NTB 2024/45
Overheidsaansprakelijkheid
Datum 25-01-2024
- Datum
25-01-2024
- Auteur
T.W. Franssen, I.M. van der Heijden & J.S. Procee1
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS942780:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Bestuursrecht algemeen / Overheid en privaatrecht
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Bestuursrecht algemeen (V)
Verbintenissenrecht / Onrechtmatige daad
- Wetingang
Voetnoten
Voetnoten
De auteurs zijn advocaat te Den Haag en werkzaam bij Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn.
B.J. van Ettekoven e.a., ‘Overheidsaansprakelijkheid anno 2023: de stand van de rechtsontwikkeling’, O&A 2023/27.
R.J.G. Widdershoven, ‘Discriminatie van aansprakelijkheidsvordering wegens schending Unierecht toegestaan’, O&A 2023/28 over HvJ EU 28 juni 2022, ECLI:EU:C:2022:503 (Commissie/Spanje).
Zie ook: T.W. Franssen, I.M. van der Heijden & J.S. Procee, ‘Overheidsaansprakelijkheid’, NTB 2023/248, p. 380.
HvJ EU 19 november 1991, ECLI:EU:C:1991:428, C-6/90 en C-9/90 (Francovich); HvJ EU 5 maart 1996, ECLI:EU:C:1996:97, C-46/93 en C-48/93 (Brasserie du Pêcheur & Factortame) en HvJ EU 5 september 2019, ECLI:EU:C:2019:671, C-417/18 (AW).
HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2722 (Habing).
C.N.J. Kortmann, ‘De rechtsstatelijkheid van het overheidsaansprakelijkheidsrecht’, O&A 2023/55.
Rb. Overijssel 25 april 2023, ECLI:NL:RBOVE:2023:1459 en Rb. Rotterdam 26 april 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:3475.
A.T. Marseille, ‘De juridisering van de afwikkeling van de toeslagenaffaire’, AA 2023/06663 en M.K.G. Tjepkema & N. van Triet, ‘De burgerlijke rechter en de toeslagenaffaire: de vonnissen van de rechtbanken Rotterdam en Overijssel onder de loep’, O&A 2023/29.
HR 17 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1568 (Waadhoeke).
L.A.B.M. Wijntjens, ‘Excuses voor het verleden: een analyse van de civielrechtelijke consequenties’, O&A 2023/30.
HR 8 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1172 (Brummen).
HR 28 oktober 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1506 (Talma/Friesland).
HR 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:987 (Arbeidsinspectie).
ABRvS 15 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4269 (Raad voor Rechtsbijstand).
Concl. A-G Pauwels 9 juni 2023, ECLI:NL:PHR:2023:571 (Waadhoeke).
HR 24 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0193 (Maple Tree Holding/Staat).
Zie 5.34-5.46 van concl. A-G Pauwels, waarin hij de uiteenlopende opvattingen in de literatuur schetst.
HR 17 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1568 (Waadhoeke).
ABRvS 25 juni 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AH8644, BR 2004/96, m.nt. B.P.M. van Ravels (Ede).
HR 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8751 (Iraanse vluchtelinge).
ABRvS 15 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4268 (Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid).
CBb 7 februari 2023, ECLI:NL:CBB:2023:53 (Minister van LNV) en CBb 11 april 2023, ECLI:NL:CBB:2023:192 (Minister van LNV).
HR 21 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1705 (Hamm q.q./Staat).
CBb 19 september 2023, ECLI:NL:CBB:2023:509 (Minister van LNV). Het CBb verwijst ook expliciet naar haar uitspraak van 7 februari 2023.
CRvB 27 september 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1858 (Minister van Defensie).
HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376 (EBI-arrest).
RIVM, Gezondheidseffecten en risicobeoordeling van blootstelling aan chroom-6 op de POMS-locaties van Defensie (2018-0053).
RIVM, Gezondheidseffecten en risicobeoordeling van blootstelling aan chroom-6 op de POMS-locaties van Defensie (2018-0053), p. 35.
CRvB 12 juli 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1329 (UWV).
Zie bijv. Rb. Rotterdam 12 juli 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:6163, die zich aansluit bij Rb. Midden-Nederland 21 december 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:5547 en Hof Den Bosch 31 mei 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:1795.
Zie hierover ook de conclusies van A-G Wattel van 17 november 2023, ECLI:NL:PHR:2023:1042 en ECLI:NL:PHR:2023:1044.
Zie: Wet herwaardering proceskosten WOZ en bpm. Zie hierover ook: B.J. van Ettekoven, ‘Immateriële schadevergoeding bij ORT: de wetgever grijpt in’, O&A 2023/54.
Concl. A-G Wattel 17 november 2023, ECLI:NL:PHR:2023:1042 (Waterschap De Dommel).
ABRvS 4 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3680 (Amsterdam).
Onder verwijzing naar art. 6:97 BW en het arrest van de Hoge Raad van 7 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1435.
De geïnteresseerde lezer verwijzen wij wel naar de concl. van A-G Valk over de toepassing van art. 40e Onteigeningswet. Zie: ECLI:NL:PHR:2023:887.
S. Schuite, De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen, Deventer: Wolters Kluwer 2023.
M.W. Scheltema, J.S. Procee, M.K.L. Berkvens & M.J.W. Timmer, ‘Kroniek onteigeningsjurisprudentie 2021-2023’, TBR 2023/113.
H.X. Botter, ‘Onteigenen onder de Omgevingswet’, BR 2023/64.
C.F. van Helvoirt, ‘Omgevingswet en onteigening’, LTB 2023/57.
A.P. van Delden, ‘Onteigening onder de Omgevingswet: ‘Op zijn minst gelijkwaardig’’, Praktijkblad grondzaken en gebiedsontwikkeling 2023/64.
H.W. van Sandick & J.A.M. van den Brand, ‘De integratie van de wetgeving voor grondbeleid: van onteigeningswet naar Omgevingswet’, Praktijkblad grondzaken en gebiedsontwikkeling 2023/57.
I.P.A. van Heijst, ‘Onteigening in de nieuwe Ow: oude wijn in een nieuwe zak?’, Grondzaken en gebiedsontwikkeling 2023/6.
Zie bijv. ook: de Verordening nadeelcompensatie van de Provincie Flevoland of de Verordening nadeelcompensatie Amsterdam 2022. De Vereniging Nederlandse Gemeenten heeft haar modelverordening nadeelcompensatie ook aangepast aan de Awb. Zie: https://vng.nl/sites/default/files/2021-05/27052021-lbr-21-041-bijlage-2-model-verordening-nadeelcompensatie.pdf.
Besluit van 7 december 2023, IENW/BSK-2023/355923 tot vaststelling van de Beleidsregel nadeelcompensatie Infrastructuur en Waterstaat 2024 (Beleidsregel nadeelcompensatie Infrastructuur en Waterstaat 2024), Stcrt. 8 december 2023, nr. 33094. Ook de Beleidsregel nadeelcompensatie verleggen kabels en leidingen vanwege rijkswaterstaatswerken, rijkswegen en hoofdspoorwegen is aangepast. Zie: Stcrt. 21 december 2023, nr. 35448.
Lagere overheden zullen zelf de hoogte van de leges moeten vaststellen. Zie bijv. art. 2 van de Nadeelcompensatieverordening 2024 van de provincie Utrecht.
M. Stuiver, ‘Van planschade onder de Wro naar nadeelcompensatie onder de Omgevingswet’, VGR 2023/6.
ABRvS 12 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2698.
Besluit C(2020) final 2998 van de Europese Commissie van 12 mei 2020 inzake steunmaatregel SA.54537 (2020/NN) (Verbod op kolen voor de elektriciteitsproductie in Nederland), randnr. 35 en Gerecht EU 16 november 2022, Koninkrijk der Nederlanden/Commissie, T-469/20, ECLI:EU:T:2022:713, punt 64.
HvJ EU 27 januari 2022, ECLI:EU:C:2022:57, C‑238/20.
G.J. van Midden & M.K.G. Tjepkema, ‘De zaken Sātiņi-S en Hemwegcentrale: grote gevolgen voor de Nederlandse nadeelcompensatiepraktijk?’, NtvEr 2023, nr. 7/8.
CBb 14 november 2023, ECLI:NL:CBB:2023:620 en ECLI:NL:CBB:2023:622 (Minister van EZK).
Zie: ABRvS 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582 onder r.o. 2.1 en 2.3. Dit uitgangspunt verandert in belangrijke mate onder de Omgevingswet, waar het uitgangspunt juist een vergelijking wordt tussen de feitelijke situatie voorafgaand aan het schadeveroorzakende besluit of handeling en daarna. Zie hierover bijv.: C.M.L. van der Lee, ‘Van planschade naar nadeelcompensatie: Omgevingswet en titel 4.5 Awb’, Grondzaken en gebiedsontwikkeling 2023/6.
ABRvS 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582, onder r.o. 2.4.
ABRvS 9 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3064 en ABRvS 6 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4513.
ABRvS 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582, onder r.o. 2.4.
ABRvS 14 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2333 en ABRvS 16 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3131.
Zie ook: ABRvS 9 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2166, r.o. 6, 8.2 en 8.3.
Voor een situatie waarin dat (mogelijk) wel zo is, zie: ABRvS 29 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1166.
Zie ook: ABRvS 20 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2067.
ABRvS 23 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4845.
Zie eerder: ABRvS 7 november 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB7332. Zie voor een uitzondering: ABRvS 28 juni 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AX9488.
ABRvS 16 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3132.
In eerdere uitspraken waar dit criterium werd genoemd, kwam het niet direct tot een concrete toetsing. Zie bijv.: ABRvS 1 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2928; ABRvS 15 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3715 en ABRvS 17 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY0372.
Bijv.: ABRvS 30 juni 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM96640; ABRvS 20 januari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BK9876; ABRvS 19 oktober 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BT8555 en ABRvS 12 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1928.
Bijv.: ABRvS 27 juni 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA8139; ABRvS 20 april 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ1889; ABRvS 12 oktober 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BT7434 en ABRvS 16 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW5932. Zie bij planschade bijv.: ABRvS 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4165 en ABRvS 7 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2382. Zie in de literatuur hierover kritisch, vanwege de discrepantie van deze rechtspraak ten opzichte van hetgeen gebruikelijk is in het onteigeningsrecht: H.J.M. van Mierlo, ‘Van Kazernestraat naar Kneuterdijk, en retour’, in: T.W. Franssen e.a., Op het grensvlak (opstellen aangeboden aan B.P.M. van Ravels), IBR 2014.
ABRvS 13 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4608.
ABRvS 20 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2553.
ABRvS 2 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2952. Over dezelfde kwestie wees de Afdeling ook op 20 december 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:4769) een uitspraak over de terugvordering van te veel betaalde wettelijke rente. Kennelijk had de gemeente ten onrechte de wettelijke handelsrente vergoed. De ontvanger had moeten weten dat dit onjuist was, zodat de Afdeling terugvordering van het te veel betaalde bedrag toestond.
ABRvS 27 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4832.
ABRvS 20 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4775.
ABRvS 27 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3623.
Zie hierover: J.S. Procee, L. van Leeuwen & J.H.M. Huijts, ‘Nadeelcompensatie en tegemoetkoming in planschade – Titel 4.5 Awb en afdeling 15.1 Omgevingswet: tussen eenheid en verscheidenheid’, O&A 2021/20.
ABRvS 2 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2973; ABRvS 2 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2971 en ABRvS 2 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2967. In de uitspraak van dezelfde datum (ECLI:NL:RVS:2023:2966) overweegt de Afdeling overigens dat de vijfjaarstermijn uit art. 6.1 lid 4 Wro, in de situatie waarin de Afdeling een bestemmingsplan vernietigt maar de rechtsgevolgen in stand laat, aanvangt op de datum van de uitspraak.
ABRvS 27 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3612.
ABRvS 22 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:214.
ABRvS 3 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2402. Zie ook de noot van Procee & Nielen in BR 2022/4.
ABRvS 4 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3711.
ABRvS 4 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3708.
Ook in andere zaken kunnen overwegingen van die strekking worden aangetroffen. Bijv.: ABRvS 23 juni 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AP3399; ABRvS 24 juli 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE5743 en ABRvS 4 september 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE7204.
ABRvS 30 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:258 of ABRvS 13 november 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AF0262.
ABRvS 3 juli 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE4854.
ABRvS 13 november 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AF0262.
Zie ook de noot van Procee & Jager bij ABRvS 30 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:258 in BR 2019/31.
ABRvS 4 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3707.
J.M. van Dunné, ‘Een novum van wetgeving getoetst in de Parlementaire enquête aardgaswinning Groningen’, NJB 2023/1774.
S.C.J.J. Kortmann, ‘I. Vijf jaren ervaring in Groningen met het wettelijk bewijsvermoeden’, RMThemis 2023/5, p. 300-303 en R.H. de Bock, ‘II. Aardbevingsschade in de bestuursrechtelijke procedure: een toetsing op afstand’, RMThemis 2023/5, p. 303-309.
De Bock onderbouwt dit standpunt ten eerste met een verwijzing naar het rapport van de parlementaire enquête, waarin op de aangewezen pagina wordt geconstateerd dat de bodemopbouw relevant is. Daarin wordt echter niet geconstateerd dat daarmee door het IMG geen rekening zou worden gehouden (zie: Groningers boven gas, p. 43). Ten tweede wordt verwezen naar J.M. van Dunné, ‘Een novum van wetgeving getoetst in de Parlementaire enquête aardgaswinning Groningen’, NJB 2023/1774, p. 2082, waarin hetzelfde (overigens geotechnische) standpunt wordt ingenomen, maar evenmin wordt onderbouwd.
ABRvS 3 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2233, r.o. 67 t/m 82.
Zie onder veel meer ABRvS 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1631, r.o. 38 en ABRvS 7 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2203, r.o. 40.
Zie onder meer ABRvS 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1631, r.o. 88.
Algemeen
Onrechtmatige overheidsdaad
Burgerlijke rechter
Bestuursrechter
Rechtmatige overheidsdaad
Schadeloosstelling wegens onteigening
Nadeelcompensatie/tegemoetkoming in planschade
Grondslag en schadeoorzaak
Vergelijking juridische regimes
Risicoaanvaarding
Schade en causaliteit
Abnormale en speciale last
Onverplichte nadeelcompensatie
Kroniekonderdelen worden weggelaten als geen of onvoldoende van belang zijnde ontwikkelingen hebben plaatsgevonden. Deze kroniek heeft betrekking op de periode van 1 juli 2023 tot en met 1 januari 2024.
1. Algemeen
De uitdaging van een halfjaarlijkse kroniek is dat de ontwikkelingen in die periode regelmatig zo detaillistisch van aard zijn dat het eigenlijk nodig is een ruimere periode te beschouwen om de grote trends te zien waarlangs het vakgebied zich ontwikkelt. Het overheidsaansprakelijkheidsrecht mag zich dan ook rijk rekenen met het feit dat de voltallige redactie van O&A iedere vijf jaar de belangrijkste ontwikkelingen op het vakgebied over die periode beschrijft.2 Naast de te verwachten ontwikkelingen in rechtspraak en literatuur op het gebied van de aansprakelijkheid van de overheid uit rechtmatige en onrechtmatige daad, besteden de auteurs ditmaal ook ruim aandacht aan diverse omvangrijke compensatieregelingen van het Rijk, in het bijzonder voor Groningse mijnbouwschade, de toeslagenaffaire, chroom-6 en het Schadefonds Geweldsmisdrijven.
Uit de literatuur zijn nog twee andere, meer algemene bijdragen het signaleren waard. Widdershoven reflecteert in een voorwoord op O&A op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) inzake Commissie tegen Spanje.3 In dit arrest oordeelde het Hof dat het Europeesrechtelijke beginsel van gelijkwaardigheid zich er niet tegen verzet als een lidstaat op aansprakelijkheidsvorderingen vanwege schendingen van EU-recht striktere voorwaarden toepast dan op vorderingen uit anderen hoofde.4 Widdershoven is uitgesproken kritisch op dit oordeel, dat hij moeilijk verenigbaar acht met eerdere rechtspraak van het Hof.5 Widdershoven constateert verder dat het Hof deze vorm van – in zijn woorden – discriminatie weliswaar toestaat, maar niet voorschrijft, zodat er voor de Hoge Raad in elk geval geen reden behoeft te zijn om terug te komen op de lijn uit het arrest Habing.6
Kortmann beziet – enigszins gerelateerd aan het vorige onderwerp – in een uitvoerig (gedocumenteerd) artikel welke eisen de rechtsstaat stelt aan het overheidsaansprakelijkheidsrecht.7 Hoever zou, als de politiek dat zou wensen, de wetgever kunnen gaan in het beperken van de aansprakelijkheid van de overheid, zonder dat dit in strijd zou komen met de eisen die voortvloeien uit de rechtsstaat? Kortmann concludeert dat dit eigenlijk pas het geval is indien het beginsel van effectieve rechtsbescherming zou worden ondergraven, omdat de overheidsaansprakelijkheid op dat punt een – tot op zekere hoogte – onmisbaar sluitstuk vormt van het beginsel dat de overheid aan het recht is gebonden. Wat het beginsel van effectieve rechtsbescherming precies vereist als het gaat om overheidsaansprakelijkheid, hangt af van de context van het geschil, aldus Kortmann, waarbij verdergaande eisen gesteld zullen worden indien fundamentele rechten in het geding zijn. Dit vormt de grens, waaronder het overheidsaansprakelijkheidsrecht niet mag zakken. Dit betekent volgens Kortmann dat er wel ook ruimte bestaat tussen de eisen die uit deze ondergrens voortvloeien en het ruimere, huidige overheidsaansprakelijkheidsrecht, zoals we dat kennen in Nederland. Het verschil tussen die twee laat daarmee ruimte voor rechtspolitieke overwegingen, die aan verandering onderhevig kunnen zijn.
2. Onrechtmatige overheidsdaad
2.1 Burgerlijke rechter
In onze vorige kroniek hebben wij, ondanks dat het ging om lagere rechtspraak, een vonnis van de rechtbank Rotterdam en een van de rechtbank Overijssel gesignaleerd met betrekking tot de aansprakelijkheid van de Staat voor schade in verband met de toeslagenaffaire.8 Deze vonnissen zijn inmiddels ook nader beschouwd in de literatuur en wel door Marseille voor Ars Aequi en door Tjepkema en Van Triet voor O&A.9 In beide bijdragen wordt de nodige kritiek geuit op deze vonnissen. Met name op de conclusie van de rechtbanken dat aan de besluiten waarmee de kinderopvangtoeslag is teruggevorderd, in deze civiele procedures geen formele rechtskracht toekomt. Zo plaatsen Tjepkema en Van Triet vraagtekens bij het vonnis van de rechtbank Rotterdam, omdat de rechtbank concludeert dat de formele rechtskracht van het terugvorderingsbesluit mede moet worden doorbroken vanwege een impliciete en anterieure erkenning van onrechtmatigheid. Die erkenning zou onder meer besloten liggen in de algemene excuusbrief van het kabinet aan de gedupeerden van de toeslagenaffaire. De vraagtekens die Tjepkema en Van Triet plaatsten, zijn kort nadien bevestigd door de Hoge Raad. In de hierna te bespreken uitspraak van 17 november 2023 heeft de Hoge Raad namelijk nadrukkelijk geoordeeld dat een erkenning van onrechtmatigheid alleen de formele rechtskracht doorbreekt, indien die erkenning gedurende de bezwaar- en/of beroepstermijn plaatsvindt en dus niet anterieur.10 Dit heeft de rechtbank Rotterdam miskend. Het vonnis van de rechtbank Overijssel wordt op zijn beurt kritisch beschouwd door deze auteurs, in verband met het oordeel dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) in toeslagenzaken tot 2019 geen met voldoende waarborgen omklede rechtsgang bood. Tjepkema en Van Triet wijzen erop dat die beoordeling ten onrechte leunt op het feit dat de Afdeling destijds geen evenredigheidstoetsing uitvoerde op de terugvordering van ten onrechte ontvangen toeslagen, terwijl de rechtsmachtsverdeling tussen de burgerlijke rechter en de bestuursrechter geen ruimte biedt voor een dergelijke – in onze woorden – civiele second opinion. De vraag of er een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang bestaat, dient te beantwoord te worden aan de hand van de procedurele mogelijkheden en waarborgen, niet aan de hand van de inhoud van de toetsing of de kans van slagen van een bestuursrechtelijke procedure. Marseille blijft na lezing van de vonnissen om andere redenen met een – in zijn woorden – onbevredigd gevoel achter. Hij constateert enerzijds dat het praktisch nut van deze vonnissen voor eisers zeer beperkt, zo niet afwezig, is, nu het slechts ging om verklaringen voor recht omtrent aansprakelijkheid. Anderzijds is hij van mening dat beide rechtbanken een kans hebben laten liggen om in bredere zin bij te dragen aan de rechtsvorming, door achterwege te laten om prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen. Daarmee is vanuit beide perspectieven sprake van een gemiste kans.
Hiervoor signaleerden wij al dat de rechtbank Rotterdam in haar vonnis de algemene excuses van het kabinet aan gedupeerden van de toeslagenaffaire gebruikte ter onderbouwing van de conclusie dat de formele rechtskracht moest worden doorbroken. Dit raakt het onderwerp van een bijdrage van Wijntjens aan O&A, waarin het verband tussen het aanbieden van excuses en civielrechtelijke aansprakelijkheid centraal staat.11 Wijntjes concludeert dat er in theorie juridische risico’s kleven aan het aanbieden van excuses, maar dat die wel behoorlijk genuanceerd moeten worden. Excuses kunnen volgens Wijntjes namelijk alleen gelden als een erkenning van civielrechtelijke aansprakelijkheid, indien de ontvanger er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat ze zo waren bedoeld. Dat mag niet snel worden aangenomen, aldus Wijntjes.
Verjaring. In de civiele rechtspraak van de Hoge Raad is in de afgelopen kroniekperiode alleen ontwikkeling te zien op het onderwerp van verjaring. Wij bespreken in dat kader hierna één arrest. Daarnaast signaleren wij de conclusie van A-G Snijders, waarop nog arrest moet volgen, in de Sri Lankaanse adoptiezaak.
In het arrest van de Hoge Raad van 8 september 2023 staat de verjaring centraal van een vordering tot vergoeding van schade die is veroorzaakt door een onrechtmatig besluit en een onrechtmatige onzelfstandige voorbereidingshandeling.12 Het college van B en W van de gemeente Brummen had ten onrechte een bouwvergunning geweigerd, hetgeen kwam vast te staan toen die weigering in 2009 werd vernietigd door de Afdeling. De gemeente bepleitte dat een eventuele vordering tot schadevergoeding in verband met deze weigering was verjaard. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden volgde haar daarin niet, nu de verjaringstermijn pas aanving ten tijde van de vernietiging van het onrechtmatige weigeringsbesluit door de Afdeling en niet reeds toen de onrechtmatige beslissing werd genomen of – zoals de gemeente bepleitte – ten tijde van de daaraan voorafgaande principebesluiten. De Hoge Raad stelt voorop dat in het arrest Talma/Friesland uit 1994 is overwogen dat de burgerlijke rechter een vordering tot schadevergoeding vanwege een onrechtmatig besluit in beginsel slechts kan toewijzen indien en nadat de bestuursrechtelijke rechtsgang is gevolgd en daarbij is beslist dat het besluit onrechtmatig is, alsmede dat een dergelijke vordering pas ‘opvorderbaar’ is nadat de laatstbedoelde beslissing is gegeven.13 Tegenwoordig bepaalt artikel 3:310 lid 1 BW dat de verjaringstermijn pas loopt op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering in te stellen, waarvoor voldoende zekerheid is vereist dat de schade is veroorzaakt door foutief handelen. Met de wijziging van de Awb van 1 juli 2013 is voorts artikel 8:93 Awb ingevoerd, dat in het geval van een verzoek om schadevergoeding bij de bestuursrechter bepaalt dat genoemd artikel 3:310 BW van overeenkomstige toepassing is, met dien verstande dat de verjaringstermijn niet eerder aanvangt dan de dag na die waarop de vernietiging van het schadeveroorzakende besluit onherroepelijk is geworden. Tegen deze achtergrond moet volgens de Hoge Raad, mede gelet op het belang van rechtseenheid, worden aangenomen dat de verjaringstermijn niet eerder aanvangt dan op de dag na die waarop de vernietiging onherroepelijk is geworden. Hetzelfde geldt voor een onzelfstandige voorbereidingshandeling, aangezien die deelt in de (on)rechtmatigheid van het daaropvolgende besluit.
Snijders concludeert in de Sri Lankaanse adoptiezaak – in de kern genomen – dat het hof in zijn arrest over die kwestie uit het oog is verloren dat de onrechtmatigheid van het handelen van de Stichting en de Staat met betrekking tot adopties uit Sri Lanka beoordeelt dient te worden naar de destijds geldende regels en maatstaven en niet naar hoe daar tegenwoordig over wordt gedacht. De crux van deze zaak is volgens Snijders dan ook gelegen in een veranderde kijk op interstatelijke adopties, waarin tegenwoordig veel meer oog is voor wat de behoeften van het kind als volwassene zal zijn met betrekking tot het inzicht in zijn afkomst. Snijders concludeert voorts dat het hof ten onrechte heeft geconcludeerd dat de Staat uit hoofde van falend toezicht aansprakelijk is, nu hoogstens sprake kon zijn van algemeen toezichtsfalen op het adoptiestelsel. Dat laatste kan blijkens de rechtspraak van de Hoge Raad alleen onder uitzonderlijke omstandigheden worden aangenomen, maar het hof had dergelijke uitzonderlijke omstandigheden niet vastgesteld.14 Signaleringswaardig zijn tot slot de meer algemene overwegingen van Snijders omtrent het leerstuk van verjaring en de vraag of daar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid een beroep op kan worden gedaan.
2.2 Bestuursrechter
Titel 8.4 Awb – onrechtmatige voorbereidingshandeling. De bestuursrechter spreekt zich maar zelden uit over voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 8:88 lid 1 sub b Awb. Alleen daarom al is de uitspraak van de Afdeling van 15 november 2023 het vermelden waard. Daarin kwam de Afdeling voor de vraag of aan onrechtmatige intrekkingsbesluiten, die na een uitspraak van de Afdeling waren herroepen, ook onrechtmatig onderzoek vooraf was gegaan.15 Het ging in deze zaak om de inkomensschade die een voormalig advocaat zou hebben geleden doordat de Raad voor Rechtsbijstand een aantal toevoegingen had ingetrokken. Dat was gebeurd omdat uit dossieronderzoek niet kon worden opgemaakt dat de werkzaamheden waarvoor toevoeging was verleend, daadwerkelijk persoonlijk door hem waren verricht. Het onderzoek van de Raad voor Rechtsbijstand had ook een rol gespeeld in een breder onderzoek van de deken naar de praktijkvoering van de advocaat. Dat dekenonderzoek leidde tot een schorsing en schrapping van het tableau, maar die werd door het Hof van Discipline, toen de intrekkingsbesluiten van de Raad voor Rechtsbijstand inmiddels waren gesneuveld bij de Afdeling, omgezet in een voorwaardelijke schrapping. Deze gang van zaken moest volgens de voormalig advocaat volledig worden toegerekend aan het handelen van de Raad voor Rechtsbijstand, dat volgens hem onrechtmatig was, omdat de Afdeling de intrekkingsbesluiten nu eenmaal had vernietigd. Dat had de Afdeling echter niet gedaan vanwege gebreken in het onderzoek, maar alleen omdat de stringente intrekkingsgrond dat de verlening “kennelijk onjuist” was, in deze specifieke situatie niet had mogen worden ingezet. Uit de uitspraak van de Afdeling over de intrekkingsbesluiten kon dus niet worden afgeleid dat het dossieronderzoek van de Raad voor Rechtsbijstand ook onrechtmatig was. Omdat de voormalig advocaat de conclusies van dat dossieronderzoek ook niet had bestreden, strandt het verzoek om schadevergoeding op dit punt.
Onrechtmatigheid – formele rechtskracht. In onze vorige kroniek bespraken wij de conclusie van A-G Pauwels over de relevantie van het moment van erkenning van de onrechtmatigheid van een besluit voor het leerstuk van de formele rechtskracht.16 In deze zaak heeft de heffingsambtenaar erkend dat een aantal WOZ-beschikkingen onrechtmatig was, maar pas nadat deze beschikkingen onherroepelijk waren geworden. Volgens A-G Pauwels zou zo’n posterieure erkenning op zichzelf – zonder herroeping of intrekking van het besluit – niet moeten leiden tot een doorbreking van de formele rechtskracht van de WOZ-beschikkingen. In een dergelijk geval kan die erkenning immers geen reden zijn geweest voor de belanghebbende om geen rechtsmiddelen aan te wenden. Deze lijn is ontleend aan het arrest van de Hoge Raad in de zaak Maple Tree17 uit 2003, maar volgde daar niet heel expliciet uit en is in de literatuur ook door menigeen ter discussie gesteld.18 Toch moet deze rechtspraak volgens A-G Pauwels worden doorgezet. Inmiddels heeft de Hoge Raad arrest gewezen in deze zaak.19 De Hoge Raad volgt de conclusie van de A-G. Daarbij verwijst de Hoge Raad naar eerdere rechtspraak van de Afdeling uit 2003, waarin de Afdeling zich weer aansloot bij het arrest Maple Tree.20 Ook de Hoge Raad is dus kennelijk van oordeel dat het arrest Maple Tree leidend was en nog steeds is. Het arrest is overigens gewezen door een grote kamer die mede bestond uit een staatsraad van de Afdeling (en lid van de Raad van State) die ook raadsheer in buitengewone dienst bij de Hoge Raad is. Wij gaan er daarom van uit dat ook de Afdeling zich nog steeds achter deze lijn schaart.
Causaal verband en redelijke toerekening. Ook in deze kroniekperiode verscheen weer een vermeldenswaardige uitspraak van de Afdeling in een schadezaak van een vreemdeling. De vreemdeling claimde inkomensschade te hebben geleden nadat de intrekking van zijn verblijfsvergunning geen stand had gehouden bij de rechter. De rechtbank had het verzoek afgewezen omdat niet aan het relativiteitsvereiste van artikel 6:163 BW was voldaan, onder verwijzing naar het klassieke arrest Iraanse vluchtelinge van de Hoge Raad.21 Volgens Iraanse vluchtelinge strekken de regels van het nationale vreemdelingenrecht niet tot bescherming van vermogensrechtelijke belangen en komt inkomensschade dus niet voor vergoeding in aanmerking. Deze rechtspraak werd uitdrukkelijk ter discussie gesteld voor de Afdeling, die de vraag moest beantwoorden of zij het arrest uit 2009 volgt. Die vraag beantwoordt de Afdeling echter niet, omdat zij in haar uitspraak van 15 november 2023 niet toekomt aan het relativiteitsvereiste. Het verzoek stuit al af op het ontbreken van causaal verband tussen het gestelde inkomensverlies en het intrekkingsbesluit, zoals de staatssecretaris naar voren had gebracht.22 Vanwege de schorsende werking van het beroep tegen het intrekkingsbesluit mocht de vreemdeling gedurende zijn procedure tegen dat besluit blijven werken. Het is dus niet zo dat hij zijn werk is verloren door het intrekkingsbesluit. Hoewel de schade daarom al niet voor vergoeding in aanmerking komt, gaat de Afdeling ook in op de leer van de redelijke toerekening, wellicht met het oog op andere toekomstige gevallen waarin er wel een causaal (conditio sine qua non-)verband zou bestaan. In dat kader overweegt de Afdeling dat het de keuze van de toenmalige werkgever is geweest om de vreemdeling, naar aanleiding van het voornemen om zijn verblijfsvergunning in te trekken, geen vast dienstverband aan te bieden. De vreemdeling had verder niet gesteld dat hij geen ander werk had kunnen krijgen als gevolg van het voornemen en had ook niet aannemelijk gemaakt dat hij niet kon werken door psychische klachten die zouden zijn ontstaan door de intrekkingsprocedure. Kort gezegd waren er dus geen belemmeringen om te werken. Het verband tussen de inkomensschade en de onrechtmatige besluitvorming is volgens de Afdeling daarom te ver verwijderd, gelet op de aard van de aansprakelijkheid en van de schade (inkomensschade), zodat die schade niet kon worden toegerekend aan de staatssecretaris in de zin van artikel 6:98 BW. Deze overweging ten overvloede geeft dus aan dat, ook als het relativiteitsvereiste geen belemmering (meer) zou zijn, de lat om inkomensschade aan de staatssecretaris toe te rekenen, vrij hoog ligt. De vreemdeling zal aannemelijk moeten maken dat hij door de besluitvorming van de staatssecretaris daadwerkelijk geen (andere) mogelijkheid had om inkomen te vergaren. Dat zal vaak niet eenvoudig zijn.
Eigen schuld (art. 6:101 BW). In onze vorige kroniek bespraken wij twee uitspraken van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: CBb) over de eigen schuld van de belanghebbende bij het ontstaan van de schade, omdat die pas na het nemen van het betwiste besluit nieuwe doorslaggevende informatie had overgelegd, die leidde tot een gewijzigd besluit of een geslaagd beroep, waardoor het aanvankelijke besluit geen standhield.23 Wij gaven toen aan dat het in zo’n situatie eerder voor de hand lag om een uitzondering te maken op de beginseltoerekening van de onrechtmatigheid van het besluit aan het bestuursorgaan, zoals het CBb in eerdere uitspraken in 2021 had gedaan en uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt.24 Het CBb zet haar lijn echter voort, zo blijkt uit een uitspraak van 19 september 2023.25 Pas in bezwaar waren zogenoemde voergeldovereenkomsten overgelegd, waaruit kon worden afgeleid dat de maatschap in 2018 varkens hield en daardoor alsnog in aanmerking kwam voor subsidie. Dat in primo een onjuist besluit was genomen, is daarom volgens het CBb voornamelijk aan de maatschap toe te rekenen, reden waarom de schade op grond van artikel 6:101 BW voor rekening van de maatschap blijft. Deze benadering lijkt ons in het bijzonder onverenigbaar met het feit dat het CBb in deze uitspraak oordeelt dat de minister voor zijn primaire beslissing mocht uitgaan van de door hem gehanteerde feiten en dat hem pas in bezwaar, na overlegging van de voergeldovereenkomst, het tegendeel duidelijk hoefde te zijn. Waarom het CBb er dan toch nog van uitgaat dat de onjuistheid van de primaire beslissing aan de minister kan worden toegerekend, valt zeker tegen deze achtergrond niet te begrijpen. Overigens had de maatschap ook niet aangetoond dat en hoeveel schade zij zou hebben geleden. Het CBb had het verzoek dus ook op die grond al kunnen afwijzen.
Schade – immateriële schade, aantasting in de persoon (art. 6:106 lid 1 sub b BW). Een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) van 27 september 2023 gaat over het verzoek om schadevergoeding van vier medewerkers van Defensie die tijdens hun werk zijn blootgesteld aan chroom-6.26 Zij stelden als gevolg hiervan “sterke gevoelens van onbehagen en voortdurende angst voor een (ernstige) ziekte” en “gederfde levensvreugde” te hebben. Dit wilden zij echter niet concretiseren of onderbouwen, omdat zij meenden dat zulks niet nodig was om in dit geval een aanspraak op een schadevergoeding voor immateriële schade te krijgen. Daartoe beriepen zij zich op de regel uit de rechtspraak van de Hoge Raad dat een dergelijke onderbouwing achterwege kan blijven als de aard en ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat op basis van die normschending een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.27 De vraag was dus of een dergelijke aanname ook in het geval van blootstelling aan chroom-6 kan worden gedaan. Volgens de CRvB was dat niet het geval. Er was weliswaar sprake van een ernstige schending van de zorgplicht, maar deze gevallen waren niet op één lijn te stellen met de twee andere gevallen die in de rechtspraak van de Hoge Raad zijn aangenomen: de oudejaarsrellen en het geval van wrongful life. De mate van het “zo voor de hand liggen van de relevante nadelige gevolgen” verschilt daarvoor in dit geval namelijk te veel van die zaken. De Raad kan daarbij leunen op RIVM-onderzoek naar de aard en de ernst van de met chroom-6 in causaal verband te brengen aandoeningen, de kans op het krijgen van die aandoeningen gerelateerd aan de duur en intensiteit van blootstelling en de (inmiddels voorbije) latentieperiode.28 In het bijzonder volgt uit dat onderzoek dat de blootstelling aan chroom-6 alleen leidt tot een vergroting van de kans die – de blootstelling aan chroom-6 weggedacht – ook in de autonome situatie bestaat op het oplopen van bepaalde aandoeningen.29 Dat verschil in de hoegrootheid van de kans op deze aandoeningen, rechtvaardigt volgens de CRvB kennelijk (de CRvB licht dit niet nader toe) dus niet de conclusie dat de nadelige gevolgen van de blootstelling zo voor de hand liggen dat die een persoonsaantasting rechtvaardigen.
Schade – immateriële schade, redelijke termijn. In een uitspraak van 12 juli 2023 komt de CRvB expliciet terug op oudere rechtspraak over het moment waarop de redelijke termijn in de zin van artikel 6 EVRM (en inmiddels ook art. 17 Gw) eindigt in de situatie dat geen uitspraak wordt gedaan, maar een (hoger) beroep wordt ingetrokken, omdat alsnog een tegemoetkomend besluit is genomen.30 Ook dan kan immers aanspraak bestaan op een schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Volgens de nieuwe lijn is in principe het moment van intrekking van het (hoger) beroep bepalend. Dat geldt zowel als dat moment samenvalt met het nemen van het nieuwe besluit, als in de situatie dat het beroep eerder wordt ingetrokken. Als eerst of alleen een tegemoetkomend besluit wordt genomen (en het oude besluit niet wordt ingetrokken of herroepen), dan is de datum van het nieuwe besluit het moment waarop de redelijke termijn eindigt.
Verder roert de (lagere) rechtspraak zich over de hoogte van de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM in zaken waarin rechtsbijstand wordt verleend op basis van no cure no pay.31 Dat gebeurt veel in WOZ- en bpm-zaken, maar ook in Wet Mulder-zaken (parkeerboetes), en wel op zo’n schaal dat delen van de rechtspraak hierop vast dreigen te lopen.32 Het is echter juist deze werkwijze die de aanspraak op schadevergoeding doet ontstaan en de daarmee gemoeide bedragen almaar laat oplopen. De wetgever heeft hier daarom inmiddels ook op ingegrepen.33 De vaste vergoeding van € 500 per halfjaar aan overschrijding van de redelijke termijn, gebaseerd op vaste rechtspraak van alle bestuursrechters, geldt sinds 1 januari 2024 daarom niet meer voor WOZ- en bpm-zaken. In deze zaken wordt voortaan nog slechts een vergoeding van € 50 per halfjaar termijnoverschrijding toegekend. Naar aanleiding van een amendement zijn ook de parkeerboete-zaken meegenomen. Voor zowel WOZ-, bpm- als Wet Mulder-zaken is gaan gelden dat de proceskostenvergoeding direct aan de belanghebbende moet worden betaald. Belangrijk is verder dat ook A-G Wattel, in een zaak waarin de Hoge Raad nog uitspraak moet doen, heeft geconcludeerd dat het hof terecht geen immateriële schadevergoeding heeft toegekend vanwege de overschrijding van de redelijke termijn, omdat die procedure op niets meer zag dan de invorderingsrente op een teruggaaf van watersysteemheffing, van in totaal slechts € 0,80.34
Schade – begroting. In onze vorige kroniek attendeerden wij op een tussenuitspraak van de Afdeling waarin voor de eerste maal, anticiperend op het conceptwetsvoorstel Wet versterking waarborgfunctie Awb, expliciet toepassing was gegeven aan de zogenoemde burgerlus. De Afdeling heropende het onderzoek om appellant in de gelegenheid te stellen om de omvang van zijn schade te onderbouwen, die hij had geleden omdat zijn parkeervergunning was ingetrokken tussen 1 maart 2016 en 1 augustus 2018. Dat intrekkingsbesluit was eerder vernietigd en dus onrechtmatig. Op 4 oktober 2023 heeft de Afdeling einduitspraak gedaan in deze zaak.35 Daaruit blijkt dat de bank van appellant, ondanks diverse verzoeken, niet bereid was om rekeningafschriften te verstrekken om aan te tonen welke parkeerkosten appellant in die periode heeft gemaakt. De Afdeling redt appellant uit deze bewijsnood. Omdat wel aannemelijk is dat hij schade heeft geleden, die alleen niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, gaat de Afdeling over tot het schatten van de schade.36 De Afdeling gaat niet mee in het betoog van het college van B en W van de gemeente Amsterdam dat appellant buiten zijn eigen wijk had kunnen parkeren en dat hij mogelijk geen parkeergeld heeft betaald.
3. Rechtmatige overheidsdaad
3.1 Schadeloosstelling wegens onteigening
Anders dan dat de Omgevingswet per 1 januari 2024 in werking is getreden, biedt deze kroniekperiode weinig grote ontwikkelingen. Zo heeft de Hoge Raad deze kroniekperiode geen onteigeningsarresten gewezen.37 Wel is de dissertatie van Schuite over de positie van de rechtbankdeskundigen in onteigenings- en nadeelcompensatiezaken relevant.38 Hij concludeert, kort gezegd, dat deskundigen een essentiële functie vervullen in de procedure, maar dat de wet tegelijkertijd weinig regelt over hun positie en rol. Hij doet een aantal aanbevelingen om dit te veranderen. Dit zou dan een wijziging van de Omgevingswet vereisen, omdat deze weinig meer regelt omtrent de positie en rol van deskundigen dan de Onteigeningswet deed. Tot slot verwijzen wij de geïnteresseerde lezer naar de kroniek onteigeningsjurisprudentie,39 een bijdrage van Botter over de Omgevingswet,40 waarin hij ingaat op een aantal mogelijke knelpunten bij de toepassing van het nieuwe instrumentarium, en bijdragen van Van Helvoirt,41 Van Delden,42 Van Sandick & Van den Brand43 en Van Heijst44 over de transitie van Onteigeningswet naar Omgevingswet.
3.2 Nadeelcompensatie/tegemoetkoming in planschade
Omgevingswet. Zoals al aangekondigd in de vorige kroniek: de Omgevingswet is per 1 januari 2024 daadwerkelijk in werking getreden en hetzelfde geldt voor titel 4.5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) waarin het égalitébeginsel is gecodificeerd (art. 4:126 Awb). In de afgelopen periode hebben diverse overheden zich voorbereid op die inwerkingtreding door hun verordeningen en beleidsregels aan te passen per 1 januari 2024.45 Zo publiceerde het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat een nieuwe versie van de aloude Beleidsregel nadeelcompensatie Infrastructuur en Waterstaat.46 Hierin zijn de meeste bepalingen vervallen, bijvoorbeeld over de grondslag of risicoaanvaarding, omdat de Awb hierin thans voorziet. Wel bevat de beleidsregel nog bepalingen over de invulling van het normaal maatschappelijk risico en de wijze van behandeling van een aanvraag. Verder heeft de rijksoverheid een algemene maatregel van bestuur geconsulteerd waarmee bestuursorganen van de rijksoverheid bevoegd worden leges te heffen van maximaal € 300, een en ander conform het bepaalde in artikel 4:128 lid 2 Awb. Naar wij aannemen, volgt vaststelling snel.47
Ook de Omgevingswet houdt de pennen in beweging. Zonder naar volledigheid te streven, noteerden wij deze kroniekperiode onder andere bijdragen van Stuiver48 en Van der Lee49 over de relevante wijzigingen.50 Verder kent de al genoemde dissertatie van Schuite ook relevantie voor het nadeelcompensatierecht, nu hij ook uitgebreid ingaat op de rol van de onafhankelijke deskundigen die het bestuursorgaan inschakelt ten behoeve van de besluitvorming in dit kader. Ook hier doet hij een aantal voorstellen ter verbetering van de huidige praktijk. Voor jurisprudentie over de Omgevingswet, dan wel titel 4.5 Awb, is het nog even wachten. In ieder geval geldt dat titel 4.5 Awb alleen van toepassing is op schade die ontstaat na 1 januari 2024 vanwege na die datum vastgestelde of uitgevoerde schadeoorzaken. Jurisprudentie daarover lijkt dus ver weg.
Bevoegdheid. Een bijzondere casus leidde tot de uitspraak van de Afdeling van 12 juli 2023.51 Bij uitspraak van 20 mei 2015 vernietigde de Afdeling een bestemmingsplan voor zover ten onrechte niet was voorzien in een dubbelbestemming. Bij wijze van een voorlopige voorziening bepaalde de Afdeling dat, totdat de raad een nieuw plan had vastgesteld, de dubbelbestemming zou gelden. Vervolgens vraagt appellant planschade vanwege die dubbelbestemming. Dat kan echter niet, omdat de dubbelbestemming die voortvloeit uit de door de Afdeling getroffen voorziening nooit is vastgesteld door de raad en daarmee geen deel uitmaakt van het vigerende planologische regime. De dubbelbestemming is daarmee geen bepaling van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 6.1 lid 2 Wro. Niet dat appellant er veel mee opschoot, maar, anders dan de rechtbank overwoog, concludeert de Afdeling dat dit niet afdoet aan de bevoegdheid van het college om te beslissen op de aanvraag. Appellant verzocht immers om vergoeding van planschade vanwege de vaststelling van een bestemmingsplan en daarmee was de bevoegdheid tot beslissen gegeven. Vanwege het voorgaande had de beslissing echter afwijzend moeten luiden.
Europees recht. Het nadeelcompensatierecht mag zich op steeds meer Europeesrechtelijke interesse verheugen. Eerder noemden wij al de kwestie van de Hemwegcentrale die thans voorligt bij het Europees Hof van Justitie (hierna: het Hof).52 Van een iets eerdere datum is het Sātiņi-S-arrest van het Hof.53 In dat arrest overweegt het Hof, enigszins ten overvloede, dat de kosten die Sātiņi-S moet maken om zich te beschermen tegen volgens Europees recht beschermde diersoorten, behoren tot zijn normale bedrijfskosten. Van Midden en Tjepkema constateren in een bijdrage aan het Nederlands tijdschrift voor Europees recht dat dit arrest en de kwestie omtrent de Hemwegcentrale grote impact kunnen hebben op het Nederlandse nadeelcompensatierecht.54 Als het Hof in Sātiņi-S immers heeft bedoeld dat dergelijke bedrijfskosten behoren tot het normale ondernemersrisico, dan heeft dat bijvoorbeeld grote impact op de Nederlandse praktijk van de vergoeding van faunaschade, in die zin dat dergelijke schade dan behoort tot de normale bedrijfskosten. Volgt het Hof de Europese Commissie inzake de Hemwegcentrale, dan kan dat bovendien betekenen dat nadeelcompensatie altijd door een rechter moet worden vastgesteld. Zij waken er echter voor om al te veel te lezen in individuele rechtsoverwegingen van het Hof in Sātiņi-S die niet (direct) betrekking hebben op een nadeelcompensatiegeschil en constateren dat het Gerecht van Eerste Aanleg de Europese Commissie inzake de Hemwegcentrale geen gelijk heeft gegeven. Wordt ongetwijfeld vervolgd.
3.2.1 Grondslag en schadeoorzaak
Het inmiddels vervallen artikel 7.14 Waterwet kan worden gezien als de voorloper van artikel 4:126 Awb voor de waterpraktijk, namelijk een algemene grondslag voor de vergoeding van nadeelcompensatie veroorzaakt door de uitoefening van taken en bevoegdheden op grond van de Waterwet. Daarnaast bevatte artikel 7.15 Waterwet een specifieke bepaling voor schade vanwege wateroverlast die wordt veroorzaakt door maatregelen om de afvoer- of bergingscapaciteit te vergroten. Genoemde artikelen zijn inmiddels opgegaan in de Omgevingswet, maar bij uitspraak van 29 november 2023 heeft de Afdeling nog een interessante uitspraak gewezen omtrent het toepassingsbereik van beide artikelen.
Appellant verweet het waterschap een stuw ten onrechte niet open te hebben gezet na wateroverlast in 2014. Hierdoor kon het water niet van zijn percelen afvloeien en ontstond er schade. Onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis concludeerde de rechtbank dat artikel 7.14 Waterwet alleen ziet op actieve handelingen en dat het niet (verder) openzetten van een stuw geen maatregel is als bedoeld in artikel 7.15 Waterwet. De schade kwam volgens de rechtbank dus niet voor vergoeding in aanmerking. Dit ziet de Afdeling anders. Artikel 7.15 Waterwet is alleen bedoeld als nadere uitwerking van artikel 7.14 Waterwet en niet als beperking van de reikwijdte van dat artikel bij wateroverlast. Verder is de reikwijdte van artikel 7.14 Waterwet, mede gelet op de wens van de wetgever om een algemene regeling voor de afhandeling van schade te bieden, niet beperkt tot actief handelen, maar kan ook een nalaten onder het bereik van het artikel vallen. Appellant krijgt dus gelijk, maar dat mag hem niet baten. De Afdeling constateert namelijk ook dat er geen causaal verband bestaat tussen de gestelde schade en de beslissing de stuw niet (verder) te openen. Hoewel, als gezegd, artikel 7.14 Waterwet is opgegaan in de Omgevingswet, is deze uitspraak ook relevant voor de interpretatie van artikel 4:126 Awb. Nu beide artikelen immers een algemene grondslag willen bieden voor de afwikkeling van nadeelcompensatie, mag worden verondersteld dat de Afdeling ook nalaten onder het bereik van artikel 4:126 Awb vindt vallen.
Verder wijzen wij op de uitspraken van het CBb van 14 november 2023 over de Tegemoetkoming Vaste Lasten (hierna: TVL), waarin het CBb constateerde dat de TVL een subsidieregeling is en geen (nadeel)compensatieregeling.55 Hiervoor is doorslaggevend dat de doelstelling van de regeling is om werkgelegenheid te behouden en de economische gevolgen van de COVID-19-crisis te bestrijden. Het oogmerk is niet het vergoeden van schade vanwege overheidsoptreden. Het als TVL toegekende bedrag kwalificeert dus niet als schadevergoeding of nadeelcompensatie.
3.2.2 Vergelijking juridische regimes
Zoals bekend, moet bij de bepaling van de (mogelijke) planschade een vergelijking worden gemaakt tussen de opvolgende planologische regimes. Daarbij moet onder de Wro in beginsel uit worden gegaan van hetgeen het regime maximaal mogelijk maakt en niet van wat feitelijk is of wordt gerealiseerd.56 Gaat het echter om hinder vanwege geluid, dan moet worden uitgegaan van een ‘reële prognose’. Dit speelt vaak bij infrastructurele werken, waarbij dan een reële prognose wordt gemaakt van het aantal te verwachten voertuigbewegingen en de daaruit voortvloeiende geluidhinder.57 Zo ook in de uitspraken van de Afdeling van 9 augustus 2023 en 6 december 2023.58
Uit de uitspraak van 6 december 2023 blijkt duidelijk dat het bestuursorgaan zich voor het vaststellen van de ‘reële prognose’ mag baseren op de onderzoeken die ten grondslag lagen aan het bestemmingsplan. In dit geval was het bestuursorgaan uitgegaan van een lagere geluidsbelasting dan was ingeschat in het bestemmingsplan, hetgeen leidde tot vernietiging van het besluit. Het college van B&W kon immers niet onderbouwen waarom de verwachte hinder gebaseerd op de reële prognose lager zou uitvallen. Daarnaast laat deze uitspraak zien dat de ‘reële prognose’ ook aan de orde is bij de bepaling van mogelijke trillingshinder of om de verslechtering van de luchtkwaliteit te beoordelen. De uitspraak van 9 augustus 2023 leert dat, als uit de reële prognose blijkt dat de verkeersintensiteit niet in betekende mate toeneemt en de geluidshinder naar verwachting wegvalt tegen andere geluidsbronnen, die conclusie niet cijfermatig hoeft te worden onderbouwd.
Een ander heikelpunt bij de vergelijking van planologische regimes ontstaat indien het oude of schadeveroorzakende bestemmingsplan ontheffingsmogelijkheden kent. In de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 28 september 2016 was al opgenomen dat bij de planologische vergelijking bij indirecte planschade geen rekening mag worden gehouden met in het bestemmingsplan opgenomen mogelijkheden om bij omgevingsvergunning af te wijken van dat plan.59 De Afdeling trekt die lijn nu in een tweetal uitspraken door naar de bepaling van directe planschade.60 In de uitspraak van 16 augustus 2023 is daarmee de kous af, omdat het een ontheffingsmogelijkheid uit het voorgaande bestemmingsplan betrof die was komen te vervallen. In de uitspraak van 14 juni 2023 betrof het een bepaling uit het nieuwe bestemmingsplan die de realisatie van woningen afhankelijk maakte van een ontheffing. Daarmee is er sprake van een planologische verslechtering. Tegelijkertijd mag krachtens artikel 6.1 lid 6 Wro van appellant worden verlangd dat hij eerst probeert gebruik te maken van die ontheffingsmogelijkheid.61 Pas als blijkt dat de ontheffing niet wordt verleend of onder (beperkende) voorwaarden, kan grond bestaan voor een tegemoetkoming in planschade. Dit ligt anders als het aanvragen van een dergelijke vergunning onredelijk belastend is, maar daar was hier niet van gebleken.62 Overigens komt in de uitspraak van 14 juni 2023 ook de (vaste) rechtspraak aan de orde dat, als de rechtbank een beslissing op bezwaar vernietigt en geen termijn stelt voor het nemen van een nieuwe beslissing, het bestuursorgaan moet beslissen binnen dezelfde termijn als de termijn die gold voor de oorspronkelijke beslissing, dus twaalf weken. Als het bestuursorgaan dat niet haalt, dan moet zij de termijn tijdig verdagen. Anders dan het college van B&W hier betoogde, geldt er dus geen ‘redelijke termijn’, ook niet als het bestuursorgaan een nieuw advies moet opstellen.63
Een wat bijzondere casus leidde tot een uitspraak van de Afdeling van 23 december 2023.64 Een uitbreidingsplan uit 1962 stond de realisatie van agrarische bebouwing toe. Vervolgens werd ter plaatse een hoogspanningsverbinding gerealiseerd, zonder planologische basis. Die grondslag kwam er pas in 2009 door opname van een dubbelbestemming. De rechtbank kwam op basis hiervan tot de conclusie dat er sprake was van een planologische verslechtering. Het college nam naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank een nieuw besluit. Daarin concludeerde het dat oprichting van een hoogspanningsverbinding wel grotendeels was toegestaan op grond van het uitbreidingsplan en dat anders de ontstane schade passief is aanvaard door geen gebruik te maken van de vervallen bouw- en gebruiksmogelijkheden. De rechtbank haalt nogmaals een streep door dit besluit en komt niet toe aan de passieve risicoaanvaarding, omdat het college eerst de consequenties van de planologische verslechtering moet vaststellen.
In hoger beroep constateert de Afdeling dat het nieuwe bestemmingsplan een illegale situatie legaliseert. In een dergelijk geval bestaat volgens (kennelijk) vaste jurisprudentie geen oorzakelijk verband tussen de schade en het bestemmingsplan. De schade vloeit namelijk voort uit het eerdere illegale gebruik. Dat is anders als de eigenaar zich voldoende heeft beklaagd over de illegale situatie, maar dat is hier niet het geval.65 Los van de hoogspanningsverbinding bevatte het nieuwe bestemmingsplan wel een planologische verslechtering, maar daarover oordeelt de Afdeling ambtshalve dat de rechtbank ten onrechte niet het beroep van het college op passieve risicoaanvaarding heeft beoordeeld. Dat doet de Afdeling alsnog en concludeert dat het risico op schade inderdaad is aanvaard.
3.2.3 Risicoaanvaarding
Er zijn twee uitspraken in deze periode over actieve risicoaanvaarding. In de eerste uitspraak stelde appellant dat hij nadeel ondervond van busverkeer door zijn straat en nieuwe bushaltes nabij zijn woning in de Veldstraat. Dat kwam door de herinrichting van de Molenstraat, waardoor het busverkeer was verlegd naar de Veldstraat.66 Het college van B en W wees evenwel op een in het Gemeenteblad en op Facebook gepubliceerde inspraaknotitie die dateerde van vóór de aankoop van de woning. De rechtbank nam op basis hiervan actieve risicoaanvaarding aan. De Afdeling oordeelde anders. De inspraaknotitie was namelijk niet integraal gepubliceerd en de titel vermeldde alleen dat het ging over de herinrichting van de Molenstraat. Anders dan de rechtbank vond de Afdeling dat een redelijk handelend koper uit de titel van de inspraaknotitie, mede gelet op de niet onaanzienlijke afstand tussen de Molenstraat en de Veldstraat, daarom niet hoefde af te leiden dat de herinrichting ook gevolgen zou hebben voor het busverkeer door de Veldstraat. Een redelijk denkend en handelend koper zou daarom geen aanleiding zien om kennis te nemen van de notitie, zodat hem ook geen risicoaanvaarding kon worden tegengeworpen. Interessant aan deze uitspraak is hoe de Afdeling in deze uitspraak toetst of een koper op basis van de wijze waarop een concreet beleidsvoornemen openbaar is gemaakt, rekening had moeten houden met de mogelijkheid dat dit voornemen mogelijk ook voor hem van belang kon zijn.67
De tweede uitspraak betrof een windpark voor de kust van Zuid-Holland. Na de bouw van dat windpark verleende de Minister van EZK toestemming voor de realisatie van andere windparken in de nabijheid. De exploitant van het eerst gebouwde windpark, Q10, stelde schade te lijden doordat haar windmolens door het nieuwe park minder wind vingen. De minister wees het verzoek af, omdat ten tijde van de investering het gebied al was aangewezen voor de realisatie van een of meerdere grote windenergieparken. De Afdeling gaat hierin mee. Dat het zoekgebied erg groot was (1.210 vierkante kilometer), doet hieraan niet af, omdat ook de opgave voor windenergie erg groot was (en is). Ook moest Q10 rekening houden met de voor haar meest ongunstige invulling van het beleidsvoornemen, dus ook met technologische ontwikkelingen waardoor grotere turbines mogelijk zijn geworden. Ook het feit dat de overheid ten tijde van de investeringsbeslissing nog onvoldoende sturingsmogelijkheden had om windparken te realiseren, maakt niet dat de realisatie van dergelijke grotere turbines in de toekomst was uitgesloten.
3.2.4 Schade en causaliteit
Sinds jaar en dag hanteert de Afdeling bij nadeelcompensatie als peildatum de datum van het schadeveroorzakende handelen, zowel voor vermogensschade als inkomensschade.68 Bij inkomensschade deed zich vaak de complicatie voor dat die schade niet gelijk op de peildatum ontstond, maar pas later. Bijvoorbeeld omdat het schadeveroorzakende besluit pas later werd uitgevoerd. Die tussenliggende periode kwam in de schadeberekening terug doordat de duur van het ongehinderde ‘voortgezet gebruik’ in mindering werd gebracht op de te hanteren kapitalisatiefactor.69
Bij uitspraak van 13 december 2023 slaat de Afdeling een andere weg in.70 De kwestie draaide om een snackbar die minder bereikbaar was geworden vanwege een verkeersbesluit. Het college hanteerde voor de kapitalisatie van de jaarlijks terugkerende inkomensschade een factor 10, maar corrigeerde dit naar factor 8 om de periode van voortgezet gebruik te verdisconteren, conform de hiervoor genoemde jurisprudentie. De Afdeling overweegt echter dat die benadering uitgaat van een verkeerde peildatum. Anders dan bij onteigening en planschade schrijft de wet bij nadeelcompensatie geen peildatum voor. Er is vervolgens geen goede grond om voor nadeelcompensatie bij die bijzondere wettelijke regelingen aansluiting te zoeken, zodat voor de berekening van inkomensschade moet worden uitgegaan van het moment waarop de schade daadwerkelijk intreedt. Dit sluit, volgens de Afdeling, aan bij het uitgangspunt dat zoveel als mogelijk werkelijk geleden en te lijden inkomensschade wordt vergoed. Daarbij geldt niet dat slechts rekening mag worden gehouden met de op het moment van inwerkingtreding van het later onherroepelijk geworden besluit bestaande verwachtingen over wat de toekomst zou kunnen brengen, aldus de Afdeling. Het hanteren van deze peildatum betekent logischerwijs ook dat er nooit sprake kan zijn van enig voortgezet gebruik en dus ook niet van een correctie op de kapitalisatiefactor.
Wat opvalt, is dat de Afdeling niet uitlegt waarom zij thans een andere peildatum hanteert dan in eerdere jurisprudentie. Gezien de algemene bewoordingen van deze uitspraak mag er echter van uitgegaan worden dat die eerdere jurisprudentie hiermee achterhaald is. Enige explicitering op dat punt was voor de praktijk wellicht dienstbaar geweest. Zo gaf de Afdeling ter onderbouwing van een vaste peildatum voor de bepaling van inkomensschade bij planschade onder andere de reden dat een verzoek binnen vijf jaar na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan moet worden ingediend.71 De vraag is dan vervolgens hoe deze nieuwe jurisprudentie zich verhoudt tot de verjaringstermijn bij nadeelcompensatie. Gaat die termijn lopen op het moment dat de inkomensschade zich daadwerkelijk voordoet of vanaf het moment van de inwerkingtreding van het schadeveroorzakende besluit?
Wat ook opvalt, is dat de Afdeling deze nieuwe lijn expliciet beperkt tot inkomensschade. Het ligt voor de hand dat bij waardevermindering de peildatum van inwerkingtreding van het schadeveroorzakende besluit blijft gelden. Dit roept wel de vraag op hoe wordt omgegaan met objecten waarvan de waarde wordt bepaald op basis van het daarmee te genereren inkomen, zoals tankstations of supermarkten. Het ligt voor de hand voor deze waardevermindering wel de inwerkingtreding van het schadeveroorzakende besluit als peildatum te hanteren, omdat die plaatsvindt op basis van een inschatting van het toekomstige inkomen en niet het daadwerkelijke inkomen op dat moment, zoals wel gebeurt bij de bepaling van inkomensschade. Bij gebreke aan nadere duiding van de Afdeling zal de tijd dit moeten leren.
In deze kroniekperiode verscheen ook een mooie uitspraak over wanneer bedrijfsvoering al dan niet is aangevangen, dan wel onomkeerbare investeringen zijn gedaan.72 In die situatie schaalde het nieuwe bestemmingsplan de toegestane milieucategorie terug van 5 naar 3. Dit betekent volgens appellante dat de mogelijkheid om buiten puin af te breken en asfalt en beton te produceren, nagenoeg is komen te vervallen. De vraag staat centraal of eventuele inkomensschade uit de nog niet aangevangen exploitatie voor vergoeding in aanmerking komt. De Afdeling toetst allereerst of de exploitatie al was aangevangen en constateert van niet. Vooral relevant is echter de vraag of al onomkeerbare investeringen waren gedaan. De Afdeling kwalificeert de verwerving van een perceel niet als zodanig, omdat het bedrijf het perceel ook anders bedrijfsmatig kan aanwenden. Ook de aanvraag van vergunningen geldt niet als zodanig, omdat daaruit geen vastomlijnd bedrijfsplan voor de asfaltcentrale blijkt. Voor de puinbreker en betoncentrale geldt dat de investeringen wel waren verricht en de gerealiseerde puinbreker en betoncentrale ook activiteiten mogelijk maakten in milieucategorie 5. Volgens de Afdeling staat echter niet vast dat de investeringen specifiek met het oog op milieucategorie 5 zijn gedaan, nu een vastomlijnd bedrijfsplan ontbreekt waar zulks uit volgt.
Voor wat betreft schade en schadeberekening wijzen wij tot slot nog op een zeldzaam voorbeeld waarin daadwerkelijk belastingschade is toegekend vanwege een nadeelcompensatieclaim,73 de constatering dat artikel 6.1 Wro niet dwingt tot een bepaalde taxatiemethode74 en een uitspraak over de bepaling van de referentieomzet in relatie tot andere hinderveroorzakende gebeurtenissen gedurende die periode.75
3.2.5 Abnormale en speciale last
De afgelopen jaren hebben zich weinig fundamentele ontwikkelingen voorgedaan op het gebied van de abnormale en speciale last. Niet dat er geen uitspraken worden gewezen, vooral over de abnormale last, maar die uitspraken behelzen doorgaans toepassing van reeds uitgezette lijnen in de jurisprudentie. Wellicht leidt de invoering van titel 4.5 Awb tot een herwaardering van de speciale last om het toepassingsbereik van artikel 4:126 Awb (enigszins) te beperken,76 maar dat moet worden afgewacht.
Voor nu moeten wij het doen met de beschikbare jurisprudentie. In dat kader bevestigde de Afdeling deze kroniekperiode nogmaals haar (inmiddels) bestendige lijn dat het vervallen van een voordeel dat nog niet bestond ten tijde van de verwerving van de onroerende zaak, behoort tot het normaal maatschappelijk risico.77 Verder biedt de uitspraak van de Afdeling van 27 september 2023 antwoord op de vraag wanneer de ernst en omvang van de schade aanleiding kan zijn om de te hanteren drempel bij het normaal maatschappelijk risico naar beneden bij te stellen. Dit is niet het geval als de waardevermindering 8,9% van de waarde bedraagt,78 terwijl uit eerdere rechtspraak bleek dat een waardedaling van meer dan 10% dat wel kan zijn.79
Het bekende stappenschema voor het bepalen van de omvang van het normale maatschappelijke risico,80 waar ook de hiervoor vermelde uitspraak aan toetst, is niet van toepassing bij schade die niet het gevolg is van de wijziging van een bestemmingsplan, zo blijkt uit de uitspraak van de Afdeling van 4 oktober 2023.81 Hier stond de onttrekking van een oversteekplaats aan de openbaarheid op grond van de Wegenwet centraal. Een dergelijk besluit past naar zijn aard sowieso binnen de structuur van de omgeving en ook wordt met het besluit geen ruimtelijk beleid uitgevoerd, maar beleid gericht op de verkeersveiligheid, aldus de Afdeling. Ook blijkt uit deze uitspraak dat bij de vaststelling van de voorzienbaarheid van een maatregel geen of weinig belang toekomt aan een al dan niet bestaande privaatrechtelijke afspraak om ter plaatse te kunnen oversteken. Het gaat er namelijk om of het betreffende besluit in de lijn der verwachting lag. Daaraan doet de civielrechtelijke afspraak niet af, omdat die afspraak niet maakt dat de minister de oversteekplaats niet aan de openbaarheid kon onttrekken. Bovendien heeft appellant zich pas in de beroepsprocedure op deze afspraak beroepen. Helaas laat de Afdeling zich niet expliciet uit over de vraag of in deze specifieke situatie een drempel van 10% was toegestaan, omdat de inkomensschade sowieso maar 2,6% bedraagt van de totale kosten op jaarbasis en de vermogensschade maar 3,6% van de waarde van de onroerende zaak.
Verder bevestigt de uitspraak van de Afdeling van 4 oktober 2023 het uitgangspunt dat schade vanwege de beëindiging van een illegale situatie niet voor vergoeding in aanmerking komt als nadeelcompensatie of planschade.82 Of de benadeelde te goeder trouw was of niet, doet daarvoor niet ter zake. Wat overigens opvalt, is dat de Afdeling haar oordeel onderbouwt door op te merken dat dergelijke schade niet het normaal maatschappelijk risico overstijgt, dan wel de benadeelde in vergelijking tot anderen onevenredig treft.83 In eerdere uitspraken over dit onderwerp overwoog de Afdeling ook wel dat het égalitébeginsel niet van toepassing is in dit soort gevallen,84 er geen causaal verband bestaat85 dan wel dat de schade het gevolg is van eigen schuld.86 Voor de rechtsontwikkeling zou het aan te bevelen zijn als de Afdeling hierin één lijn trekt.87
Tot slot een interessante uitspraak waarin de Afdeling oordeelt dat schade volledig behoort tot het normaal maatschappelijk risico, zonder dat de hoogte daarvan is vastgesteld. Het betreft een geval waarin de burgemeester een winkel had gesloten wegens nachtelijke wanordelijkheden. Vaststond dat de exploitant geen verwijt viel te maken, maar toch behoort zijn schade volledig tot het normaal maatschappelijk risico.88 Het betreft namelijk een zeer kwetsbaar gebied waar zich geregeld wanordelijkheden voordoen, waarbij opvalt dat zich geregeld confrontaties voordoen tussen medewerkers van appellant en klanten die nopen tot politie-ingrijpen. Het risico dat de avondwinkel bij wanordelijkheden tijdelijk wordt gesloten, is dan ook verbonden aan zijn bedrijfsvoering, aldus de Afdeling. Dat appellant geen verwijt valt te maken voor dit incident maakt dit niet anders.
3.3 Onverplichte nadeelcompensatie
In de literatuur wordt – zes jaar na dato en meer dan 400.000 afgehandelde schademeldingen verder – nog steeds gediscussieerd over de (vooral principiële) vraag of het opportuun was om de afhandeling van mijnbouwschade te beleggen bij het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG), en daarbij bestuursrechtelijke rechtsbescherming open te stellen. Van Dunné bespreekt dit onderwerp in het NJB in het licht van het rapport van de parlementaire enquêtecommissie.89 Daarnaast kruisen Kortmann en De Bock op dit onderwerp de degens voor het tijdschrift RMThemis.90 Kortmann legt in zijn bijdrage uit hoe het bewijsbeleid van het IMG is opgebouwd, op welke manieren de aanvrager daarin juist in zijn bewijspositie wordt tegemoetgekomen en welke praktische en juridische nadelen er daarentegen aan zouden kleven indien deze aanvrager zijn vordering bij de civiele rechter aanhangig had gemaakt. De Bock meent daarentegen dat het onterecht zou zijn dat appellanten in bestuursrechtelijke procedures tegen beslissingen van het IMG er nauwelijks in slagen om aannemelijk te maken dat het bewijsvermoeden door het IMG ten onrechte weerlegd is geacht en zij meent dat zulks in een civiele procedure anders zou hebben uitgepakt. Volgens De Bock zouden belanghebbenden met de huidige bestuursrechtelijke procedure zelfs slechter af zijn. Het is interessant om te zien hoe de auteurs zo verschillend tegen deze materie kunnen aankijken. Tegelijkertijd moet geconstateerd worden dat, hoewel deze artikelen als een discussie waren bedoeld, de standpunten op veel en belangrijke aspecten aan elkaar voorbij zeilen. De niet ingevoerde lezer blijft daardoor vooral met veel vragen achter. Verder moet opgemerkt worden dat De Bock in haar betoog verschillende stellige en kritische standpunten inneemt over de werkwijze van het IMG, maar dat voor de juistheid daarvan een inhoudelijke onderbouwing ontbreekt. Een concreet voorbeeld is dat De Bock de stelling betrekt dat het IMG bij de wijze waarop het de sterkte van de trillingen door aardbevingen berekent, ten onrechte niet de variaties in de samenstelling van de ondergrond zou meenemen.91 Deze variaties zijn inderdaad relevant voor welke trillingssterkte in de werkelijkheid is opgetreden. De Bock heeft kennelijk echter geen kennisgenomen van het feit dat precies dit onderwerp reeds uitgebreid aan de orde is gekomen in de rechtspraak van de Afdeling over de wijze waarop het IMG de trillingssterkte berekent.92 De Afdeling concludeerde daarin dat de door De Bock bedoelde variaties in de samenstelling van de ondergrond wel degelijk besloten liggen in de door het IMG gehanteerde methodiek voor het bepalen van de trillingssterkte – nu dat is gebaseerd op een empirisch model van de Groningse situatie. Daarnaast concludeerde de Afdeling dat ook een worstcasescenario van bodemvariaties niet kan worden onderschat, aangezien die blijkens de wetenschappelijke inzichten daarover maximaal tot een factor 3,15 hogere trillingssnelheid kan leiden, terwijl het IMG werkt met een generieke veiligheidsfactor van 3,8. Een ander voorbeeld is dat De Bock stelt dat het IMG de sterkte van de aldus berekende trillingen ten onrechte zou gebruiken om alleen op basis daarvan het bewijsvermoeden weerlegd te achten. Onduidelijk is waarop De Bock deze stelling baseert, maar blijkens de inmiddels vaste rechtspraak,93 alsmede de inhoud van het bewijsbeleid van het IMG,94 worden de trillingssterktes alleen gebruikt als ondersteunend bewijs bij de weerlegging. Eerst dient namelijk op basis van een onafhankelijk deskundigenadvies een evidente autonome oorzaak voor de schade te zijn aangetoond. Pas als dat het geval is, worden de trillingssterktes gebruikt om in te schatten of het aannemelijk is dat de schade toch is ontstaan of verergerd door aardbevingen. Deze getrapte werkwijze is ook uitvoerig besproken en getoetst in de rechtspraak van de Afdeling.95