Einde inhoudsopgave
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/6.8.0
Introductie
G.Th.K. Meussen, datum 07-10-1997
- Datum
07-10-1997
- Auteur
G.Th.K. Meussen
- JCDI
JCDI:ADS343135:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
Th.S. IJsselmuiden, Titel 9. De jaarrekening en het jaarverslag, Kluwer, Deventer, supplement 81, november 1988.
In bedrijfseconomische zin is deze toerekening overigens onmogelijk nu complementair met elkaar verbonden goederen benodigd voor een en hetzelfde productieproces als een onlosmakelijk geheel worden gezien. Alleen de gezamenlijkheid heeft in bedrijfseconomische zin een waarde, de samenstellende delen niet.
D.H. van Offeren, XII.2.3 Bedrijfswaarde, Praktijkboek Financieel Management, losbladige editie, all 22, maart 1994, blz. 01-09.
Voordat de jurisprudentie aangaande art. 2:387 Burgerlijk Wetboek in een volgende paragraaf aan de orde komt, wordt nu stilgestaan bij de belangrijkste literatuur betreffende dit artikel.
Als meest gezaghebbend (zeker in relatie tot toepassing ten aanzien van het fiscale recht) kunnen de opvattingen van IJsselmuiden worden beschouwd, zoals te vinden in de losbladige editie Rechtspersonen van Kluwer1.
Volgens IJsselmuiden komen voor een waardedaling als bedoeld in art. 2:387, vierde lid, Burgerlijk Wetboek in aanmerking:
een, naar zijn aard onomkeerbare, technische verbetering. 'Uiteraard gaat het hier om een niet voorzienbare, ingrijpende technische verbetering want de voortschrijdende technische ontwikkeling is reeds in de gebruiksduur en het afschrijvingsstelsel verwerkt'.
een ten tijde van de waardering als definitief te beschouwen vermindering van de vraag;
het geheel of gedeeltelijk teniet gaan of slopen van materiële vaste activa;
waardedaling van immateriële vaste activa welker bestaan en waarde afhangt van juridisch gefundeerde rechten door wijziging of het vervallen van de rechten;
het besluit van de leiding om een bedrijf of een bedrijfsonderdeel respectievelijk een vast actief binnen afzienbare tijd te beëindigen, respectievelijk buiten werking te stellen.
Uit dit overzicht blijkt dat IJsselmuiden in een situatie van een structurele onderrentabiliteit van een onderneming, geen plaats weggelegd ziet voor het civielrechtelijke begrip bedrijfswaarde. Op zichzelf geeft de term 'onderrentabiliteit' overigens aanleiding tot verwarring. De Hoge Raad formuleert het in jurisprudentie aangaande het begrip bedrijfswaarde als een situatie waarbij een activum de verwachte bijdrage aan het resultaat van de onderneming niet levert. Deze jurisprudentie gaat dus niet uit van winst of verlies van een bepaalde activiteit of van een positieve cash flow maar van een bepaald normatief rendement dat er met behulp van de investering moet worden behaald. Blijft het werkelijke resultaat achter op het geprognostiseerde rendement en is de investering daarmee geheel of gedeeltelijk als Tehlentscheidung' te bestempelen, dan komt fiscaal gezien afwaardering van het activum op lagere bedrijfswaarde in beeld.
Samenvattend is er het volgende te lezen aangaande diverse aspecten van het civielrechtelijke begrip bedrijfswaarde:
De rechtspersoon moet een naar verwachting duurzame waardevermindering van materiële en immateriële vaste activa in aanmerking nemen en een waardevermindering die niet naar verwachting duurzaam is mag niet in aanmerking worden genomen.
De enkele daling van de marktwaarde / vervangingswaarde / nieuwbouwprijs vormt geen grond voor afboeking.
De enkele omstandigheid dat de rentabiliteit van het bedrijf is aangetast vormt evenmin reden voor een afboeking van de materiële vaste activa.
De wet, krachtens het Besluit waardering activa, en de Nota van toelichting op dat besluit, huldigen het standpunt, zowel bij waardering op basis van verkrijgingsprijs als van actuele waarde, dat afboeking op de voet van art. 2:387, vierde lid BW alleen mogelijk, dus een naar verwachting duurzame waardevermindering alleen aanwezig is, als het bedrijf casu quo de activiteit direct of binnen afzienbare tijd wordt beëindigd en de continuïteitsveronderstelling is vervallen. In zijn Rtl. 2.02.2 neemt ook de RJ dit standpunt in.
Op grond van de letterlijke bewoordingen van de wet — een waardevermindering 'indien deze naar verwachting duurzaam is' — is IJsselmuiden van mening dat oorzaken, die een duurzame waardevermindering tot gevolg hebben zijn:
schade waarvan de herstelkosten moeten worden geactiveerd;
een ingrijpende technische verbetering die ten tijde van de ingebruikneming van het vaste actief niet kon worden voorzien en dus niet in de geschatte levensduur en het afschrijvingssysteem is verwerkt;
het besluit om een bedrijf direct of na een beperkte periode te sluiten.
In de hiervoor genoemde bronnen is niet vermeld een duurzaam werkende vermindering van de vraag waardoor de afzet blijvend op een lager peil komt. Verdedigbaar is volgens IJsselmuiden deze te beschouwen als een waardevermindering die grond geeft voor een afboeking overeenkomstig art. 387, vierde lid, eerste zin;
Als maatstaven ter bepaling van de duurzame waardevermindering komen in aanmerking de duurzaam gedaalde marktwaarde/vervangingswaarde/ nieuwbouwwaarde indien deze aan de hand van voldoende betrouwbare gegevens is vast te stellen en overigens, in het bijzonder in de situatie waarin het bedrijf op termijn zal worden gesloten, de netto-inkomensstroom, met inbegrip van de netto-opbrengst bij verkoop gedurende de tijd dat het bedrijf nog wordt voortgezet.
Kan er nu eigenlijk gesproken worden over een eenduidige inhoud en betekenis van het begrip `bedrijfswaarde'? Volgens IJsselmuiden komen de begrippen bedrijfswaarde in civielrechtelijke en fiscaalrechtelijke zin naar hun inhoud in die zin overeen dat zij zich beiden baseren op de indirecte opbrengstwaarde, de met het bedrijf of het bedrijfsmiddel op te wekken nettogeldstroom. Maar aan de andere kant verschillen zij in één kardinaal opzicht: De fiscaalrechtelijke term bedrijfswaarde gaat uitdrukkelijk uit van de continuïteit van de onderneming; het civielrechtelijke begrip bedrijfswaarde daarentegen doelt juist op de situatie waarin de continuïteit van de onderneming is of wordt verbroken2.
Gaat men uit van de klassieke bedrijfswaardedefinitie zoals de Hoge Raad deze in fiscale procedures hanteert, waarbij de overnemingswaarde van de onderneming als geheel centraal staat, dan moeten er volgens IJsselmuiden ter bepaling van die waarde een aantal bewerkingen worden uitgevoerd. Deze berusten enig en alleen op subjectieve (en niet voor externe toetsing vatbare) schattingen:
van toekomstige winsten (van toekomstige omzetten) naar omvang, prijs, valuta en kosten van lonen, sociale lasten, grond- en hulpstoffen;
van de toekomstige normale rentabiliteit;
van de rentevoet waartegen de toekomstige winsten worden gekapitaliseerd.
Daarnaast schuilt er een grote mate van subjectiviteit in de toerekening van het aldus gevonden bedrag aan een afzonderlijk activum3.
Tegen de hiervoor aangehaalde wijze van berekening van de bedrijfswaarde heeft IJsselmuiden de volgende bezwaren:
De uitkomst van alle hiervoor genoemde schattingen kan niet anders dan volstrekt subjectief, zelfs willekeurig worden genoemd en is reeds op die grond in strijd met goed koopmansgebruik en met in het maatschappelijk verkeer aanvaarde maatstaven.
Het is volgens de auteur niet wel denkbaar dat de wetgever de buitengewone waardevermindering van vaste activa zou hebben overgelaten aan subjectieve schattingen die niet voor enige objectieve toetsing vatbaar zijn.
In het stelsel van winstberekening voor de vennootschappelijke en fiscaal-rechtelijke jaarrekening geschiedt waardering in de balans om het resultaat te bepalen. En dus niet andersom.
In de onderneming werken alle activa samen om de goederen of diensten voort te brengen. Toerekening van de waarde van de gehele onderneming aan het afzonderlijke actief is dientengevolge onmogelijk. Het argument van de complementariteit derhalve.
Wat als waardevermindering van vaste activa ten laste van het resultaat wordt geboekt, is geen verlies maar de gekapitaliseerde waarde van 'onderwinst'.
Door het verschil tussen de gewenste en de verwachte winst als verlies te boeken handelt men in strijd met het beginsel van de juiste jaartoerekening (matching principle).
Door het gekapitaliseerde rentabiliteitstekort af te boeken op de materiële vaste activa komen deze activa in de balans voor een waarde die geen verband meer houdt met enige werkelijke waarde.
IJsselmuiden staat niet alleen in zijn oordeel omtrent de subjectiviteit van de bedrijfswaardebepaling. Zo meent Van Offeren4 dat bij de bedrijfswaardebepaling de schatting van zowel de toekomstige opbrengsten als van de toe te passen disconteringsfactor hoogst subjectief is. Hij maakt wel de restrictie dat dit geen probleem hoeft te zijn zolang de veronderstellingen die zijn gemaakt, steeds duidelijk in het oog worden gehouden. Het belangrijkste aspect is eigenlijk volgens Van Offeren dat er geen absolute waarde aan de uitkomst van de berekening wordt toegekend maar wel een relatieve.
Het doel van de bedrijfswaarde wil hij het liefst in een drietal toepassingsgebieden onderverdeeld zien:
Bij de bepaling van de actuele waarde in de jaarrekening conform het Besluit waardering activa. De bedrijfswaarde als onderdeel van de actuele waarde wordt in dat geval berekend als de contante waarde van de verwachte opbrengsten. De wijze waarop de verwachte opbrengst contant moet worden gemaakt is door de wetgever niet voorgeschreven. Daarvoor bestaan verschillende methoden.
Als grondslag van de waardering van beleggingsobjecten. De bedrijfswaarde is dan veelal gelijk aan de marktwaarde.
In het kader van de beoordeling van investeringsprojecten. Slechts in het geval dat de contante waarde van de toekomstige opbrengsten hoger is dan het investeringsbedrag, is het economisch gezien verstandig om de investering te overwegen.
Niet valt in te zien waarom Van Offeren het begrip bedrijfswaarde niet behandelt in relatie tot de overname(praktijk) van ondernemingen. Het is met name ook binnen deze maatschappelijke context dat het begrip bedrijfswaarde pregnant naar voren komt.