Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/II.5.2.2.1
II.5.2.2.1 ‘Daarbij aangewezen’ en de eis van onmiddellijke identificeerbaarheid
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS625081:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De term ‘krachtens’ heeft een zwaardere lading dan bijvoorbeeld de term ‘waarin’ (vgl. art. 4:117 BW voor het legaat). In het Rapport Commissie Erfrecht I, p. 64 en Rapport Commissie Erfrecht II, p. 171 wordt aangegeven dat de Commissie van oordeel is dat de woorden ‘krachtens welke’ beter vervangen kunnen worden door ‘waarbij.’ Met de term ‘krachtens welke’ wordt namelijk meer het gevolg van de erfstelling omschreven dan de erfstelling zelf.
Zie Kamerstukken II 1954/55, 3771, 2, p. 8 (RO), Parl. Gesch. Vast. p. 739 en TM, p. 342: ‘Deze artikelen brengen niets nieuws. Men vergelijke artikel 1001 en 1002 BW’.
Kamerstukken II 1962/63, 3771, 7, p. 19 (GO), Parl. Gesch. Vast. p. 739. Vgl. ook art. 661 Wetboek Lodewijk Napoleon ingericht voor het Koningrijk Holland, waarin wordt bepaald dat ‘De erfgenaam moet in het testament zelve genoemd worden, zonder dat men te dien opzigte mag verwijzen tot enig ander geschrift, veel min de benoeming aan de verkiezing van een’ ander’ overlaten (curs. NB).’ Vgl. de woorden ‘daarbij aangewezen’ ook met Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 117: ‘Een levering zonder een daarbij aangewezen object is slechts een loze handeling’ (zie ook paragraaf 4.4.2.1 ‘Voldoende bepaaldheid bij levering’).
Naast de eis van onmiddellijke identificeerbaarheid, zien de woorden ‘daarbij aangewezen’ ook op de bestaanseis (art. 4:56 lid 1 BW) en de vormvoorschriften die gelden voor uiterste wilsbeschikkingen. Zie ook F. Schols, Handboek Erfrecht 2011, p. 145; Asser/Perrick 2013 (4), nr. 152.
De term ‘daarbij aangewezen’ is evenwel in de definitieve tekst van art. 4:117 BW geschrapt. Zie hierna paragraaf 5.3.2.3 ‘Geschrapte eis van onmiddellijke identificeerbaarheid’.
Zie mijn opmerking in noot 11 van dit hoofdstuk.
Kamerstukken II 1962/63, 3771, 6, p. 78 (MvA II), Parl. Gesch. Vast. p. 717.
Vgl. ook Rookmaker 2003b, p. 19 en Van Mourik 2009, p. 481.
F. Schols, Handboek Erfrecht 2011, p. 117-118.
Nader onderzoek kan overigens wel mogelijk zijn. Vgl. Kamerstukken II 1964/65, 3771, 8, p. 50-51 (MO), Parl. Gesch. Vast. p. 743 met betrekking tot het vereiste van onmiddellijke identificeerbaarheid en het legaat (hierover ook paragraaf 5.3.2.2 en 5.3.2.3): ‘Overigens is het niet nodig, dat de identiteit uitsluitend uit het testament moet kunnen blijken; het kan noodzakelijk zijn, andere gegevens dan het testament alleen te raadplegen. In de casus van ‘de plaatselijke pastoor’ zal men elders zijn licht moeten opsteken ten einde tot identificatie te geraken. Als de bevoordeelde, bij voorbeeld, een kleinzoon is, in een ander werelddeel woonachtig, behoeven zijn personalia niet op de dag van het ontstaan van het vorderingsrecht reeds bekend te zijn. Wellicht is daartoe enig onderzoek nodig. Maar de noodzaak van enig onderzoek is een andere zaak dan dat nog bepaalde voorwaarden moeten zijn vervuld, voordat de bevoordeelde uit een bepaalde groep van personen, die als ‘kanshebbers’ mogen worden aangemerkt, naar voren optreedt (curs. NB).’
Anders Asser/Perrick 2013 (4), nr. 148: ‘De erflater kan tot zijn erfgenaam benoemen de leerling van een bepaalde school met het naar het oordeel van de directeur beste eindexamen in het jaar, volgende op dat van het overlijden (curs. NB).’ En Pitlo/Van der Burght & Ebben 2004, nr. 221: ‘De delegatie is niet beperkt tot de aanwijzing van legatarissen of lastbevoordeelden, maar kan ook erfstellingen omvatten. Bijvoorbeeld: erfgenaam van één/zesde gedeelte van mijn nalatenschap zal zijn degeen, die naar het oordeel van één of meer bepaalde personen of instanties in het jaar van mijn overlijden de geestigste scriptie over een erfrechtelijk onderwerp heeft geschreven (curs. NB).’
Breemhaar 1992, nr. 126 en 127.
Breemhaar 1992, nr. 127.
Zie ook paragraaf 6.5.3 ‘Tweetrapsmaking’, waarin ik nader inga op de tweetrapsmaking.
In art. 4:115 BW wordt de erfstelling gedefinieerd. Art. 4:115 BW is de facto gelijk aan art. 4:1001 oud BW, waarin de erfstelling werd omschreven als een uiterste wilsbeschikking, waarbij de erflater aan een of meer personen de goederen geeft, welke hij bij zijn overlijden zal nalaten, hetzij in het geheel, hetzij voor een gedeelte, zoals de helft, een derde etc. Meijers had met zijn wetsontwerp ook geen afwijking van art. 4:1001 oud BW voor ogen, getuige zijn omschrijving van de erfstelling en de toelichting daarop:
‘Een erfstelling is een uiterste wilsbeschikking, krachtens1 welke de erflater aan een of meer personen zijn ganse nalatenschap of een aandeel daarin nalaat.’2
In het gewijzigd ontwerp zijn evenwel de woorden ‘een of meer personen’ verduidelijkt met de woorden ‘een of meer daarbij aangewezen personen’.3 Dat heeft met name te maken met de eis van de onmiddellijke identificeerbaarheid van testamentaire erfgenamen op het ogenblik dat de nalatenschap openvalt:4
‘Met de Commissie acht de ondergetekende het gewenst in de definitie van het legaat de term “een of meer personen” te preciseren.5 Tot uitdrukking worde gebracht dat de erflater het recht toekent aan een of meer in zijn uiterste wil aangewezen personen. Deze precisering is eveneens op haar plaats in de definitie van erfstelling. Zij stelt ook de juiste aansluiting bij de regel van artikel 4.3.2.2 lid 1 in het licht. Volgens die regel moet men, om aan een uiterste wilsbeschikking een recht te kunnen ontlenen, bestaan op het ogenblik dat de nalatenschap openvalt. Hierbij sluit zich aan dat de identiteit van een ingestelde erfgenaam, althans van een als zodanig eerstgeroepene, volledig moet kunnen worden bepaald aan de hand van de uiterste wil en de op het ogenblik van het overlijden van de erflater bestaande omstandigheden (…)
De term “een of meer daarbij aangewezen personen” die het gewijzigd ontwerp in de definities van erfstelling en legaat6 bezigt, brengt voorts niet alleen tot uitdrukking dat de personen door de erflater zelf moeten zijn aangewezen en dus niet door een ander, noch, buiten de bijzondere gevallen van artikel 4.3.2.2 leden 2-4, door omstandigheden intredende na zijn dood kunnen worden bepaald, maar ook dat niet voldoende is een verwijzing bij uiterste wil naar een aanwijzing die de erflater voor of nadien mondeling of in een niet aan de vormvereisten voldoend schriftuur heeft gedaan (curs. NB).’7
Uit het vereiste van onmiddellijke identificeerbaarheid wordt duidelijk dat er voor het benoemen van de erfgenamen een strikt bepaaldheidsvereiste geldt, dat geen ruimte laat voor andermans subjectieve elementen (vgl. het goederenrechtelijke bepaaldheidsvereiste in paragraaf 4.4). De erfgenamen kunnen slechts door erflater zelf worden aangewezen.8 Zij moeten immers op het moment dat de nalatenschap openvalt onmiddellijk identificeerbaar zijn en kunnen zodoende niet ‘achteraf’ door omstandigheden die intreden na erflaters dood noch door de wil van een ander worden bepaald.
F. Schols merkt dan ook terecht op dat de woorden ‘daarbij aangewezen’ een beperking in de delegatiebevoegdheid van erflater kunnen inhouden.9 Het betreft hier dan een beperking met betrekking tot delegatie ten aanzien van de erfgenamen. De woorden ‘daarbij aangewezen’ en het hierin gelegen vereiste van onmiddellijke identificeerbaarheid zien immers op ‘personen’. Het gaat om ‘daarbij aangewezen personen’. Of de erfdelen bij het openvallen van de nalatenschap ook onmiddellijk kenbaar dienen te zijn, behandel ik in paragraaf 5.2.4.
Indien de identiteit van de erfgenamen onmiddellijk, dat wil zeggen volledig aan de hand van de uiterste wil en de op het ogenblik van het overlijden van de erflater bestaande omstandigheden,10 moet kunnen worden vastgesteld, is er geen ruimte om een derde te laten bepalen wie de erfgenamen zijn. Een testamentair erfgenaam kan alleen door de erflater zelf in zijn uiterste wil worden bepaald en niet door anderen.11 De woorden ‘daarbij aangewezen’ houden dus anders gezegd een verbod in om te delegeren ten aanzien van de erfgenamen.
Breemhaar vindt dat de woorden ‘daarbij aangewezen’ niet thuishoren in de definitie van de erfstelling.12 Het vereiste van onmiddellijke identificeerbaarheid van de testamentaire erfgenamen is zijns inziens geen element van de erfstelling, maar een geldigheidsvereiste daarvan. Het maakt voor de vereiste mate van bepaaldheid ten aanzien van de erfstelling evenwel geen verschil of het vereiste van onmiddellijke identificeerbaarheid van de testamentaire erfgenamen geldt als element van de definitie of als geldigheidsvereiste van de erfstelling. Beide opvattingen leiden tot een strikt bepaaldheidsvereiste waardoor voor wilsdelegatie ten aanzien van het vaststellen van de erfgenamen geen plek is.
In eerste instantie lijkt het dan ook overbodig om de redenering achter Breemhaars standpunt weer te geven. Toch haal ik haar aan. Zij kan namelijk van belang zijn voor de uitleg van het bepaaldheidsvereiste ten aanzien van de zogenoemde tweetrapserfstelling (vgl. art. 4:56 leden 2-4 en art. 4:137-141 BW; het betreft hier in feite een rechtshandeling onder voorwaarde) en ten aanzien van de nog te behandelen testamentaire last (art. 4:130 BW, zie subparagraaf 5.4).
‘Het vereiste [van onmiddellijke identificeerbaarheid, toev. NB] sluit aan bij de bepaling van art. 4.3.2.2 lid 1 eerste zin (O.I.), dat de benoemde erfgenaam op het ogenblik van het overlijden van de erflater moet bestaan. Art. 4.3.2.2 leden 2, 3, en 4 (O.I.) bevat ten aanzien van het fideicommis enkele uitzonderingen op de bepaling van art. 4.3.2.2 lid 1 eerste zin (O.I.). Ten aanzien van die uitzonderingen moet het vereiste van de onmiddellijke identificeerbaarheid dan ook uitzondering lijden. Het vereiste is daarom mijns inziens ook niet op te vatten als een element van het begrip erfstelling, maar als een geldigheidsvereiste dat de wet in het algemeen met betrekking tot de erfstelling stelt.’13
Dat voor de beschikkingen waarvoor de bestaanseis niet geldt, zoals de testamentaire last, ook geen vereiste van onmiddellijke identificeerbaarheid geldt, komt mij logisch voor. Bestaat men nog niet op het moment dat de nalatenschap openvalt, dan kan men ook niet onmiddellijk geïdentificeerd worden. Hoeft men zodoende nog niet te bestaan op het moment dat de nalatenschap openvalt, dan hoeft men op dat moment ook niet onmiddellijk identificeerbaar te zijn.
Zou op grond van deze gedachte kunnen worden gesteld dat voor de beschikkingen waarvoor de bestaanseis niet geldt, en bijgevolg ook de eis van onmiddellijke identificeerbaarheid niet, ook geen strikt bepaaldheidsvereiste hoeft te worden gehanteerd ten aanzien van het subject van de verkrijging? En zou er dan ten aanzien van dit subject ruimte zijn om te delegeren? Met betrekking tot de testamentaire last kom ik hierop terug in paragraaf 5.4. Op de tweetrapserfstelling ga ik hierna kort in. De tweetrapserfstelling betreft een erfstelling onder een ontbindende voorwaarde en een daarbij aansluitende erfstelling onder opschortende voorwaarde, volgens welke het vermaakte of het onverteerde deel daarvan op het tijdstip van overlijden van de bezwaarde of op een eerder tijdstip zal ten deel vallen aan de verwachter, indien deze het aangewezen tijdstip overleeft (vgl. art. 4:141 BW).14