Einde inhoudsopgave
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/2.2.3
2.2.3 De interpretatie van het causaliteitsvereiste
D.A. van der Kooij, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
D.A. van der Kooij
- JCDI
JCDI:ADS586229:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Opzoomer 1879b, p. 319.
Opzoomer 1879b, p. 319.
Opzoomer 1879b, p. 319, 320.
Land 1892, p. 258.
Diephuis 1888, p. 73.
HR 28 december 1906, W 8477 (Burgemeester Utrecht/Enkelstroth); HR 13 november 1922, W 10948 (Berends/Vollenbroek).
HR 15 juni 1888, W 5572 (Ziegelaar/Van der Pek q.q.) en in dezelfde zin HR 2 februari 1912, W 9319 m.nt. E.M. Meijers. In HR 13 november 1922, W 10948 (Berends/Vollenbroek) oordeelde de Hoge Raad dat ter zake van het causale verband bij onrechtmatige daad geen rechtsregels gelden en het oordeel over het vereiste verband aan het “vrije oordeel” van de rechter die over de feiten oordeelt is overgelaten.
38. De vraag wanneer sprake is van het toebrengen en veroorzaken van schade in de zin van art. 1401 (oud) BW en de vraag of art. 1283 en 1284 (oud) BW betekenis hebben voor de omvang van de verplichting tot schadevergoeding vanwege een gepleegde onrechtmatige daad, werden in de negentiende eeuw in de grote commentaren van Opzoomer, Land en Diephuis als volgt beantwoord.
39. Opzoomer bepleitte onderscheid te maken tussen oorzaak en aanleiding:
“Oorzaak en aanleiding zijn ver uiteen te houden. Men heeft slechts die schade te vergoeden, waarvan men de oorzaak, niet die, waarvan men niets meer dan de aanleiding is.”1
Opzoomer meende dat de beperking van de schadevergoedingsverplichting in art. 1284 (oud) BW tot schade die het “onmiddellijk en dadelijk gevolg” is van de niet-nakoming, inhield dat slechts schade waarvoor de niet-nakoming oorzaak was vergoed diende te worden en niet de schade waarvoor de niet-nakoming louter als aanleiding gold:
“Art. 1284 drukt dit [het onderscheid tussen oorzaak en aanleiding] uit, door van ‘een onmiddellijk en dadelijk gevolg’ – beter ware geweest ‘een rechtstreeksch gevolg’ – te spreken.”2
Op de schadevergoedingsverplichting bij onrechtmatige daad achtte Opzoomer art. 1283 en art. 1284 (oud) BW niet van toepassing. Omdat echter het onderscheid tussen oorzaak en aanleiding, dat volgens hem ten grondslag lag aan de beperking van art. 1284 (oud) BW, evengoed bij aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad gemaakt diende te worden, meende hij dat ook bij onrechtmatige daad alleen de schade die een rechtstreeks gevolg van de onrechtmatige daad is vergoed diende te worden:
“Mij dunkt, er is niet aan te twijfelen, of ook hier [in het geval van aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad] valt enkel aan die schade te denken, die van zijn doen, het zij dan een meer verwijderd of minder verwijderd, maar in ieder geval een ‘rechtstreeksch’ gevolg is. En dan niet om de analogie, niet als uitbreiding van hetgeen art. 1284 bepaalde, maar eenvoudig omdat wie slechts aanleiding geeft, geen oorzaak mag heeten”.3
Door te werken met het begrippenpaar oorzaak en aanleiding, kon Opzoomer aldus in art. 1401 (oud) BW de voorwaarde lezen dat de schade rechtstreeks veroorzaakt is. Waarom het onderscheid tussen een rechtstreeks en een niet-rechtstreeks gevolg steeds zou samenvallen met het onderscheid tussen oorzaak en aanleiding verklaarde Opzoomer overigens niet nader.
40. Land sloot zich in zijn commentaar bij deze opvattingen van Opzoomer aan. Land zag wel dat het onderscheid tussen oorzaak en aanleiding niet glashelder was:
“De grens tusschen oorzaak en aanleiding is dikwijls niet gemakkelijk te trekken, en zelfs kan men twijfelen of er tusschen de beide een wezenlijk verschil bestaat. Evenwel alleen voorzoover de daad daarvan de ‘oorzaak’ is, wordt de schade vergoed.”4
41. Een enigszins andere benadering koos Diephuis. Net als Opzoomer en Land meende Diephuis dat art. 1283 en 1284 (oud) BW niet op de schadevergoedingsverplichting uit onrechtmatige daad konden worden toegepast. Niettemin deed ook volgens hem de aan art. 1284 (oud) BW ten grondslag liggende ratio bij onrechtmatige daad opgeld. Die ratio was volgens Diephuis dat slechts schade diende te worden vergoed die “werkelijk” door de niet-nakoming is veroorzaakt en niet schade die door “iets anders” teweeg is gebracht. Diephuis bereikte zo dezelfde conclusie als Opzoomer en Land, namelijk dat de in art. 1284 (oud) BW gestelde eis van “onmiddellijk en dadelijk of regtstreeksche gevolg” ook gold in het geval van onrechtmatige daad:
“(…) niet bij wijze van analogische toepassing, maar omdat de verpligting tot vergoeding der door eene daad veroorzaakte schade enkel de schade betreft, die werkelijk door die daad veroorzaakt is, en niet ook die, welke daarna, hetzij in of zonder verband met de zoodanige, door iets anders is teweeg gebragt.”5
42. De Hoge Raad oordeelde, net als de hiervoor genoemde auteurs, dat art. 1283 en 1284 (oud) BW niet (analoog) van toepassing zijn op de schadevergoedingsverplichting uit onrechtmatige daad.6 Niettemin was hij, net als deze auteurs, van oordeel dat deze schadevergoedingsverplichting beperkt was tot schade die het rechtstreeks gevolg van de onrechtmatige daad is. In Ziegelaar/Van der Pek q.q.7 oordeelde hij dat:
“(…) art. 1401 B.W. elke onrechtmatige daad, waardoor schade wordt toegebracht, dengene door wiens schuld de schade is veroorzaakt, de verplichting oplegt om die schade zonder eenige beperking, en dus zoowel het geleden nadeel als de winstderving, welke het rechtstreeksche gevolg zijn van de onrechtmatige daad, te vergoeden.”