Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/5.3.2.2.1
5.3.2.2.1 Het criterium
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 27 november 1991, Stb. 1991, 663, in werking getreden op 1 mei 1992. Vóór deze wetswijziging accepteerde de Hoge Raad reeds het afzien van hernieuwde oproeping op de grond dat deze ‘overbodig en nutteloos’ was. Zie bijvoorbeeld HR 10 maart 1987, NJ 1988, 422. Hiervoor bestond echter geen wettelijke basis.
Kamerstukken II 1988/89, 21 241, nr. 3 (MvT), p. 24.
Kamerstukken II 1988/89, 21 241, nr. 3 (MvT), p. 24. Uiteraard kan ook het belang van het openbaar ministerie bij een succesvolle vervolging een rol spelen bij de beslissing een getuige niet op te roepen, maar dat is niet relevant voor de vraag of het ondervragingsrecht van de verdediging is gerespecteerd.
Kamerstukken II 1988/89, 21 241, nr. 3 (MvT), p. 23.
Zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam 13 april 2005, ECLI:NL:GHAMS:2005:AU0900 en Hof Arnhem 23 mei 2006, ECLI:NL:GHARN:2006:AX3969.
Zie daarover § 2.4.3. In Hof Arnhem 4 oktober 2012, ECLI:NL:GHARN:2012:BX9270 was kort voor het verlopen van de door de rechtbank gestelde termijn de aankondiging ontvangen dat de Bengaalse autoriteiten binnen een paar dagen een beslissing zouden nemen op het verzoek om toestemming om getuigen in Bangladesh te mogen horen. Toen de toestemming op die dag niet was ontvangen (die één dag later wel werd gegeven) oordeelde de rechtbank dat niet viel te verwachten dat de getuigen binnen een afzienbare termijn zouden kunnen worden gehoord. In deze zaak was het uitstellen van de beslissing mijns inziens geen ‘insuperable obstacle’ geweest (vgl. EHRM 24 juli 2008, appl.no. 41461/02 (Romanov/Rusland), § 104). Het gerechtshof besloot echter dat niet te verwachten was dat de getuigen binnen afzienbare tijd zouden kunnen worden gehoord. De Hoge Raad deelde de opvatting van het gerechtshof: HR 8 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:846. De hier genoemde feiten blijken uit het niet gepubliceerde tussenarrest van het gerechtshof van 27 mei 2011 en uit de requisitoiraantekeningen van de advocaatgeneraal voor de desbetreffende zitting. Een in deze zaak ingediende klacht is door het EHRM zonder motivering niet-ontvankelijk verklaard: EHRM 4 december 2014, appl.no. 66902/14 (dec.) (G.V./Nederland) (niet gepubliceerd).
Zie daarover § 3.2.2.2.
Er kan worden betoogd dat de inspanningsverplichting tot uitdrukking komt in de term ‘aanvaardbare termijn’. Mijns inziens ligt de nadruk echter op de aanvaardbaarheid van de termijn en niet op de aanvaardbaarheid van het nalaten van inspanningen.
HR 17 maart 1998, NJ 1998, 532.
In HR 2 maart 1993, NJ 1993, 672 had de getuige in een notariële akte van verklaring en in een brief aan de voorzitter van de rechtbank uiteengezet dat zij zich ter zitting op haar verschoningsrecht zou beroepen. Het gerechtshof zag af van een hernieuwde oproeping van de getuige, omdat het die nutteloos vond (het toenmalige criterium). De Hoge Raad vond dat deze beslissing voldoende was gemotiveerd.
Vgl. EHRM 27 februari 2014, appl.no. 5699/11 (Lučić/Kroatië), § 73: ‘all reasonable efforts should be made to secure their attendance’.
Algemeen
Artikel 264 lid 1 sub a Sv geeft aan dat een getuigenverzoek mag worden afgewezen wanneer niet aannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter zitting zal verschijnen. In 1992 trad de wet in werking die deze grond in het Wetboek van Strafvordering introduceerde.1 Deze afwijzingsgrond kan niet alleen worden gebruikt wanneer de getuige onvindbaar is, maar ook ingeval een traceerbare getuige niet succesvol blijkt te kunnen worden opgeroepen, bijvoorbeeld omdat hij overleden of ziek is of hijzelf of de autoriteiten van de staat waar hij verblijft geen medewerking willen verlenen aan een ondervraging.2
De wet spreekt van verschijning binnen een ‘aanvaardbare termijn’. Hierin ligt een belangenafweging besloten. Enerzijds is het van groot belang dat de verdediging de betrouwbaarheid van een getuige kan toetsen. Anderzijds is ook van belang dat het strafproces niet wordt geblokkeerd door het achterwege blijven van de verschijning van de getuige.3 In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel schreef de Minister van Justitie:
‘De woorden «binnen een aanvaardbare termijn» veronderstellen dat de rechter in zijn afweging dient te betrekken de periode waarbinnen de getuige eventueel ter terechtzitting zal kunnen verschijnen, de aard van de zaak en het belang van de getuigeverklaring voor de door de rechter te nemen beslissing.’4
Rechters wijzen getuigenverzoeken dikwijls af op een naar mijn mening andere grond, namelijk dat niet aannemelijk is dat de getuige binnen ‘afzienbare tijd’ zal verschijnen.5 Hoewel de toepassing van dit criterium niet per se tot andere uitkomsten hoeft te leiden, is dat wel denkbaar, omdat in de term ‘afzienbare’ in mindere mate een belangenafweging besloten ligt. Het komt voor dat een rechtbank een termijn stelt waarbinnen een ondervragingsgelegenheid moet hebben plaatsgevonden. Is die termijn niet gehaald, dan wordt soms om die reden aangenomen dat de getuige niet binnen afzienbare tijd zal verschijnen. Wanneer het een belangrijke getuige betreft en de verdachte wordt verdacht van een ernstig strafbaar feit, is zijn belang bij ondervraging van de getuige groot. Dat een door de rechtbank gestelde termijn niet is gehaald, brengt in zo’n geval mijns inziens niet automatisch met zich dat verdere vertraging van de procedure onaanvaardbaar is.6 Dikwijls zal de verdediging de vertraging zelf hebben bewerkstelligd door te persisteren in haar getuigenverzoek. In dat geval zal het recht op berechting binnen een redelijke termijn niet snel worden geschonden.7
Kritiek op het criterium
Het criterium is om drie redenen niet erg gelukkig geformuleerd. In de eerste plaats is het gebaseerd op het uitgangspunt dat de getuige ter zitting wordt ondervraagd. In de praktijk worden getuigen echter doorgaans niet ter zitting ondervraagd. De meeste getuigenverhoren vinden plaats bij de rechtercommissaris. Daarnaast bestaan andere mogelijkheden om getuigen te verhoren, zoals een verhoor per videoconferentie – waarbij twijfelachtig is of de getuige ter terechtzitting is ‘verschenen’ – of een verhoor door een rogatoire commissie of door buitenlandse autoriteiten wanneer de getuige zich in het buitenland bevindt. De beperking tot verschijning ter zitting miskent mijns inziens ook de essentie van de weigeringsgrond: het gaat erom of de getuige kan worden gehoord en niet of hij op een bepaalde plaats zal verschijnen. Dat ‘ter zitting’ in het criterium is opgenomen, hangt samen met artikel 263 lid 1 Sv: ‘De verdachte is bevoegd getuigen en deskundigen ter terechtzitting te doen oproepen’. De wet biedt de verdediging geen mogelijkheid om de officier van justitie te verzoeken een getuige elders dan ter terechtzitting op te roepen. Zelfs wanneer het bijvoorbeeld om een zeer jong kind gaat, waarvan zeker is dat een verzoek tot oproeping ter zitting zal worden afgewezen, zou de verdediging volgens de wettelijke regels moeten verzoeken om de getuige ter zitting te doen oproepen. De wettelijke regeling voor het doen van getuigenverzoeken en het afwijzen daarvan zou mijns inziens in overeenstemming moeten worden gebracht met de realiteit.
In de tweede plaats bevat het criterium geen aanwijzingen met betrekking tot de inspanningen die de justitiële autoriteiten moeten doen om een getuigenverhoor te organiseren.8 Wanneer onvoldoende activiteiten zijn ontplooid om een getuige te traceren, zal zowel de Hoge Raad als het EHRM oordelen dat de afwijzing van het getuigenverzoek niet gerechtvaardigd was.9 Het zou voor de hand liggen om deze inspanningen dan ook in het criterium op te nemen.
In de derde plaats valt de weigering van de oproeping van een getuige waarvan zeker is dat deze zal weigeren te verklaren, niet onder de reikwijdte van het criterium, terwijl een getuigenverzoek in dat geval wel op deze weigeringsgrond mag worden afgewezen. Het criterium stelt immers de verschijning van de getuige bij een verhoor centraal, terwijl een getuige die weigert vragen te beantwoorden, wel bereid kan zijn ter terechtzitting te verschijnen.10 Daarom zou ook de kwaliteit van de ondervraging in het criterium moeten worden opgenomen.
Een mogelijke alternatieve formulering zou zijn dat een getuigenverzoek mag worden afgewezen indien de officier van justitie of rechtbank ‘van oordeel is dat niet aannemelijk is dat enige redelijkerwijs te vergen inspanning ertoe zal leiden dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn behoorlijk en effectief zal kunnen worden ondervraagd’.11