daarmee de koersinflatie) af, dan zal een hoger schadebedrag worden gemeten wanneer het moment van aankoop als peildatum wordt gekozen, dan wanneer voor het moment van bekendwording van de misleiding wordt gekozen. Neemt de marktwaarde van de misleidende informatie (en daarmee de koersinflatie) toe, dan geldt uiteraard precies het omgekeerde. De keuze van de peildatum is dus bepalend voor de hoogte van het vast te stellen schadebedrag.
b. Schadebegrotingsmaatstaf
Staat de peildatum vast, dan is vervolgens de vraag welke begrotingsmaatstaf bij de schadevaststelling moet worden gehanteerd.9 Deze maatstaf ligt besloten in de methode van vermogensvergelijking die volgens vaste rechtspraak bij schadevaststelling moet worden uitgevoerd.10 De vermogenspositie van de benadeelde zoals deze feitelijk is nadat de normschending heeft plaatsgevonden moet worden vergeleken met de vermogenspositie van de benadeelde zoals deze zou zijn geweest in de hypothetische situatie waarin de normschending was uitgebleven. Vertaald naar de context van aansprakelijkheid voor misleidende beursberichtgeving komt deze maatstaf erop neer dat (i) de marktwaarde van het gekochte aandeel uitgaande van de situatie waarin de verstrekte informatie juist en volledig was, wordt vergeleken met (ii) de marktwaarde die het aandeel zou hebben gehad wanneer juiste en volledige informatie zou zijn verstrekt.11
Ad (i) De marktwaarde van het aandeel uitgaande van de situatie waarin de verstrekte informatie juist en volledig was, is niets anders dan de koers waartegen de belegger het aandeel op de (primaire of secundaire) markt heeft gekocht. De markt was immers niet bekend met de misleiding, dus zij heeft het aandeel geprijsd alsof de gepubliceerde informatie juist en volledig was. De belegger was evenmin met de misleiding bekend (althans, daar gaan we van uit) en mocht daarom van de zuiverheid van deze marktprijs uitgaan. Verder is van belang dat bij (de handel in) beursgenoteerde aandelen de marktprijs voor de individuele belegger een vaststaand gegeven is en dat daarover niet wordt onderhandeld. De prijs die de belegger voor het aandeel betaalt is daarom altijd gelijk aan de marktprijs.
Ad (ii) De marktwaarde die het aandeel zou hebben gehad als juiste en volledige informatie zou zijn verstrekt, is niets anders dan de intrinsieke waarde (ook wel genoemd: fair value) van het aandeel op het moment van aankoop. De belegger was op dat moment echter nog niet met de misleiding bekend en daarom was deze intrinsieke waarde voor hem toen nog gelijk aan de marktwaarde.
Hieruit volgt dat de schadebegrotingsmaatstaf gelijk is aan het verschil tussen de prijs die de belegger op de markt voor het aandeel heeft betaald en de intrinsieke waarde van het aandeel.12 Het gaat hier om een ondergrens van het totale schadebedrag (of nauwkeuriger gezegd: om een ondergrens in de omvang van de potentiële beschadiging die optreedt in de vermogenspositie van de belegger), want goed denkbaar is dat de belegger bovenop het bedrag van de kunstmatige koersinflatie nog meer schade lijdt. Deze schade kan bijvoorbeeld bestaan uit gederfd rendement dat de belegger over het tijdvak van de misleiding zou hebben behaald, wanneer hij bij afwezigheid van de misleiding het bedrag van de koersinflatie in een ander beleggingsobject zou hebben geïnvesteerd. Als de belegger een zodanig gederfd rendement kan aantonen (hetgeen geen sinecure is), is natuurlijk wederom de vraag of dat de vennootschap op de voet van art. 6:98 BW (volledig) kan worden toegerekend (zie § 5.5.2.3).
c. Correctie bij tussentijdse verkopen
Indien de misleiding niet door middel van één enkele corrigerende mededeling, maar in plaats daarvan geleidelijk bekend wordt waardoor de koersinflatie geleidelijk uit de koers loopt, is ook bij de tussentijdse verkopers sprake van rechtens relevante schade.13 Met ‘tussentijdse verkopers’ doel ik op de beleggers die hun aandeel verkopen voordat de misleiding volledig bekend is (en de inflatie volledig uit de koers is gelopen). Voor deze beleggers moet in het kader van de schadevaststelling uiteraard nog een correctie worden aangebracht. Als de belegger namelijk zijn aandeel verkoopt voordat de misleiding volledig bekend is, verdient hij nog een deel van de koersinflatie terug.14 Men zou ook kunnen zeggen dat de belegger niet alleen door de misleiding wordt benadeeld, maar daarvan tevens gedeeltelijk profiteert. De toe te passen correctie is eenvoudig. Op het via de (hierboven uiteengezette) begrotingsmaatstaf vastgestelde schadebedrag moet voor de tussentijdse verkopers simpelweg de door hen terugverdiende koersinflatie in mindering worden gebracht.15
Het is van belang te benadrukken dat de schade van de tussentijdse verkopers slechts bestaat uit dat deel van de koersinflatie dat als gevolg van de geleidelijke bekendwording van de misleiding uit de koers is gelopen. De koersinflatie kan namelijk ook afnemen doordat de marktwaarde van de misleidende informatie afneemt omdat externe factoren op de misleiding inwerken (vgl. te rooskleurig voorgestelde hoeveelheid oliereserves in combinatie met een fluctuerende olieprijs). Uitgaande van de door mij gekozen benadering voor het ontstaansmoment van de schade (de schade ontstaat pas wanneer en voor zover de misleiding naar buiten komt), vormt de laatstgenoemde afname van de koersinflatie echter geen rechtens relevante schade. Dat deel van de afgenomen koersinflatie behoort dus ook niet in het schadebedrag van de tussentijdse verkopers tot uitdrukking te komen.16 Voor het scenario van een fluctuerende marktwaarde van de misleidende informatie en de complicaties die dat verder met zich brengt, verwijs ik naar § 5.5.2.3.
Overigens wijs ik erop dat het aanbrengen van de bedoelde correctie voor tussentijdse verkopers zich gemakkelijk laat oplossen via de schadevaststelling, maar dat dit niet de enige route is. Het in mindering brengen van de (via een tussentijdse verkoop) terugverdiende koersinflatie op het schadebedrag is ook te bereiken via het leerstuk van voordeelsverrekening (art. 6:100 BW).17,18 De te volgen redenering bestaat dan uit twee stappen. Ten eerste kan men zeggen dat de schade bestaande uit de betaalde koersinflatie en het voordeel bestaande uit de terugverdiende koersinflatie voortvloeien uit dezelfde gebeurtenis, namelijk de misleiding.19 Ten tweede kan men beredeneren dat het tevens redelijk is de (later) terugverdiende koersinflatie met de (eerder) betaalde koersinflatie te verrekenen.20 Behoudens het leerstuk van voordeelsverrekening zou eventueel ook nog voor het toerekeningsverband van art. 6:98 BW kunnen worden geopteerd. De redenering bij deze optie is dat het slechts redelijk is het bedrag van de betaalde koersinflatie aan de vennootschap toe te rekenen, voor zover de koersinflatie niet is terugverdiend via een tussentijdse verkoop.21
d. Ter vergelijking schadebegrotingsmaatstaf bij aandelenverkoop in besloten verhoudingen
Voor een goed begrip van de hier besproken schadeproblematiek is het de moeite waard de toepasselijke schadebegrotingsmaatstaf bij aansprakelijkheid voor misleidende beursberichtgeving te vergelijken met de maatstaf die wordt gehanteerd bij geschillen over Share Purchase Agreements (SPA) in besloten verhoudingen.22 Wanneer bij een aandelenverkoop een in de SPA overeengekomen garantie over vooraf verstrekte informatie wordt geschonden (gedacht kan worden aan een door de verkoper afgegeven balansgarantie), kan men niet zonder meer zeggen dat de schade gelijk is aan het verschil tussen de betaalde overnameprijs en de intrinsieke waarde van de aandelen (de waarde als juiste en volledige informatie zou zijn verstrekt). Het essentiële verschil tussen een transactie op de beurs en een overnametransactie in besloten verhoudingen is dat bij de laatstgenoemde transactie de marktprijs geen gegeven is en dat hierover tussen koper en verkoper wordt onderhandeld. Hierdoor is de overeengekomen overnameprijs doorgaans niet gelijk aan de marktprijs van de aandelen (als een objectieve marktprijs überhaupt bestaat; in besloten verhoudingen is dat geen vanzelfsprekendheid). De overeengekomen koopprijs zal mede afhangen van de onderlinge krachtsverhoudingen en de onderhandelingscapaciteiten van de contractspartijen. Ook zal de koopprijs afhangen van de synergievoordelen die de koper met de overname verwacht te behalen. Zijn de verwachte synergievoordelen groot, dan zal de koper bereid zijn een hogere overnameprijs te betalen dan wanneer de verwachte voordelen gering zijn. Hierbij is van belang dat deze synergievoordelen in beginsel louter de (vermogens)positie van de individuele koper betreffen en niet of nauwelijks samenhangen met de (objectieve) marktprijs van de desbetreffende aandelen. De omstandigheid dat bij een SPA de koopprijs meestal niet overeenkomt met de marktprijs, is van invloed op de wijze van schadebegroting die wordt gehanteerd indien een garantie uit de SPA wordt geschonden. Heeft de koper slecht onderhandeld of was hij om andere redenen bereid een prijs voor de aandelen te betalen die ver boven de marktprijs uitging, dan zal dit op negatieve wijze van invloed zijn op de hoogte van het schadebedrag. Heeft de verkoper daarentegen slecht onderhandeld of was de verkoper om andere reden bereid de aandelen voor een (ten opzichte van de objectieve marktprijs) lage prijs van de hand te doen,23 dan zal dit op positieve wijze van invloed zijn op het schadebedrag. Ik zal dit toelichten aan de hand van twee voorbeelden.
Vennootschap A en vennootschap B sluiten een overnameovereenkomst voor de verkoop van A’s dochtervennootschap C. De overeengekomen overnameprijs bedraagt € 100.000 en A heeft aan B een balansgarantie afgegeven waarin de juistheid van de jaarcijfers van C wordt gegarandeerd. Aangenomen wordt dat B slecht heeft onderhandeld en dat de marktwaarde van C uitgaande van de juistheid van de gegarandeerde cijfers slechts € 80.000 bedraagt. Enige tijd na levering van de aandelen blijkt dat C er veel minder goed voor staat dan vooraf werd voorgespiegeld. Er blijken lijken in de kast te liggen, waardoor de aandelen in C werkelijkheid maar € 50.000 waard zijn. Wanneer vennootschap B vennootschap A vervolgens aanspreekt uit hoofde van wanprestatie en schadevergoeding vordert in de vorm van een koopprijsaanpassing,24 moet de schade mijns inziens worden begroot op een bedrag van (80.000 – 50.000 =) € 30.000 en niet op een bedrag van (100.000 – 50.000 =) € 50.000.25 Het slechte onderhandelingsresultaat van B ten bedrage van € 20.000 (het verschil tussen de marktprijs uitgaande van de juistheid van de gegarandeerde en de overeengekomen overnameprijs) ligt in B’s eigen risicosfeer en ik acht het onjuist om dit bedrag aan te merken als schade.26
Het tweede voorbeeld gaat uit van dezelfde casuspositie als het eerste, met dien verstande dat B dit keer erg goed heeft onderhandeld en dat de marktwaarde van C uitgaande van de juistheid van de gegarandeerde jaarcijfers € 120.000 bedraagt. Wanneer vennootschap B vennootschap A aanspreekt uit hoofde van wanprestatie, moet de schade in dit geval worden begroot op een bedrag van (120.000 – 50.000 =) € 70.000 en niet op een bedrag van (100.000 – 50.000 =) € 50.000. Het goede onderhandelingsresultaat van B mag hem in het kader van de schadevaststelling mijns inziens niet worden tegengeworpen. Overigens zou men in dit voorbeeld ook kunnen spreken van een abstracte wijze van schadevaststelling. Zou namelijk puur gekeken worden naar het bedrag dat B als gevolg van de ondeugdelijke informatieverschaffing door A extra heeft moeten lenen (of het bedrag waarmee – gemeten naar het moment van aankoop – zijn bankrekeningsaldo dientengevolge is verslechterd), dan zou men wel uitkomen op het bedrag van € 50.000 (de zogenoemde ‘out- of-pocket’-maatstaf). Het verschil van € 20.000, het bedrag dat het goede onderhandelingsresultaat vertegenwoordigt, bevindt zich – om met Hijma te spreken –27‘in dezelfde abstractiesfeer als de bepaling van art. 7:36 BW’, het artikel dat van toepassing zou zijn geweest als de SPA zou zijn ontbonden.