Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/2.3.2.6
2.3.2.6 Voorlichtende taak op grond van beginselen van behoorlijk bestuur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661455:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
Nicolaï 1990, p. 461-462 ziet informatieverstrekking als zelfstandig beginsel van behoorlijk bestuur (beginsel van actieve informatieverstrekking), waaronder hij in de kern verstaat een algemene plicht om burgers te informeren over de inhoud van wet- en regelgeving en beleid of de wijziging daarvan. Zie ook Wopereis 1996, p. 219; Van de Sande 2019, par. 2.3.1.4.
Zie voor overheidsvoorlichting Wopereis 1996, hoofdstuk 7; Van de Sande 2019, par. 2.7, p. 74; Roozendaal 2008, par. 2.
Nicolai 1990, p. 11.
Rijksbegroting 2017, p. 58; Rijksbegroting 2021 (Ministerie van Financiën), Kamerstukken II 2021/2022, 35925 IX, nr. 2, p. 90, 93.
Het gelijkheidsbeginsel komt aan bod in paragraaf 2.3.2.3, 4.3.7.2.
Jansen 2013, p. 107. In HR 11 augustus 2017, nr. 16/04838, V-N 2017/42.4, r.o. 4.2.7 oordeelt de Hoge Raad dat uiteraard van de Belastingdienst bij de aanslagregeling en ook anderszins worden verwacht dat een hoge mate van zorgvuldigheid wordt betracht, maar dat brengt volgens de Hoge Raad niet mee dat belanghebbende zonder meer kan rekenen op een feilloos handelende Belastingdienst. In Hof Arnhem-Leeuwarden 14 januari 2020, nr. 18/01212, V-N 2020/26.25 had de lokale heffende overheid (GBLT) in zijn communicatie gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijke bestuur vanwege de onduidelijke gevolgen van (onduidelijke) communicatie.
Het zorgvuldigheidsbeginsel wordt in de literatuur wel onderscheiden in het formele zorgvuldigheidsbeginsel (deels gecodificeerd in art. 3:2 Awb), dat ziet op een zorgvuldige voorbereiding van een besluit, en het materiele zorgvuldigheidsbeginsel (vgl. art. 3:4 Awb), dat ziet op een zorgvuldige besluitneming. In de fiscale rechtspraak ter zake van het zorgvuldigheidsbeginsel wordt niet steeds verwezen naar deze wetsartikelen, zie Happé e.a. 2015, p. 39-40.
Jansen, commentaar op art. 3.2 Awb in NDFR deel Formeel belastingrecht (bijgewerkt tot 24 januari 2021), par. 3.1; Poelmann, in: Cursus Belastingrecht FBR.4.6.0.D (actueel t/m 2 februari 2021); Den Boer e.a. 1999, p. 23.
Zie Belastingdienst Handboek Controle 2020, p. 32: ‘Het getuigt van zorgvuldigheid als belastingplichtigen en hun adviseurs weten waar zij aan toe zijn. Zij hebben recht op voorlichting, informatie, een open communicatie en een herkenbare standpuntbepaling.’
Zie Hof Den Bosch 26 september 2019, nr. 18/00613, V-N 2020/8.19, r.o. 4.2.
HR 28 september 2018, nr. 17/01724, V-N 2018/51.18, r.o. 5.3.4.
HR 19 maart 2010, nr. 08/04770, BNB 2010/224, r.o. 3.4.2-3.4.5 Vgl. Van Amersfoort bij BNB 2010/224: ‘De Hoge Raad ziet de inspecteur ten opzichte van de belastingplichtige met betrekking tot diens rechtspositie kennelijk als 'zijns broeders hoeder' (…).’ Zie ook HR 28 juni 2019, nr. 18/04507, BNB 2019/162 (mededelingsplicht bij vormverzuim).
HR 3 februari 1999, nr. 34131, BNB 1999/170, r.o. 3: ‘degene die (…) zijn beslissing om al dan niet gebruik te maken van een hem verleende vergunning voor (…) mede wil doen afhangen van het tarief van de precariobelasting, rekening moet houden met de mogelijkheid dat hem bekende tarieven inmiddels zijn verhoogd, en zich derhalve zelf tijdig op de hoogte dient te stellen van het geldende tarief.’ Vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 12 november 2013, nrs. 13/00367 en 13/00368, NTFR 2013/2354, r.o. 4.13: ‘Het zorgvuldigheidsbeginsel gaat niet zover dat de heffingsambtenaar belanghebbende in de loop van een heffingsjaar moet informeren over de gevolgen van gewijzigde omstandigheden voor een eventueel op te leggen aanslag. Dit moet tot de eigen onderzoeksplicht van belanghebbende worden gerekend.’; Hof Den Bosch 31 augustus 2018, nr. 17/00479, V-N 2019/2.18.16, r.o. 4.7.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 28 februari 2014, nr. 13/5850, V-N 2014/25.20.26, r.o. 2.8.
Zie bijv. Rechtbank Arnhem 21 september 2007, nr. AWB 07/1831 (te raadplegen via Kluwer Navigator), r.o. 4; Hof 's-Hertogenbosch 14 september 2001, nr. 98/3322, V-N 2002/10.1.17, r.o. 4.2.
HR 8 januari 2021, nr. 20/00339, BNB 2021/86. Mijns inziens gaat het hier niet zozeer om de voorlichtende taak van de gemeente, maar om de plicht van de gemeente om regelgeving te publiceren en de vraag of daarnaast nog extra voorlichting nodig is; HR 4 juni 2021, nr. 20/00796, BNB 2021/115, r.o. 3.2.
HR 3 februari 1999, nr. 34131, BNB 1999/170, r.o. 3.
Zie in Hof ’s-Hertogenbosch 25 maart 2003, nr. 10-00568, NTFR 2011/1554, r.o. 4.1-4.2.
Zie HR 26 juni 2020, nr. 19/03705, BNB 2020/133.
Conclusie van Niessen van 15 mei 2020 bij BNB 2020/133, onder punt 3.46.
Conclusie van Niessen van 15 mei 2020 bij BNB 2020/133, onder punt 3.63.
Zie Lubbers in BNB 2020/133, punt 3 e.v.
Lubbers doet bovendien suggesties aan de Hoge Raad in het kader van de ‘rechtsontwikkelingsstrategie’ als het zorgplichtbeginsel zou worden erkend, zie in BNB 2020/133, punt 4.
Hof Amsterdam 21 mei 1999, nr. 97/21509, r.o. 5.2; HR 24 september 2010, nr. 08/03539, BNB 2010/314, r.o.3.5.4. Zie verder paragraaf 2.5.2.2 en hoofdstuk 4.
Zie ook Van de Sande 2019, p. 75.
In het kader van toezeggingen en beleid zie HR 28 juni 2019, nr. 17/05548, BNB 2020/17, waarin de Hoge Raad overwoog dat belanghebbende geen vertrouwen mocht ontlenen aan een (mogelijk) toegezegde, maar niet van kracht geworden, beleidsregel. Een (mogelijke) toezegging leidde in dit geval dus niet tot een in rechte te beschermen aanspraak op een beleidsregel. Zie Röben 1992, par. 2.3 over gebondenheid van de Belastingdienst aan in het Belastingstatuut opgenomen verplichtingen (waarin ook de voorlichtende taak is opgenomen).
Wopereis 1996, par. 7.6. Vgl. Het rapport van de Nationale ombudsman van 5 april 2016, nummer 2016/030 inzake het elektronisch berichtenverkeer met de Belastingdienst.
Nationale ombudsman, Behoorlijkheidswijzer (juni 2019); Smit 2012.
In het kader van de Toeslagenaffaire bleek dat onvoldoende het geval (zie https://www.nu.nl/politiek/6120200/ombudsman-zegt-dat-overheid-hem-jarenlang-niet-hoorde-in-toeslagenaffaire.html, geraadpleegd 3 juni 2021).
Hof 's-Hertogenbosch, 14 september 2001, nr. 98/3322, V-N 2002/10.1.17, r.o. 4.2; Feteris 2007, p. 66.
Dit betreft de tweede norm van 22 behoorlijkheidsnormen. Zijn voorloper was tot 2012 geformuleerd als de eis van ‘actieve en adequate informatieverstrekking’.
Zie de rapporten van de Nationale ombudman: Rapport 2017/040 (informatieverstrekking van DUO aan (oud-studenten), Rapport 2016/025 (informatieverstrekking over eigen bijdrage Wmo), Rapport 2015/021 (SVB had moeten informeren over aanvraag kindgebonden budget), Rapport 2015/034 (Verkeerde informatie van gemeente over privaatrechtelijke handhaving).
Zie de Nationale ombudsman, rapport van 22 januari 2010, nr. 2010/009 en het commentaar in V-N 2010/10.4.
Een principiële grondslag voor de plicht om burgers voor te lichten kan bovendien worden gevonden in de normen ten aanzien van behoorlijk handelen, zoals in de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.1 Deze normen hebben een concreter karakter dan de rechtsstatelijke beginselen, omdat zij specifiek zijn gericht op het handelen van de Belastingdienst. Daarnaast bevatten de behoorlijkheidsnormen van de Ombudsman een informatieplicht.
Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
De taak voor de Belastingdienst om voorlichting te verstrekken vloeit in voorkomende gevallen voort uit de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.2 Deze beginselen zijn te beschouwen als ‘fatsoensnormen’ die de Belastingdienst als behoorlijk handelend bestuursorgaan in acht moet nemen in het verkeer met burgers.3 De Belastingdienst is aan deze beginselen gebonden bij het uitoefenen van zijn bevoegdheden, dus ook bij de uitvoering van zijn voorlichtende taak.4 Ik beperk mij hierna tot het zorgvuldigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.5
Zorgvuldigheidsbeginsel
Het zorgvuldigheidsbeginsel vereist dat de Belastingdienst met de nodige zorgvuldigheid handelt.6 Het zorgvuldigheidsbeginsel ziet op het gehele proces van besluitvorming: van de voorbereiding tot aan de besluitvorming zelf.7 In bepaalde gevallen dient de Belastingdienst – en soms specifiek de inspecteur – op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel actief informatie te verstrekken.8 De Belastingdienst zelf acht het van zorgvuldigheid getuigen wanneer belastingplichtigen weten waar zij aan toe zijn, zoals door heldere informatie.9
De rechtspraak toont voorbeelden waarin uit hoofde van het zorgvuldigheidsbeginsel een voorlichtingsplicht bestaat, met name in de sfeer van waarschuwende of attenderende mededelingen. Zo kan uit het zorgvuldigheidsbeginsel een plicht voortvloeien voor de Belastingdienst om belastingplichtigen te informeren over de consequenties van een te laat ingediende aangifte met oog op de belastingrente; dat mag van een ‘zorgvuldig handelende overheid’ worden verwacht.10 Bovendien kan het zorgvuldigheidsbeginsel meebrengen dat de Belastingdienst informatie verstrekt bij specifieke regelingen die relatief onbekend zijn. Zo oordeelt de Hoge Raad in het arrest van 28 september 2018 in het kader van Irimie-rente, dat het zorgvuldigheidsbeginsel meebrengt dat de Belastingdienst de belastingplichtige aan wie de inspecteur bij beschikking een teruggaaf van belasting verleent, gelijktijdig met die beschikking informeert over de mogelijke aanspraak op vergoeding van die rente.11 Bovendien kan een voorlichtingsplicht op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel bestaan ter waarborging van processuele rechten. Een voorbeeld biedt het arrest van 19 maart 2010, waarin de Hoge Raad een actieve voorlichtingsplicht bij de inspecteur legt om te bewerkstelligen dat de belastingplichtige op de hoogte raakt van (de noodzaak van) een tijdige aanwending van rechtsmiddelen.12
Het zorgvuldigheidsbeginsel legt geen onbegrensde voorlichtingsplicht op de inspecteur of de Belastingdienst (zie ook paragraaf 2.4.2). Volgens de belastingrechter rust op burgers ook een eigen verantwoordelijkheid om zichzelf op de hoogte te stellen van het geldende recht (onderzoeksplicht).13 Zo stelt Rechtbank Zeeland-West-Brabant in zijn uitspraak van 28 februari 2014 voorop dat belanghebbende zich in beginsel zelf op de hoogte dient te stellen van de voor haar geldende regels. Het zorgvuldigheidsbeginsel brengt volgens de Rechtbank niet mee ‘dat de inspecteur iedere belastingplichtige persoonlijk vooraf dient te informeren over zijn of haar rechtspositie naar aanleiding van een wetswijziging die wijzigingen meebrengt in de rechtspositie van die belastingplichtige. Dat is slechts anders indien sprake is van bijzondere omstandigheden.’14 Ook in andere jurisprudentie verlangt de belastingrechter niet zonder meer van de Belastingdienst dat hij actief op zoek gaat naar (potentiële) belastingplichtigen om hen persoonlijk voor te lichten.15 Zo oordeelt de Hoge Raad in het arrest van 8 januari 2021 dat de gemeente aan haar ‘voorlichtende taak’ heeft voldaan door de verordening op juiste wijze bekend te maken en niet de plicht had ‘om bepaalde belastingplichtigen daarnaast specifiek te informeren’ over een aanzienlijke tariefswijziging.16 Nalaten van die informatie leverde geen schending op van het zorgvuldigheidsbeginsel. Anderzijds kan een voorzienbare kostenverzwaring meebrengen dat de heffende overheid dat met het oog op zorgvuldigheid en fair play aan een belastingplichtige meldt in het kader van een vergunningaanvraag.17 Verder volgt uit de lagere rechtspraak dat de inspecteur informatie dient te verstrekken aan een belastingplichtige over geldende wetgeving, maar dat van hem kan niet worden verwacht dat hij de belastingplichtige op de hoogste stelt van alle lopende beroepsprocedures.18
In zijn conclusie van 15 mei 2020 bepleitte A-G Niessen (ambtshalve) voor een verruiming van de zorgplicht van de overheid via informatieverstrekking, maar dat pleidooi is door de Hoge Raad niet overgenomen.19
Achtergrond
Volgens A-G Niessen rust op de overheid een zorgplicht voor gevallen waarin belastingplichtigen in problemen geraken door een tekort aan zelfredzaamheid in verband met gecompliceerde fiscale regelgeving.20 De zorgplicht houdt in dat van ‘de medewerkers van de Belastingdienst kan worden verwacht dat zij ernaar streven om waar dat mogelijk is belastingplichtigen die onnodig en kennelijk onbewust handelingen verrichten die voor hen onbedoelde en onverwachte substantiële fiscale nadelen brengen, daarop te attenderen, informatie te verstrekken en te bespreken of en hoe zij deze nadelen kunnen vermijden.’21 De Hoge Raad heeft deze kwestie niet (ten overvloede) behandeld en doet de zaak af met art. 81 Wet RO. Volgens Lubbers is de meest aannemelijke verklaring daarvoor dat de Hoge Raad ‘niets voelt voor het (op dit moment) introduceren van een zorgplichtbeginsel met de door de A-G voorgestane inhoud.’22 Daarvoor kunnen volgens hem allerlei redenen zijn. Hoewel Lubbers het ‘zorgplichtbeginsel’ en de door Niessen geschetste invulling in het licht van de problemen bij de Belastingdienst ‘te ambitieus’ acht, acht hij het wel een goede zaak dat Niessen dit op de kaart heeft gezet bij de Hoge Raad.23 Mijns inziens past het goed in de huidige ontwikkelingen (o.a. aandacht voor het ‘burgerperspectief’) dat Niessen aandacht vraagt voor de van de overheid te verlangen inspanning in situaties waarin de veronderstelde zelfredzaamheid niet overeenkomt met het werkelijke ‘doenvermogen’ van burgers. Het is vermoedelijk niet zozeer de vraag of, maar veeleer op welk moment en op welke wijze de Hoge Raad dit in de rechtspraak zal laten doorklinken.
Tot slot valt op dat de belastingrechter niet steeds gevolgen verbindt aan een eventuele schending van het zorgvuldigheidsbeginsel bij een gebrek aan (goede) informatie. Zo heeft tekortschietende voorlichting in de rechtspraak in de regel geen gevolgen voor de belastingaanslag, maar soms wel voor bijkomende gevolgen zoals belastingrente of termijnoverschrijding.24
Vertrouwensbeginsel
Het vertrouwensbeginsel houdt in dat de Belastingdienst verwachtingen moet honoreren die hij bij burgers ten aanzien van een te volgen gedragslijn heeft gewekt en waarop deze zich in redelijkheid tegenover de Belastingdienst mogen beroepen (paragraaf 4.2). Het vertrouwensbeginsel is van belang bij aan burgers verstrekte voorlichting, maar dan gaat het in de regel om de gevolgen van reeds verstrekte voorlichting.25 De vraag is dan of hij in rechte te beschermen vertrouwen kan ontlenen aan de voorlichting (hoofdstuk 4). Uit de fiscale rechtspraak zijn mij geen gevallen bekend waarbij op grond van het vertrouwensbeginsel een aanspraak (recht) op informatie door de burger (oftewel, een voorlichtingsplicht voor de Belastingdienst) is aangenomen.26
Behoorlijkheidsnormen van de Nationale Ombudsman
Het instituut van de Nationale Ombudsman – dat sinds 1980 bestaat – beoordeelt of een bestuursorgaan zich behoorlijk heeft gedragen.27 De Nationale Ombudsman besteedt regelmatig aandacht aan informatieverstrekking van de overheid, waaronder door de Belastingdienst.28 De Ombudsman hanteert ter beoordeling van het gedrag van de overheid behoorlijkheidsnormen.29 Deze normen zijn uitgewerkt in 22 eisen waaraan een behoorlijke overheid dient te voldoen. Hoewel de behoorlijkheidsnormen niet bij de belastingrechter afdwingbaar zijn, functioneren deze wel als fatsoensnormen voor de overheid en dienen de rapporten van de Ombudsman door de overheid ter harte te worden genomen.30
Uit oogpunt van de voorlichtende taak is met name de behoorlijkheidsnorm van ‘goede informatieverstrekking’ van belang.31 Deze norm houdt in:
‘De overheid zorgt ervoor dat de burger de juiste informatie krijgt en dat deze informatie klopt en volledig en duidelijk is. Zij verstrekt niet alleen informatie als de burger erom vraagt, maar ook uit zichzelf.’32
Uit de toelichting op deze norm volgt dat de overheid verplicht is de burger gevraagd en ongevraagd alle informatie te geven over handelingen en besluiten die de belangen van de burger kunnen raken. De overheid is daarbij servicegericht en stelt zich actief op om de informatie die van belang is tijdig op eigen initiatief te geven. De eis van goede informatieverstrekking is uitgewerkt in rapporten van de Ombudsman.33 In bijvoorbeeld een rapport uit 2010 oordeelde de Nationale Ombudsman dat de Belastingdienst betere voorlichting dient te geven aan belastingplichtigen die voor het eerst een voorlopige aanslag ontvangen.34 Volgens Nationale Ombudsman schoot de informatie op de website en het aangiftebiljet tekort, omdat daarin geen informatie wordt gegeven over de bij de Belastingdienst gemaakte afwegingen bij de voorlopige aanslag en de gevolgen voor latere jaren – waarop de Belastingdienst verbetering toezegde.
De behoorlijkheidsnormen bevatten dus een plicht tot informatieverstrekking, waarbij tevens kwaliteitsnormen zijn gesteld (paragraaf 2.5).