Einde inhoudsopgave
Onafhankelijkheid van de rechter (SteR nr. 3) 2011/4.4.1
4.4.1 Benoeming bij koninklijk besluit
mr. dr. P.M. van den Eijnden, datum 01-10-2010
- Datum
01-10-2010
- Auteur
mr. dr. P.M. van den Eijnden
- JCDI
JCDI:ADS501014:1
- Vakgebied(en)
Juridische beroepen / Rechter
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Tot 1983 sprak de Grondwet over benoeming door de Koning in plaats van bij koninklijk besluit.
Zie voor een uitvoerige beschouwing over de benoeming van rechters in het algemeen de dissertatie van M.F.J.M. de Werd, De benoeming van rechters. Constitutionele aspecten van de toegang tot het rechtersambt in Nederland en in de Amerikaanse deelstaat New York (diss. Maastricht), Arnhem: Gouda Quint bv 1994.
Van Boven 1990, p. 267.
Van Boven 1990, p. 267-268. Opvallend is dat verkiezing van rechters (i.p.v. benoeming door het bestuur) in Frankrijk destijds juist als een waarborg van onafhankelijkheid werd gezien. Zie Van Boven, p. 49: ‘De verhouding tussen de rechterlijke en de uitvoerende macht werd door de Franse wetgever vrij ambivalent geregeld. Sterk werd benadrukt dat de rechter de beschermer was van de burgerlijke vrijheid en daarom onafhankelijk diende te zijn van de uitvoerende macht. De rechters zouden dan ook niet door het bestuur mogen worden benoemd, maar rechtstreeks moeten worden gekozen door het volk (curs. PvdE). Anderzijds wilde men voorkomen dat de rechterlijke macht het handelen van de uitvoerende macht zou belemmeren. Derhalve mocht de rechter geen kennis nemen van zaken die voortsproten uit overheidshandelen.’
Van Boven 1990, p. 268.
Artikel 103 en 109 Gw 1814. De benoeming van rechters in de rechtbanken door de Koning was wel wettelijk geregeld. Artikel 112 Gw 1814 schreef voor dat ‘voor het overige’ de samenstelling en macht van de hoven en rechtbanken – zoals o.a. Hoge Vierscharen en Schepenenbanken) door de wet werd bepaald.
Buijs 1884-1887, deel II, p. 474.
Dezelfde mening is J. Heemskerk toegedaan, blijkens dit citaat uit zijn preadvies voor de NJV van 1883, p. 70: ‘Niet minder noodig dunkt mij de bepaling, dat alle leden der rechterlijke macht door den Koning worden benoemd. (...) Eene stellige bepaling in de Grondwet is echter niet overbodig, als waarborg tegen eventueele pogingen om een stelsel van verkiezing van rechters in te voeren, waarvan de wrange vruchten in de Verenigde Staten en andere republieken van Amerika zijn gesmaakt, en dat in Frankrijk van 1791 tot 1799 tot de slechtste resultaten heeft gevoerd, maar niettemin nu weder opnieuw in dat land wordt aangeprezen.’
Kamerstukken II 1979/80, 16 162, nr. 3, p. 19 (Nng, deel 23, p. 23).
Zie § 4.4.2 en § 4.4.4.
De Venetiëcommissie, Sub-Commission on the Judiciary, van de Raad van Europa heeft in 2007 een advies uitgebracht over rechterlijke benoemingen, waarin zij een interessante vergelijking maakt tussen de wijze van benoeming van rechters in nieuwe en oude democratieën (CDL-JD(2007)001rev, 14 maart 2007, § 1, 4 en 5): ‘Choosing the appropriate system for judicial appointments is one of the primary challenges faced by the newly established democracies, where often concerns related to the independence and political impartiality of the judiciary persist. Political involvement in the appointment procedure is endangering the neutrality of the judiciary in these states, while in others, in particular those with democratically proved judicial systems, such methods of appointment are regarded as traditional and effective. (...) In some older democracies, systems exist in which the executive power has a strong influence on judicial appointments. Such systems may work well in practice and allow for an independent judiciary because the executive is restrained by legal culture and traditions, which have grown over a long time. New democracies, however, did not have a chance to develop these traditions, which can prevent abuse. Therefore, at least in new democracies explicit constitutional provisions are needed as safeguard to prevent political abuse by other state powers in the appointment of judges.’ Impliciet staat hier dat benoeming van rechters door de uitvoerende macht geen constitutionele waarborg is voor rechterlijke onafhankelijkheid, maar het risico in zich draagt van misbruik (benoeming geïnspireerd door politieke motieven) en de neutraliteit van rechters in gevaar brengt. Dat geldt m.i. overigens voor elke democratie (nieuw en oud). Dat een bepaald systeem in de praktijk goed werkt zou niet ter zake mogen doen bij de beoordeling van de constitutie als zodanig.
De Werd 1994, p. 307. Hoe lastig in dit opzicht de benoemingswijze van rechters is te beoordelen, blijkt uit een vergelijking tussen de genoemde Franse en Nederlandse opvatting aan het eind van de 18e eeuw. Hetzelfde beginsel leidt tot tegenovergestelde uitkomsten. De Fransen meenden dat rechterlijke onafhankelijkheid ten opzichte van de uitvoerende macht o.m. betekende dat rechters niet door het bestuur mochten worden benoemd, terwijl in Nederland vanouds is gezegd dat onafhankelijkheid van de rechterlijke macht zich niet verdraagt met (directe) verkiezingen van rechters en benoeming door de regering de voorkeur verdient. Wat op de achtergrond in de discussie lijkt mee te spelen, is de deskundigheid en het gezag van rechters. En ‘goede’ rechtspraak (zonder dit te willen definiëren) is niet hetzelfde als onafhankelijke rechtspraak.
P. Popelier, ‘Scheiding der machten: de verhouding tussen rechter en politiek in België’, TvCR 2010, p. 96-118, op p. 103.
Bovend’Eert 2000b, p. 13-14.
Bij een herbenoeming (waarvan bij leden van de rechterlijke macht nooit sprake is, omdat zij voor het leven worden benoemd) of een ‘promotiebenoeming’ (zie § 4.4.3) in een hogere rechterlijke functie gaat deze redenering niet zonder meer op.
Zie hfdst. 3.
Zie bijvoorbeeld beginsel I, lid 2, onder c van Aanbeveling R (94) 12 van het Comité van Ministers van de Raad van Europa. De Werd heeft in dit opzicht zijn verbazing uitgesproken over de consensus in de literatuur over het bestaande benoemingsstelsel, De Werd 1994, p. 307.
Volgens artikel 117, eerste lid, Gw worden de leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast bij koninklijk besluit benoemd.1 Hoe is de benoeming van rechters door de regering te beoordelen in het licht van de rechterlijke onafhankelijkheid?2 Benoeming door de regering waarborgt de rechterlijke onafhankelijkheid in elk geval niet.3 Maar is die bevoegdheid in strijd met de rechterlijke onafhankelijkheid?
Nederland kent een lange geschiedenis van rechtersbenoemingen door de uitvoerende macht. Slechts een korte periode voor de totstandkoming van het Koninkrijk werden sommige rechters gekozen door ‘het volk’. Van Boven, die onderzoek heet gedaan naar de rechterlijke instellingen in Nederland in de periode van 1795 tot 1811, beschrijft dat in 1795 voor vacatures in de lokale rechterlijke colleges verkiezingen werden gehouden als uitvloeisel van het beginsel van volkssoevereiniteit.4 Daarmee wilde men volgens hem niet alleen een einde maken aan het benoemingsrecht van sommige eigenaren van heerlijke rechten, maar tevens de praktijk van coöptatie en verkoop van (rechters)ambten beëindigen, die kenmerkend was voor het ancien régime. Tot radicale blijvende veranderingen in de benoemingsprocedure van de rechterlijke magistratuur is het niet gekomen: de directe volksinvloed werd in de constitutie-ontwerpen van 1796-1797 al weer enigszins teruggedrongen. Van Boven wijst er op dat velen meenden dat het beginsel van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht zich nauwelijks verdroeg met rechtstreekse verkiezingen en aanstellingen voor bepaalde tijd.5 Hij besluit: ‘Veeleer opteerde men voor deskundige rechters die voor het leven werden benoemd, waardoor tevens de continuïteit in de rechtspraak zou worden bevorderd.’6
De Nederlandse praktijk van rechterlijke benoemingen door de uitvoerende macht heeft lange tijd niet grondwettelijk vastgelegen. Pas in de Grondwet van 1887 werd benoeming van alle leden van de rechterlijke macht door de Koning voorgeschreven. Aanvankelijk lag dat alleen grondwettelijk vast voor de procureurs-generaal bij en de leden van de gerechtshoven en de Hoge Raad.7 De staatscommissie van 1883 en de toenmalige regering wilden het artikel over benoeming van de leden van de rechterlijke macht aanvullen (art. 163 Gw 1848), door daarin te bepalen, wat wel in de Schets van Hogendorp stond maar in geen van de grondwetten sindsdien, dat de Koning de leden van de rechterlijke macht aanstelt. Volgens Buijs betrof het een wezenlijke leemte in de Grondwet en zou Nederland met dit voorschrift (art. 166 Gw 1887) gewaarborgd zijn tegen de keuze van rechters door stemgerechtigde burgers, ‘een waarborg voor goede rechtspraak, van bijna evenveel betekenis als in het beginsel van onafzetbaarheid ligt opgesloten’.8 Met andere woorden, benoeming door de Koning is zijns inziens een waarborg voor goede rechtspraak, terwijl bij de verkiezing van rechters door burgers goede rechtspraak niet zou zijn gewaarborgd.9 Het is opvallend dat Buijs de benoeming van rechters door de Koning van bijna gelijke betekenis acht als de onafzetbaarheid van rechters. Een eeuw later, bij de grondwetsherziening van 1983, lijkt de regering eenzelfde standpunt in te nemen: ‘De waarborgen voor de onafhankelijkheid voor de hier bedoelde functionarissen zijn daarin gelegen, dat hun benoeming bij koninklijk besluit plaatsvindt en dat het ontslag op eigen verzoek of wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd plaatsvindt.’10 Terwijl de onafzetbaarheid van rechters inderdaad een rechtspositionele waarborg van onafhankelijkheid is,11 kan dat niet gezegd worden van de benoeming van rechters door de regering. Om benoemd te worden als rechter is men immers afhankelijk van een positieve beslissing van de regering. Het is de vraag of dat erg is, maar een waarborg van onafhankelijkheid (ten opzichte van de regering) is het zeker niet.12 Historisch gezien zijn de institutionele waarborgen voor de onafhankelijkheid immers steeds gezocht in regelingen die de leden van de rechterlijke macht juist tegen de regering beoogden te beschermen.13
Benoeming van rechters door de regering kan dus beter niet worden gezien als waarborg van onafhankelijkheid. Maar ik zou haar evenmin willen zien als aantasting van de onafhankelijkheid. Bij benoeming van rechters door de uitvoerende macht is de staatsrechtelijke onafhankelijkheid niet in het geding, omdat de rechter als hij eenmaal benoemd is rechtspositionele en functionele onafhankelijkheid kan genieten. Door politiek getinte benoemingen valt wel de samenstelling van de rechterlijke macht te beïnvloeden en daarmee in zeer algemene zin ook de richting van de rechtspraak (denk aan benoeming van nieuwe leden van de Supreme Court door zittende Amerikaanse presidenten van conservatieve of democratische signatuur en verschuivingen die daardoor in de inhoud van de rechtspraak plaats hebben gevonden). Popelier geeft aan dat de zeer ruime beleidsvrijheid van de Belgische Koning voor de benoemingen en bevorderingen van rechters vóór de herziening van artikel 151 van de Belgische Grondwet in 1998, in de praktijk leidde tot een politisering van de magistratuur. Dat voedde volgens hem onder meer het wantrouwen van de burger ten aanzien van de objectiviteit van de rechtspraak en het bracht het risico of minstens de perceptie mee dat rechters zich zouden schikken naar een zeker politiek verwachtingspatroon. Om die reden zijn in België de benoemingsvoorwaarden geobjectiveerd, werden examens ingevoerd en draagt de Hoge Raad voor de Justitie voortaan kandidaten voor.14
Bovend’Eert noemt de bevoegdheid van de regering om rechters te benoemen een onmisbaar element van ‘checks and balances’. Ik deel zijn visie dat die bevoegdheid niet in strijd is met de rechterlijke onafhankelijkheid, omdat bij de benoeming van rechters de rechterlijke vrijheid in de uitoefening van de functie als zodanig niet in het geding is. Het is vooral van belang dat de rechter ná zijn benoeming in vrijheid volgens de wet en het recht kan oordelen.15 Met enkel de benoemingsbevoegdheid kan de regering ook geen oneigenlijke druk uitoefenen op het functioneren van de rechter via zijn de rechtspositie.16 Dit is in lijn met de jurisprudentie van het EHRM, waarin rechterlijke benoemingen door de uitvoerende macht (evenmin als verkiezingen overigens) niet in strijd met artikel 6 EVRM worden geacht.17 Dat wil niet zeggen dat een ander benoemingsstelsel niet evenzeer of zelfs meer verdedigbaar kan zijn uit het oogpunt van onafhankelijkheid van de rechterlijke macht.18 De keuze voor een bepaald benoemingsstelsel is echter ook het resultaat van een afweging, waarbij meer beginselen dan de rechterlijke onafhankelijkheid, zoals checks en balances, een rol spelen. Zolang de onafhankelijkheid niet wordt aangetast is er ruimte voor een dergelijke afweging.