Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/5.3.2.2.7
5.3.2.2.7 Getuige is onvindbaar
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
HR 13 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ3241; HR 6 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4220; HR 16 augustus 2005, NJ 2005, 501; HR 11 juni 2002, NJ 2002, 459; HR 8 juni 1993, DD 93.464; HR 9 januari 1990, NJ 1990, 354.
Daaruit kan ook blijken dat de getuige geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft, bijvoorbeeld omdat hij is geĆ«migreerd of ā in geval van een vreemdeling ā het land is uitgezet. Zie HR 9 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN7721, HR 11 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB5376, HR 21 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9438, HR 20 april 2004, NJ 2005, 241 en HR 2 maart 1999, NJ 1999, 739. De basisregistratie personen is de opvolger van de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA). De hier genoemde jurisprudentie heeft betrekking op de GBA.
HR 9 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN7721;HR 22 januari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5595.
In HR 7 mei 1996, NJ 1996, 687 was vastgesteld dat de getuige geen verblijfsvergunning in Nederland had, waardoor hernieuwde oproeping zinloos was.
HR 15 februari 2011, NJ 2011, 92.
HR 5 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0690 (familie weet ook niet waar de getuige is); HR 18 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8070.
In HR 9 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN7721 was aan de nieuwe bewoners op het adres gevraagd of zij over het nieuwe adres van de getuige beschikten. In HR 20 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC7413 meldden buurtbewoners dat de getuige in Nigeria zou zijn.
HR 9 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN7721; HR 13 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4944; HR 5 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0690.
HR 9 oktober 2007, NJ 2008, 43; HR 18 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8070. In HR 25 september 2007, NJ 2007, 531 had het hof besloten drie telefoonnummers waarmee de getuige, een prostituee, klanten had gebeld, niet te benutten, met de motivering dat het waarschijnlijk prepaid toestellen betrof. De Hoge Raad vond dat, enigszins tot mijn verbazing, niet onbegrijpelijk.
In HR 25 september 2007, NJ 2007, 531 was dat geprobeerd ten aanzien van een prostituee, van wie overigens de echte naam niet bekend was, maar wel een werknaam. Zie ook HR 14 mei 1996, NJ 1996, 645.
HR 22 januari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5595.
In HR 6 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4220 had de verdediging betoogd dat de getuige naar school ging. AG Knigge meende echter dat dit niet uit het verhandelde ter zitting bleek.
HR 2 november 2010, NJ 2011, 451.
HR 28 januari 1997, NJ 1997, 409: uit het dossier blijkt niet dat is geprobeerd uitvoering te geven aan het bevel tot medebrenging. Het hof heeft daarnaar bovendien geen onderzoek ingesteld. Zie ook HR 15 februari 2005, NS 2005, 85, waarin ten onrechte niet was gemotiveerd waarom een nieuw bevel tot medebrenging zinloos zou zijn.
HR 29 september 1998, NJ 1999, 74.
Onderdeel 3 zijn conclusie bij HR 29 september 1998, NJ 1999, 74.
Dit is gebeurd in HR 20 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC7413.
Beide mogelijkheden waren tevergeefs benut in HR 11 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF0626. In HR 1 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6486 had een liaisonofficier adressen achterhaald. Zie over liaisonofficieren Koers 2001, p. 232-234.
Dit geval deed zich voor in HR 1 april 2003, NJ 2003, 303, HR 8 juni 1999, NJ 1999, 773 en HR 17 november 1992, NJ 1993, 274 en waarschijnlijk ook in HR 20 april 2004, NJ 2005, 241 en HR 12 oktober 1993, NJ1994, 158. In deze zaken meende de Hoge Raad dat de rechter mocht aannemen dat niet te verwachten was dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter zitting zou verschijnen.
Onderdeel 8 van de conclusie van AG Wortel bij HR 20 september 2005, NJ 2006, 25.
HR 17 maart 1998, NJ 1998, 532.
HR 25 september 2007, NJ 2007, 531.
Onderdelen 16 en 17 van de conclusie van AG Vegter bij HR 16 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN0008.
Getuige bevindt zich vermoedelijk in binnenland
Wanneer een getuige is opgeroepen op alle van hem bekende adressen, tevergeefs bevelen tot medebrenging tegen hem zijn verleend en van hem bekende telefoonnummers zijn gebeld, mag doorgaans worden geconcludeerd dat hernieuwde oproeping of een hernieuwd bevel tot medebrenging nutteloos zal zijn.1 De getuige is dan kennelijk niet bereid om te getuigen of woont op geen van de onderzochte adressen. Toch mag dit niet snel worden aangenomen. Er zal voldoende onderzoek moeten worden gedaan om de verblijfplaats van de getuige te achterhalen. Dit zal in de eerste plaats kunnen worden gedaan door de basisregistratie personen (brp) te raadplegen.2
Daaruit kan een adres blijken dat nog niet bekend was. Ook zal moeten worden onderzocht of de getuige is gedetineerd of zich in vreemdelingenbewaring bevindt3 en of hij over een verblijfsvergunning in Nederland beschikt.4 Is op een bepaald moment in de procedure geen adres van de getuige bekend in de BRP, dan sluit dat niet uit dat de getuige op een later moment, bijvoorbeeld in hoger beroep, wel is geregistreerd. Dat zal dan ook moeten worden onderzocht.5 Wordt de getuige niet aangetroffen op een van hem bekend adres, dan kan worden getracht een ander adres op te sporen door familie en kennissen van de getuige te bevragen.6 Een buurman zou bijvoorbeeld kunnen verklaren dat de getuige een maand eerder naar een ander adres is verhuisd, terwijl dat nog niet aan de gemeente is doorgegeven.7 Zijn tevergeefs voldoende inspanningen gedaan om een adres te achterhalen, dan zal geen nieuw bevel tot medebrenging hoeven te worden gegeven.8
Niet alleen adresgegevens kunnen een aanknopingspunt opleveren om de getuige te traceren. Wanneer geen adres bekend is, maar wel een telefoonnummer, zal kunnen worden geprobeerd om de getuige op die manier op te sporen.9 Dat geldt uiteraard ook voor andere gegevens, zoals een emailadres. Wanneer bekend is dat de getuige op een bepaalde plaats werkt, zou hij via zijn werk kunnen worden opgespoord.10 In een zaak waarin van de getuige bekend was dat hij voor de cid had gewerkt, meende ag Wortel dat geprobeerd had moeten worden de getuige via de cid op te sporen. De Hoge Raad vond echter dat voldoende inspanningen waren gedaan.11 Is bekend dat de getuige naar een bepaalde school gaat, dan zou dat gegeven kunnen worden benut.12 Bij een anonieme getuige ten aanzien van wie geen adres en ook geen telefoonnummer bekend is, mag worden aangenomen dat deze niet traceerbaar is.13
De rechter zal zich ervan moeten vergewissen dat de politie daadwerkelijk al het mogelijke heeft gedaan om de getuige op te sporen.14 Dit zal moeten worden aangetoond, doorgaans door een proces-verbaal van bevindingen. Zolang nog aanknopingspunten bestaan om de getuige te vinden, zullen deze moeten worden benut. Pas wanneer alle mogelijkheden zijn uitgeput, mag worden geconcludeerd dat een nieuw bevel tot oproeping of medebrenging geen resultaat zal hebben.15 Justitie kan dan geen nalatigheid worden verweten. In de woorden van de toenmalige ag Fokkens: āook justitie kan geen ijzer met handen brekenā.16
Getuige bevindt zich waarschijnlijk in buitenland
Wanneer reden bestaat om aan te nemen dat de getuige zich in het buitenland bevindt, terwijl onvoldoende gegevens van hem bekend zijn om hem te kunnen bereiken, kan worden geprobeerd de getuige in het buitenland te traceren. Daartoe kan een rechtshulpverzoek worden gedaan aan de buitenlandse autoriteiten.17 Dat verzoek kan bijvoorbeeld inhouden dat de buitenlandse autoriteiten hun bevolkingsregisters raadplegen om de getuige op te sporen. Ook kan een Nederlandse liaisonofficier worden ingeschakeld om onderzoek te doen naar de verblijfplaats van de getuige of kan Interpol worden ingeschakeld.18 Hoe meer informatie van de getuige beschikbaar is, hoe groter de kans van slagen zal zijn. Is bijvoorbeeld een adres bekend, maar is een aan dat adres gerichte oproeping geretourneerd, dan zal mogelijk kunnen worden achterhaald of de getuige is verhuisd. Is geen adres bekend, dan zal het aanzienlijk lastiger worden om de getuige te traceren.19
De Hoge Raad lijkt niet snel aan te nemen dat een getuige in het buitenland moet worden opgespoord. In NJ 2006, 25 was van de getuige een adres in BelgiĆ« bekend. De oproeping was per aangetekende brief naar dat adres gestuurd, maar was geretourneerd met de mededeling āonbekend op dit adresā. In het cassatiemiddel was aangevoerd dat door middel van een rechtshulpverzoek alsnog een verblijfplaats van de ā volgens de verdediging belangrijke ā getuige had moeten worden achterhaald, zodat de oproeping aan de getuige had kunnen worden betekend. ag Wortel meende dat de inspanningen van justitie niet zo ver hadden hoeven te gaan:
āIn die gevallen waarin de wet en het toepasselijke verdrag toestaan dat de oproeping van een getuige, van wie een adres in het buitenland bekend is, geschiedt door middel van een per (aangetekende) post naar dat buitenlandse adres verzonden brief, zal op grond van de mededeling, gedaan door de met postbestelling belaste instantie, dat de getuige op het desbetreffende adres niet (meer) bekend is aangenomen mogen worden dat de getuige ten gevolge van het ontbreken van een bekend adres niet binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen.ā20
Wortel zag geen aanleiding om tot een andere opvatting te komen vanwege de omstandigheid dat de getuige voor de verdediging belangrijk was. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep zonder nadere motivering (art. 81 RO). Zou een binnen Nederland verstuurde oproeping zijn geretourneerd, dan zou de Hoge Raad hebben gemeend dat de autoriteiten de verblijfplaats van de getuige in het kader van een bevel tot medebrenging zouden moeten opsporen.21 Een bevel tot medebrenging kan niet worden gegeven ten aanzien van een getuige die zich in het buitenland bevindt. Dat neemt niet weg dat andere middelen beschikbaar zijn om de getuige op te sporen, die op grond van de ehrm-jurisprudentie ook hadden moeten worden benut in deze zaak, zeker als de getuigenverklaring van beslissende betekenis was. Of dat in deze zaak het geval was, kan op grond van de gegevens in het gepubliceerde arrest en in de conclusie niet worden vastgesteld. In deze zaak was een concreet, maar kennelijk niet meer actueel adres van de getuige beschikbaar. Hoe minder zekere en concrete informatie van de getuige beschikbaar is, hoe minder aanleiding er zal zijn om een getuige in het buitenland op te sporen. Zo werd in NJ 2007, 531 een verzoek tot onderzoek in Antwerpen afgewezen. De raadsman had betoogd dat de getuige, van wie slechts een werknaam bekend was, zich mogelijk in Antwerpen bevond. De Hoge Raad oordeelde dat het gerechtshof door het verzoek af te wijzen, geen rechtsregel had geschonden.22
Evenals bij internationale rechtshulp ten aanzien van traceerbare getuigen lijkt de Hoge Raad bij onvindbare buitenlandse getuigen aan te nemen dat een beslissing tot nader onderzoek naar de verblijfplaats van de getuige slechts hoeft te worden genomen wanneer de verdediging daarom heeft verzocht. In een zaak waarin de verdediging er in cassatie over had geklaagd dat het gerechtshof had nagelaten nader onderzoek uit voeren naar de mogelijke aanwezigheid van de getuige in Turkije, wees ag Vegter erop ādat in feitelijke instantie van de kant van de verdediging niet is gewezen op de mogelijkheid van rechtshulp of signaleringā en concludeerde tot verwerping van het cassatieberoep. Dat het hier een getuige betrof die van beslissende betekenis was voor de bewezenverklaring maakte zijn oordeel niet anders.23 De Hoge Raad liet de beslissing van het gerechtshof in stand. Wanneer de verdediging in de procedure in hoger beroep niets heeft gemeld omtrent de mogelijke aanwezigheid van de getuige in Turkije en daarvoor ook geen andere aanwijzingen bestaan, kan niet van de autoriteiten worden verwacht dat zij een onderzoek in Turkije zouden hebben ingesteld. Heeft de verdediging die aanwezigheid wĆ©l gemeld ā zonder een uitdrukkelijk verzoek tot nader onderzoek te doen ā dan had dat een voldoende concreet aanknopingspunt voor nader onderzoek kunnen zijn. Het ehrm zou in dit laatste geval mogelijk oordelen dat de autoriteiten nalatig zijn geweest door een mogelijkheid om de getuige te traceren onbenut te laten.