Einde inhoudsopgave
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/4.10
4.10 Algemeen onderwijsleerplan 1975
Th.E.M. Wijte, datum 08-01-2024
- Datum
08-01-2024
- Auteur
Th.E.M. Wijte
- JCDI
JCDI:ADS977375:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
NLO: Nieuwe Lerarenopleiding voor tweede- en derdegraads leraar voortgezet onderwijs.
VSW en Vemo wezen regering en parlement en de kerngroep CMLM op 5 december 1975 op bezwaren tegen de bevoegdheidsregeling in het minderheidsstandpunt. Ook is gewezen op X. Walboomers, ´Het vak maatschappijleer op weg naar het schavot’ en M. Voorhoeve, ´Het vak Maatschappijleer uit de vicieuse cirkel?´.
Samenstelling van de werkgroep: G. Kuiper (vz), Th. Athmer-Van der Kallen, J. Berting, A. Besier, M. Bos, G. Hey, M. Savenije, W. Terborgh en P. Tönjes (1975-76); Hoogbergen 1991, p. 426 en Olgers e.a. 2014, p. 38 (Kuiper als Kuypers, W).
Kerngroep CML Maatschappijleer 1976.
Vgl: Vragen van A.J. Evenhuis (VVD) over de kerngroep (Kamerstukken II 1975/76, nr. 342) en M. Voorhoeve, ´Het vak Maatschappijleer uit de vicieuse cirkel?´ (in mijn bezit).
Wijte & Ubachs1979 en Van Minden & Holzhauer 1975, 1978.
Rapport-Kuiper Hzn van de kerngroep CMLM, Den Haag: O & W 1976.
Maatschappijleer op orde 1976, p. 30 (Als problemen als gevolg van het cultureel-pluralisme zijn het verschuiven van gezags- en machtsstructuren en de noodzaak van doelstellingen en het hanteren van waardesystemen in de samenleving gesignaleerd).
J.S. Wijne,´Waarom bang zijn voor maatschappijleer?´, Kleio 1976, p. 539-541.
Programmacommissie maatschappijleer, Richtlijnen voor een programma voor het vak maatschappijleer aan de Nieuwe Lerarenopleidingen, s-Gravenhage: O & W 1978. In 1984 verscheen van Van der Kallen en Cras, met uitwerkingen van de benaderingswijzen (politiek-juridische, sociaaleconomische en sociaal-culturele perspectieven); Olgers 2014, p. 43.
Ministeriële circulaire 1 juli 1980/ Beschikking kenmerk AVO-603.085 en X. Walboomers, ´Het vak maatschappijleer op weg naar het schavot?´, M & P 2019, 01, p. 16-17.
Ministeriële circulaire van 30 januari 1970, AVO-70-7.
Terreinafbakening voor maatschappijleer. Landelijk Expertisecentrum vakdidactiek maatschappijleer (1975).
E. Heins & B. Blonk, ´Verenigingsnieuw´, Didaktiek 1976, 4, p. 42-46.
De Volkskrant 7 juni 1978. Zo vraagt in 1978 een SG een docent maatschappijleer, bij voorkeur een jurist.
De voorstellen van de CML-Maatschappijleer verschijnen eerst in mei 1975 als het Algemeen onderwijsleerplan maatschappijleer met als focus:
verduidelijking van de sociale ervaringswereld op gebieden als de moderne samenleving, maatschappelijke kwesties en verhoudingen,
het herleiden van maatschappelijke verschijnselen tot probleemstellingen en de meningsvorming over de samenleving door verworven inzichten.
CMLM: maatschappijleer in onderbouw vwo/avo
De CMLM stelt voor om maatschappijleer in de onderbouw te onderwijzen en te vervolgen in de bovenbouw. De vakstructuur leidt ze af van de basiswetenschappen sociologie, politicologie en culturele antropologie. De psychologie, rechtsgeleerdheid en geschiedenis vormen de ondersteunende disciplines. De rakende wetenschappen zijn: linguïstiek, filosofie, godsdienstwetenschappen en biologie. In de praktijk kan maatschappijleer aspecten van deze disciplines integreren. Op ‘het hoe’ gaat de CMLM niet in. Er zijn twee minderheidsadviezen over de bevoegdheden uitgebracht:
Advies-Berting c.s.: (1e graads) doctoraal sociologie, politicologie en culturele antropologie, en rechten, economie, geschiedenis en aardrijkskunde, mits de drie sociale wetenschappen als integrerend deel en (2e/3e graads): NLO-maatschappijleer hoofdvak respectievelijk bijvak,1
Advies-Besier c.s.: doctoraal/MO-pedagogiek, culturele antropologie, recht, economie, geschiedenis, sociale geografie, politicologie, staatsinrichting, sociologie, sociale psychologie en theologie, mits nascholing maatschappijleer […]2en 2e/3e graads: NLO-maatschappijleer hoofdvak respectievelijk bijvak en bevoegden voor economie, geschiedenis, recht, omgangskunde, pedagogiek, aardrijkskunde en godsdienst, mits applicatie maatschappijleer.
Kerngroep-Kuiper
In het Woord vooraf stelt minister Van Kemenade een ernstige vertraging vast in de advisering door de CMLM. Deze is blijven steken in het formuleren van algemene doelstellingen en uitgangspunten en een concept-onderwijsleerplan ontbreekt. Over de bevoegdheidsregeling is geen eenduidig advies gegeven. Voor Van Kemenade is dit voldoende om de CMLM op te heffen en een kerngroep CMLM (kerngroep-Kuiper) in te stellen.3 Voor de bevoegdheidsregeling houdt hij het advies-Berting aan.4
Raamleerplan Maatschappijleer op orde 1976
Na de eerste adviesronde verschijnt in 1976 van de kerngroep-Kuiper het raamleerplan Maatschappijleer op orde5 met voorstellen voor diverse cross-curriculaire staatsburgerlijke en maatschappelijke themas. Aanstonds komen de nodige leerboeken uit die hierbij aansluiten.6 In het Woord vooraf bij het raamleerplan schrijft Van Kemenade het advies als rijksleerplan integraal vast te stellen met als thema's: 1. maatschappelijke orde, 2. arbeidsindeling, 3. maatschappelijke ongelijkheid, 4. cultureel pluralisme, 5. individu en gemeenschap en 6. maatschappelijke ontwikkelingen.7 Het subthema ‘kenmerken van bestuur’ handelt over het verzuild partijenstelsel, de constitutionele monarchie met parlementair stelsel, de machtenscheiding, burgerlijke ongehoorzaamheid, publiekrechtelijke organen en vrije markt.8
Twijfels bij de NVLM over praktische nut van raamleerplan
De NVLM betwijfelt als één der weinigen het praktische nut van het raamleerplan, maar ziet hierin voldoende mogelijkheden voor overleg over onder meer de zogenaamde benaderingswijzen en de inrichting van de Nieuwe Lerarenopleiding (NLO).9 Met de komst in 1976 van het raamleerplan is een horde in de stroomlijning van de doelstelling en curricula van maatschappijleer genomen. Van Kemenade stelt in 1978 in overleg met de Tweede Kamer de Programmacommissie maatschappijleer (PCM) in voor een inrichtingsadvies voor de NLO die als basiswetenschappen van maatschappijleer adviseert vast te leggen: (a) sociologie, (b) politicologie en (c) culturele antropologie.10 Dit advies in 1981 overgenomen.11 Tot die tijd is iedere docent bevoegd (art. 114 OWvo).12 De ULO’s maatschappijleer kunnen zich hierin goed vinden.13
Rol jurist-docent in het onderwijs uitgespeeld
De rol van de jurist voor maatschappijleer of staatsinrichting is in de loop van de jaren zeventig getalsmatig, maar zeker niet emotioneel, uitgespeeld.14 De wetgever heeft het onderwijs in de democratische rechtsstaat vanaf 1968 in de Wvo overgelaten aan de sociale wetenschappers en historici die van de verkregen bevoegdheid in groten getale gebruik hebben weten te maken. Het belang van jurist-docenten is door de wetgever schromelijk onderschat.15