Einde inhoudsopgave
Bescherming van beursvennootschappen door uitgifte van preferente aandelen (VDHI nr. 147) 2018/7.5.2
7.5.2 De met de kredietfaciliteit verband houdende kosten
mr. R.A.F. Timmermans, datum 01-10-2017
- Datum
01-10-2017
- Auteur
mr. R.A.F. Timmermans
- JCDI
JCDI:ADS345819:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Van Solinge (sr.), De statuten van de NV en de nieuwe bepalingen inzake het kapitaal, TVVS 1982/3, p. 59 en Perrick, De statuten van de besloten vennootschap onder de nieuwe wettelijke regeling voor het kapitaal, WPNR 5765 (1985), p. 816.
Van Schilfgaarde, Geen probleem bij financiering preferente beschermingsaandelen, Het Financieele Dagblad, 15 mei 1991. In gelijke zin Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/641, Dortmond, Met het oog op de financiering van beschermingsprefs, TVVS 1991/10, p. 262.
Schwarz, Vragen bij financieren van beschermingsprefs, Het Financieele Dagblad, 1 mei 1991 en Nogmaals: financiering van beschermingsprefs, Het Financieele Dagblad, 23 mei 1991. In gelijke zin Slagter, De financiering van een Stichting Continuïteit als houdster van beschermingsprefs, TVVS 1991/7, p. 183.
a. Inleiding
Gaat de stichting een lening aan bij een bank, dan moet bij het aangaan van het financieringsarrangement rekening gehouden worden met de kosten die de bank in verband met het verstrekken van de gelden in rekening brengt. Het gaat enerzijds om kosten die ik gemakshalve aanduid als primaire kosten en anderzijds om kosten die ik hierna aanduid als subsidiaire kosten. De kosten waarmee de stichting in vrijwel alle gevallen te maken heeft, de functioneringskosten, komen in paragraaf 7.6 aan de orde.
b. Primaire kosten
Tot de primaire kosten reken ik de rente die de bank in rekening brengt over het daadwerkelijk door de stichting getrokken bedrag onder de kredietovereenkomst. Het bedrag van de getrokken lening zal in de regel gelijk zijn aan 25% van het totale nominale bedrag van de uitgegeven beschermingsprefs. De rente zal eerst verschuldigd zijn vanaf het moment waarop de beschermingsprefs zijn uitgegeven en de stichting dientengevolge de benodigde gelden van de bank zal ontvangen. De stichting zal de rente kunnen betalen met het dividend dat zij op de beschermingsprefs ontvangt. Zolang de stichting maar voldoende dividend ontvangt, zal vergoeding van de rente geen problemen opleveren. In paragraaf 7.5.5 ga ik in op de winstuitkering op beschermingsprefs.
c. Subsidiaire kosten
Bij de subsidiaire kosten gaat het om de meer algemene kosten die de bank aan de stichting in rekening brengt in verband met de kredietovereenkomst. Dit zijn dus kosten die bovenop de rente door de stichting aan de bank betaald moeten worden. Deze kosten worden in rekening gebracht vanaf het moment waarop de stichting de kredietovereenkomst met de bank afsluit en zijn – anders dan de rente – terstond na het afsluiten van de kredietfaciliteit verschuldigd. Het gaat om de volgende kosten:
De bereidstellingsprovisie die de bank aan de stichting in rekening brengt voor de periode waarin nog niet door de stichting is getrokken onder de lening. De hoogte van deze provisie varieert en is afhankelijk van een aantal factoren, zoals de vraag hoeveel het de bank kost om het benodigde bedrag beschikbaar te houden en de relatie van de bank met de vennootschap. De provisie wordt in de regel berekend op jaarbasis over het niet-opgenomen bedrag dat onder de kredietovereenkomst maximaal geleend kan worden door de stichting. In de praktijk zal de stichting deze provisie achteraf dienen te voldoen op de laatste dag van ieder kalenderkwartaal. Het bedrag dat de stichting uit hoofde van de kredietovereenkomst kan opvragen bij de bank zal veelal hoger zijn dan het bedrag dat uiteindelijk door de stichting wordt getrokken. Is het bedrag van de lening eenmaal opgevraagd door de stichting, dan zal zij over het opgevraagde deel van de stand-by faciliteit geen bereidstellingsprovisie meer hoeven te betalen aan de bank.
De afsluitprovisie – meestal een vast bedrag – die de bank bij de stichting in rekening brengt.
De administratiekosten en eventuele andere kosten die door de bank aan de stichting in rekening worden gebracht.
De vraag doet zich voor op welke wijze de stichting de subsidiaire kosten financiert. De beschermingsprefs zijn nog niet uitgegeven. Daardoor kan de stichting deze kosten niet met het dividend op de beschermingsprefs betalen. In de praktijk zien we dat de vennootschap de nodige middelen aan de stichting verstrekt, zodat de stichting deze kosten aan de bank kan betalen. Men spreekt in dit verband ook wel van een storting à fonds perdu.1 In dat geval worden de kosten ten laste gebracht van het door de vennootschap ter beschikking gestelde aanvangskapitaal van de stichting, of worden zij door de vennootschap betaald. Zoals hierna blijkt, stelt de bank veelal als één van de voorwaarden dat de vennootschap deze kosten aan de stichting vergoedt.
In het verleden is in de literatuur de vraag aan de orde gekomen of vergoeding door de vennootschap van – in het bijzonder de bereidstellingsprovisie – niet in strijd is met het financieel steunverbod van art. 2:98c BW. Het merendeel van de rechtsgeleerden is van mening dat de terbeschikkingstelling door de vennootschap van middelen om de bereidstellingsprovisie te betalen niet onder de reikwijdte van art. 2:98c BW valt.2 De terbeschikkingstelling zou niet geschieden met het oog op het nemen van aandelen, maar om de stichting in de gelegenheid te stellen zich ervan te verzekeren dat zij wanneer zij de optie wil uitoefenen over voldoende geldmiddelen beschikt. De aandeelhouders hebben de beschermingsmaatregel in de vorm van beschermingsprefs en daarmee de mogelijkheid dat de stichting (een bijzondere) aandeelhouder kan worden van de vennootschap geaccepteerd en het zou in het belang van de vennootschap zijn dat de stichting haar taak kan vervullen. Anderen menen dat de bereidstellingsprovisie verschuldigd is in verband met het creëren van de mogelijkheid om de beschermingsprefs te nemen waardoor de betaling daarvan zou moeten worden gekwalificeerd als een handeling die wordt verricht met het oogmerk om beschermingsprefs te nemen.3
Ik meen dat geen sprake is van strijd met het financieel steunverbod. Voor zover sprake is van een vergoeding in de vorm van een lening, dan dient die lening ertoe om de stichting in staat te stellen om bepaalde kosten te kunnen betalen. Het geleende bedrag wordt niet aangewend om op de beschermingsprefs te storten. De vraag of daadwerkelijk reëel kapitaal wordt verstrekt is hier niet aan de orde. Gaat het om de meest voorkomende variant, te weten het voorschieten van middelen anders dan bij wijze van geldlening, dan is het financieel steunverbod sowieso niet van toepassing. Art. 2:98c BW ziet immers slechts op het verstrekken van middelen bij wijze van geldlening. Deze kwestie speelt ook in het kader van de vergoeding van de algemene kosten door de vennootschap. Ik verwijs daarom naar paragraaf 7.6 al waar ik meer uitgebreid op deze kwestie inga.