Einde inhoudsopgave
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/1.1.0
1.1.0 Introductie
mr. E.A.J. Nab, datum 12-01-2023
- Datum
12-01-2023
- Auteur
mr. E.A.J. Nab
- JCDI
JCDI:ADS715366:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De Hullu 1993, p. 5.
De Jong 2021, p. 684-685. Zo zijn bijvoorbeeld door de (uitbreiding van) strafbaarstelling van diverse delicten die in groepsverband worden gepleegd de mogelijkheden voor collectieve aansprakelijkheid uitgebreid (De Hullu 1993, p. 9).
Ten Voorde 2012b, p. 65; Heinrich 2009, p. 115-118; De Hullu 1993, p. 12.
Cornford 2015, p. 3.
Heinrich 2009, p. 121-122.
Lacey 2016, p. 46-47; Prakken & Roef 2004, p. 210; Hazewinkel-Suringa/Remmelink 1996, p. 96.
Mols 2016, p. 10; Smith 2011, p. 833. Zie ook: Lacey 2016, p. 46 en 47.
Mols 2016, p. 10.
Borgers 2007, p. 37. Dat begrip heeft overigens ook de nodige overlap met het uit het milieurecht afkomstige voorzorgbeginsel.
Rozemond 1996, p. 170; Kelk 1993, p. 37-38. Zie daarover ook: Mackor 2012, p. 6-8; Van der Woude & Van Sliedregt 2007, p. 219; Prakken & Roef 2004, p. 225; Pieterman 1999, p. 26.
Mols 2016, p. 9.
Zie bijvoorbeeld: Cleiren 2005, p. 117. Zie verder §3.4.2.
Ouwerkerk 2012, p. 231; Cleiren 2011, p. 22-23; Struiksma, De Ridder & Winter 2007, p. 27. Zie ook: Lacey 2016, p. 46; Bal e.a. 2002, p. 1989; Pieterman 1999, p. 28. Struiksma, De Ridder en Winter menen dat zowel de ultimum remedium-gedachte als de nieuwe optimum remedium-gedachte vooral berusten op veronderstellingen over de werking en effectiviteit van de inzet van bepaalde rechtsgebieden. Prakken en Roef wijzen overigens ook op de paradox dat deze veronderstelling juist opkomt in een periode waarin het geloof in de maakbaarheid van de samenleving op economisch vlak afneemt (Prakken & Roef 2004, p. 248).
Het afbakenen van de grenzen van strafrechtelijke aansprakelijkheid behoort tot de meest fundamentele doelen van het materiële strafrecht.1 Die grenzen zijn de laatste decennia flink opgerekt.2 Dat geldt in het bijzonder voor strafbaarheid in de zogenoemde voorfase van het strafbare feit; kort gezegd de fase voorafgaand aan een voltooid delict.3 In toenemende mate wordt gedrag strafbaar gesteld dat steeds verder is verwijderd van het intreden van schadelijke gevolgen.4 Dat gebeurt over de band van algemene leerstukken, zoals poging (artikel 45 Sr) en voorbereiding (artikel 46 Sr) en ook door middel van zelfstandig strafbaar gestelde voorfasedelicten, zoals financiering van terrorisme (artikel 421 Sr) en de voorgenomen strafbaarstelling van verblijf op een door terroristen gecontroleerd grondgebied (het beoogde artikel 134b Sr).5 De strafrechtspleging krijgt zo steeds vaker de taak gevaar te bestrijden.6 Het uitgangspunt van gevolgaansprakelijkheid, met haar nadruk op krenkingsdelicten, wordt daardoor steeds verder verzwakt.7 Aan het eind van de 20e eeuw lijkt deze ontwikkeling in een stroomversnelling te zijn gekomen.8 Mols schrijft:
“Waar voorheen de strafbaarstelling voornamelijk was gebaseerd op schade toegebracht in het verleden, wordt de grondslag voor de strafbaarstelling van gedrag nu gevonden in het ergste scenario dat zich in de toekomst zou kunnen voordoen.”9
Borgers noemt dit treffend het ‘anti-catastrofeprincipe’.10 In de literatuur is wel gesteld dat deze ontwikkeling moet worden begrepen in het licht van een toenemende instrumentalisering van het strafrecht en de opkomst van de zogenoemde risicosamenleving.11 Naast het reactieve strafrecht komt in dat kader een preventief strafrecht tot stand, waarin de klassieke beginselen van het materiële strafrecht ondergeschikt lijken aan het belang van preventie.12 Het strafbaar stellen van gevaren levert immers de nodige praktische voordelen op. Het maakt het bijvoorbeeld mogelijk vroegtijdig in te grijpen vóórdat die gevaren zich verwezenlijken.13 Het geloof in de preventieve mogelijkheden van het strafrecht lijkt steeds verder toe te nemen, zonder dat daar overigens de benodigde empirische kennis aan ten grondslag lijkt te liggen.14